Wikimedia Commons

Ongelijkheid, een wereld van verschil

Le Capital au XXIe siècleThomas Piketty2013
Our kids, the American Dream in CrisisRobert Putnam2015
Inequality: what can be done?Tony Atkinson2015

Dat we leven in een tijd van toenemende ongelijkheid moge inmiddels duidelijk zijn. We weten dat r groter is dan g, dat kapitaal dus sneller groeit dan de economie als geheel en dat je steeds sneller rijker wordt naar mate je meer bezit. Post-Piketty is tevens duidelijk geworden dat inkomensgelijkheid maar een deel van het verhaal is en dat ook vermogen een belangrijke rol speelt in een steeds ongelijkere verdeling van welvaart. Bovendien staat ook de ongelijke positie van jongeren, groots aangekaart door de beweging Young & United, op de agenda. Ongelijkheid is kortgezegd hot.

Nu, ruim een jaar na Piketty, zijn er twee boeken die een volgende stap zetten in de discussie over ongelijkheid en verschil, en bovendien het debat verbreden en oplossingen onderzoeken. Het eerste is Our Kids, van de Harvard socioloog Robert Putnam, het tweede boek is Inequality – what can be done, van de vermaarde Britse econoom en early bird op het gebied van ongelijkheid Sir Tony Atkinson. Beide zetten een stap verder dan o.a Piketty, Krugman en Stiglitz tot nu toe deden en pogen het politieke debat nu aan te zetten tot actie. Om met de optimistische Atkinson te spreken: ‘The future is very much in our hands.’

Beide boeken pogen het politieke debat nu aan te zetten tot actie

Wat na lezing van de boeken beklijft is een agenda met concrete voorstellen waar de politiek - links én rechts - zich op zou moeten richten. Dat geldt voor Amerika, maar ook voor Europese landen als Nederland, waar de ongelijkheid en segregatie rap toenemen. Ongelijkheid is groeiende en heeft niet alleen gevolgen op het economisch speelveld. Het is de Amerikaanse droom, of de Nederlandse dubbeltjes en kwartjes wijsheid, die hier op het spel en ter discussie staat. Hoe ver kom je nog in de steeds ongelijkere wereld als de onze, als je wieg niet in de Watergraafsmeer maar in de Bijlmer staat? Het antwoord luidt: veel minder ver dan vroeger. We leven meer en meer in een wereld van verschil, maar er is iets aan te doen.

Our Kids van Robert Putnam begint in Port Clinton, Ohio, in 1959. Het is het jaar dat de auteur en zijn klasgenoten de lagere school verlaten. Een school in het midden van de buurt en diepgeworteld in de lokale gemeenschap. In 2014 zocht de auteur zijn voormalig klasgenoten op en vertelt in zijn boek, dat half gebaseerd is op deze en andere echte verhalen terwijl de andere helft bestaat uit statistiek, hoe het hem en zijn klasgenoten de afgelopen vijfenvijftig jaar verging. Wat niet verbaast in de verhalen van de nu zeventigers is dat geslacht en huidskleur voor deze generatie een belangrijke invloed hebben gehad. Veel van zijn vrouwelijke klasgenoten hebben weliswaar gestudeerd of tenminste de middelbare school afgemaakt, maar zij werden al snel de homemaker en opvoeder van de kinderen, terwijl de man als breadwinner de arbeidsmarkt op ging. Daarnaast speelde racisme een grote rol in Amerika; een factor die nog altijd van teleurstellend grote invloed is.

Maar waar geslacht en huidskleur dus veel invloed hadden, gold dat veel minder voor sociaal economische klasse. Uit de klas van Putnam komen verhalen van sprekende voorbeelden - eerste generatie studenten die door steun uit de buurt, kerk of anderszins toch hun talenten konden verzilveren. Hoe anders is dat nu: Putnam schetst in zijn boek een driedeling. Bovenin de kinderen van ouders met een universitair diploma, onderin de kinderen van wie de ouders niet verder kwamen dan de middelbare school en in het midden ouders met een vorm van secundair onderwijs, maar geen afgeronde universitaire opleiding. Anno 2014 is deze driedeling een goede voorspelling voor de kansen van kinderen in hun verdere lezen. Hebben je ouders gestudeerd? Dan geniet je meer financiële steun, meer opvoedtijd met je ouders, meer steun uit de gemeenschap en zit je bovendien vaak op een veel betere school met meer naschoolse activiteiten. Kwamen je ouders niet verder dan de middelbare school? Dan moet je het doen met weinig geld, zie je je ouders waarschijnlijk minder vaak, doe je vrijwel nooit mee aan naschoolse activiteiten en ontvang je weinig steun uit een netwerk van buurt- of kerkgenootschappen. Door deze steeds ongelijkere verdeling van middelen, tijd, en sociale netwerken, ontstaat de kans-ongelijkheid die Amerika nu kenmerkt. Vroeger, bijvoorbeeld op de school van Putnam in 1959, werden middelen veel vaker gedeeld en was er bovendien een gezamenlijk gevoel van gedeelde verantwoordelijkheid voor de toekomst van our kids.

Natuurlijk zijn er ook nu talloze ouders die met weinig middelen alles halen uit de kindertijd van hun zoon of dochter om hen toch een goede kans te bezorgen. Maar veel vaker maken het gebrek aan geld, de chronische stress, onzekerheid over baan of huis en het tekort aan netwerk en sociale ondersteuning het verschil. Factoren als deze zorgen ervoor dat voor de circa 23 miljoen kinderen aan de onderkant van de samenleving, de Amerikaanse droom meestal een illusie blijkt. De ultieme slachtoffers van de groeiende ongelijkheid zijn dus deze kinderen. Want deed in de class of ‘59 zo’n 80% het uiteindelijk beter dan zijn of haar ouders, dat zal vermoedelijk niet gelden voor de kinderen uit de class of ‘15. Een zeer sobere boodschap. Putnam vertelt in een recent interview dat hij moeite had om de hartverscheurende verhalen over drugs, broken homes en het gebrek aan perspectief op te schrijven.

Maar waar geslacht en huidskleur dus veel invloed hadden, gold dat veel minder voor sociaal economische klasse

Voor Nederland zou het nu misschien geruststellend zijn als bovenstaande situatie een volstrekt Amerikaans probleem was, ontstaan uit de ongeëvenaarde combinatie van kapitalisme en individualisme aldaar. Maar de segregatie is recent ook in Nederland beschreven, aangekaart en als probleem onderkend. Kinderen uit verschillende sociaaleconomische klassen komen elkaar ook in Gouda of Heerenveen steeds minder tegen en ook bij ons worden de universiteiten nog altijd bovenmatig bevolkt door het rijkere en blankere deel van het land. In verschillende rapporten met sprekende titels als ‘Hoe ongelijk is Nederland’ en ‘Gescheiden werelden’ werd onderzocht in hoeverre we ook hier te maken hebben met wat we nog altijd vaak Amerikaanse toestanden noemen. De onderzoekers kozen in de studie ‘Gescheiden Werelden’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau juist opleidingsniveau als uitgangspunt om verschillende groepen met elkaar te vergelijken.

Ook in Nederland blijkt juist opleidingsniveau, gelijk aan de verhalen in Our Kids, veelbepalend voor je wereldbeeld en kansen op succes en geluk. Ook wij leven steeds meer in een wereld waar je opleidingsniveau, maar vooral ook het opleidingsniveau van je ouders, in grote mate bepaalt hoe je toekomst eruit ziet. Voor onderzoekers als Putnam is nu, veel sterker dan tien jaar geleden ten tijde van Bowling Alone, duidelijk dat het de toenemende ongelijkheid is, de wereld van verschil, die leidt tot de spreiding van de kansen op succes. Een trieste boodschap: hoogscorende kinderen uit armere milieus hebben minder kans – zo’n 29 % - op een universitair diploma dan slecht scorende kinderen uit rijkere milieus – zo’n 30 %. Dit geldt in Amerika, maar ook in Nederland beweegt de trend zich dus duidelijk in deze richting.

Wat kunnen we doen? Nu ongelijkheid op de agenda staat, die segregatie verder in de hand werkt en de wereld van verschillen vergroot, is het aanpakken van die ongelijkheid de crux. Om kansen te vergroten voor jongeren die helemaal onder aan de ladder moeten beginnen, zijn maatregelen nodig die vooral hen helpen. Het probleem – bekend als het Mattheus effect – is dat veel goedbedoelde maatregelen de verschillen juist groter maken. Scholen zouden daarom moeten stoppen met het rekenen van extra kosten voor buitenschoolse activiteiten, kinderopvang zou gratis moeten zijn en netwerken in de buurt moeten worden versterkt. Dit zijn relatief simpele maatregelen die zorgen dat kinderen uit alle klassen kunnen werken aan sociaal zelfvertrouwen en sociale vaardigheden, een grotere kans hebben op het vinden van een stabiele thuissituatie en een goede mentor in de buurt.

Parallel aan Putnam gaat Atkinson in zijn boek op zoek naar directe maatregelen die kunnen worden genomen om de ongelijkheid te verkleinen. De meer economische voorstellen van Atkinson richten zich op de korte termijn. De stappen helpen ons op weg naar een meer gelijke wereld. Het boek zou eigenlijk voor alle politici die aan de slag gaan met een nieuw belastingstelsel verplichte kost moeten zijn.

Ook in Nederland blijkt juist opleidingsniveau veelbepalend voor je wereldbeeld en kansen op succes en geluk

In het licht van het bovenstaande is vooral het deel over de sociale zekerheid relevant, waarin Atkinson pleit voor onder andere een voorwaardelijk ‘burgerinkomen’ en een belastbare kinderbijslag die voldoende moet zijn om kinderen ten minste uit de armoede te helpen. Dit soort maatregelen kunnen ervoor zorgen dat de middelen die ouders hebben om hun kinderen vooruit te helpen, zich niet verder opstapelen aan de bovenkant van de samenleving. Atkinson stelt in zijn boek verder veel economische maatregelen voor, die direct bijdragen aan het verkleinen van de economische ongelijkheid, en indirect aan het verkleinen van de kansenongelijkheid.

Putnam en Atkinson stellen beide een actieplatform op om de komende jaren wereldwijd de discussie over ongelijkheid verder op te voeren. Vooral het boek van Atkinson is inspirerend en optimistisch van toon. Het veronderstelt dat er genoeg te doen is om ongelijkheid aan te pakken en dat we niet, zoals sommigen na lezing van Piketty concludeerden, onafwendbaar afstevenen op een nieuwe tijd van schrijnende verschillen. Optimistisch dus, maar wel een duidelijke call for action.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven