Flickr / Scott*

Oosters zwaard of westers breekijzer?

‘Terreur is niet hetzelfde als geweld; het is de vorm van heerschappij die tot stand komt wanneer geweld, nadat het alle macht heeft vernietigd, niet terugtreedt, maar de touwtjes in handen blijft houden. Het is vaak opgemerkt dat de effectiviteit van terreur bijna geheel afhankelijk is van de mate van sociale versplintering.’ [1]

Terrorisme en de daarmee gepaarde gaande terreur zijn geen nieuwe fenomenen als men kijkt naar de geschiedenis van de afgelopen twee eeuwen. Van het terroristisch-anarchistische verzet in het tsaristische Rusland van de 19e eeuw via de Rote Armee Fraktion in het Duitsland van de jaren ’60 zijn we nu aanbeland bij het islamterrorisme.[2] De Westerse wereld, waartegen laatstgenoemde vorm van terrorisme zich richt, heeft in de eerste plaats in een krampachtige[3] reflex de oorlog verklaart aan het terrorisme. Een andere ontwikkeling die zich heeft voorgedaan met het oog op de bestrijding van terrorisme is de modificatie van strafrecht.[4] Daarin zijn verschillende veranderingen door gevoerd die ontworpen zijn ter bestraffing van de terrorist en de terrorist in spe.

Terrorisme kent verschillende uitingsvormen en is derhalve moeilijk in één simpele definitie te vatten.

Naar aanleiding van het bovenstaande kan de vraag worden gesteld of het strafrecht wel geschikt is om terrorisme te voorkomen. Dit artikel probeert deze vraag te beantwoorden. Om enige duidelijkheid te verschaffen waarover men het nu precies heeft wanneer men spreekt over terrorisme, zal ik allereerst bespreken wat men nu precies onder het begrip ‘terrorisme’ moet verstaan. Vervolgens zal ik komen tot een bespreking van de gevolgen van de (huidige) keuzes voor en in het strafrecht.

Het is van belang, voor de strekking en het bereik van eventuele strafrechtelijke artikelen die de term ‘terreur’ of ‘terroristisch’ bevatten, een pasklare definitie te hebben. Terrorisme kent verschillende uitingsvormen en is derhalve moeilijk in één simpele definitie te vatten. Een extra complicatie hierbij is  volgens Van der Wilt ‘dat terrorisme geen neutraal concept is, maar een pejoratieve betekenis heeft’.[5]

Al in 1999, dus al voor de aanslagen van 11 september 2001, komt de VN Veiligheidsraad met een definitie van terrorisme. Zij spreekt van een misdaad die is gepleegd ‘to intimidate a population, or to compel a government of an international organisation to do or to abstain from doing any act.’[6] De vraag is of deze vroege definitie wel toereikend is. Volgens Fletcher is dit niet het geval. Hij stelt, met een verwijzing naar Weigend, dat bij hantering van deze definitie iedereen die geen intermenselijk motief of materieel gewin heeft bij het plegen van een misdaad onder de VN-definitie van terrorisme zou vallen.[7] Aan de hand van het poneren van het volgende achttal variabelen laat Fletcher de complexiteit van het begrip ‘terrorisme’ zien.

In de eerste plaats vooronderstelt terrorisme het onrechtmatig gebruik van geweld gericht tegen het leven en de veiligheid van andere individuen.[8] In deze variabele verschilt de terroristische misdaad niet van de conventionele misdaad die eveneens op directe of indirecte wijze een gevaar vormt voor leven en leefbaarheid. Het zou niet onterecht zijn als men stelt dat ons Wetboek van Strafrecht niets anders beoogt dan het behoud van de staat en het individu beoogt te waarborgen.

De tweede variabele van terrorisme is de vereiste intentie. Om te spreken van terrorisme dient de misdaad gepaard te gaan met ideologische intenties. De daden waarmee de terrorist beoogt de bevolking te intimideren of officiële instanties ergens toe te dwingen moet een middel vormen tot het bereiken van een politiek doel.[9] In dit opzicht stelt Arendt treffend dat geweld zich onderscheidt door zijn instrumentale karakter.[10] Het doet verder ook niet ter zake of dit politieke doel verwezenlijkt wordt noch of de intimidatie of dwang enig effect heeft gehad. In dit opzicht is de vereiste intentie empirisch contingent. Problematisch aan deze variabele is, hetgeen in de volgende paragraaf nog nader zal worden besproken, dat het moeilijk te bewijzen is dat de dader een dergelijk oogmerk had.

Wellicht volstaat het te spreken van slachtoffers die gemaakt zijn zonder dat er sprake is van een oorlogssituatie.

Ten derde is er een gelimiteerd domein van slachtoffers van terroristische daden. De meeste definities van terroristische daden vereisen dat het gaat om onschuldige of burgerslachtoffers. Aan de hand van een risicoanalyse zou men inderdaad uitkomen bij deze groep van slachtoffers.[11] Het verleden heeft echter uitgewezen dat er ook sprake kan zijn van terrorisme wanneer de daden zijn gericht op militaire doelen, bijvoorbeeld de Palestijnse zelfmoordaanslagen op Israëlische soldaten. Vooralsnog zijn er geen argumenten die deze eerste limitering in stand houden. Wellicht volstaat het te spreken van slachtoffers die gemaakt zijn zonder dat er sprake is van een oorlogssituatie.

Buiten de onzekerheid over wie nu als slachtoffer heeft te gelden om van een terroristische daad heeft te gelden[12], bestaat er ook onzekerheid welke dader als terrorist dient te worden bestempeld. Doorgaans wordt de fanaticus of de gegroepeerde fanaticus als normaaltype dader gezien. Deze kwestie wordt echter een controversiële wanneer dergelijke fanatici banden hebben met overheden van staten. Hier doemt (ook) de spanning tussen misdaad en oorlog weer op. De technologische vooruitgang heeft ervoor gezorgd dat relatief kleine groeperingen misdaden kunnen plegen die, wanneer gepleegd door staten, zouden doorgaan voor oorlogshandelingen. Er lijkt derhalve geen dwingende reden de terrorist louter als staatonafhankelijke actor te zien.

Een vijfde variabele is de ‘just cause’[13] van terroristische daden. Er heerst een tendens, met name in de Arabische wereld, die de terroristische aanslag houdt voor een middel tot het bereiken van een hoger doel. Vanuit het oogpunt van de nobele revolutionair die als David tegen Goliath streed voor zijn rechten en die van zijn lotgenoten is zo’n standpunt te begrijpen. Inmiddels heeft men kunnen zien dat terrorisme dusdanig destructief is dat geen enkel doel dit middel kan heiligen.[14] Die mening is echter nog niet iedereen toegedaan.

Ten zesde rijst de vraag of een terrorist dient te handelen vanuit een organisatie.[15] Het algemene gevoel is dat de eenzame terrorist van een andere klasse is dan de gegroepeerde terrorist. Waarschijnlijk komt dit voort uit het sentiment dat men de eenzame zelfmoordterrorist het probleem zichzelf wel oplost. Niettemin kan een individuele handeling meerdere van de reeds genoemde variabelen in zich dragen. Is de daad dan toch minder terroristisch?

Met Jenkins stelt Fletcher vervolgens dat terrorisme theater is. Deze zevende variabele zegt dat terrorisme altijd een theatraal effect heeft teneinde te kunnen bereiken wat het beoogt: angst (voor herhaling). Het dient daarom altijd gebruiken te maken van de bühne van de massamedia: er is dood en verderf, iedereen moet het weten. Hoe meer mensen op de hoogte, hoe meer angst. Op basis hiervan zou men geneigd kunnen zijn te zeggen dat het doodzwijgen van terrorisme nog de doeltreffendste remedie zou zijn. Hiermee hangt de laatste variabele samen: de zelfmoordterrorist kent geen schuld, geen spijt.[16] In zijn eigen optiek is er geen onrechtvaardigheid in zijn handelen. Sterker, nog zijn ideologie belooft hem gouden bergen in het hiernamaals. Hij geldt als martelaar bij zijn naasten die achterblijven.

Op basis van deze variabelen kan men zich afvragen of wij nu precies weten waarover we het hebben wanneer wij spreken over terrorisme. Natuurlijk, gebeurtenissen hebben familiegelijkenissen en vallen derhalve misschien onder dezelfde definitie. De vraag is echter of dit probleem louter talig is of ook fenomenaal.[17] Niettemin zal het ongetwijfeld zijn weerslag hebben op de mogelijke effectiviteit en rechtvaardigheid van strafrechtelijke maatregelen ter voorkoming van terrorisme. Hoeveel ineffectiviteit is gerechtvaardigd en hoeveel onrechtvaardigheid is nog effectief?

Nu reeds uit de vorige paragraaf is gebleken dat de nodige problemen ontstaan bij het poneren van een definitie van terrorisme en dat dergelijke ondefinieerbaarheid noodzakelijk gevolgen heeft voor de toepassing van strafrechtelijke provisies die een afgeleide van terrorisme als bestanddeel hebben. Naast problemen op het niveau van de definitie, kan ook de vraag worden gesteld naar de gevolgen van de invoering van terrorismewetgeving voor het strafrechtelijk systeem. De Nederlandse situatie zal als uitgangspunt dienen, maar de ongefundeerde verwachting is dat soortgelijke problemen zich voor zullen doen in landen met dezelfde strafrechtelijke pretenties.

De kans dat dusdoende mensen worden berecht die het vereiste oogmerk ontberen maar de omstandigheden tegen hebben, is groot.

Het eerdergenoemde Kaderbesluit ter bestrijding van terrorisme heeft verdragsstaten verplicht wetgeving te implementeren die terroristische misdaden als nieuwe, zelfstandige misdaden erkent. In Nederland heeft dit er toe geleid, dat naast verscheidene strafprocessuele aanpassingen,[18] dat het terroristisch oogmerk is geïntroduceerd in het Wetboek van Strafrecht.[19] Van der Wilt laat in zijn artikel zien dat deze figuur niet past in de strafrechtelijke dogmatiek. Het probleem schuilt in het feit dat het terroristisch oogmerk gekoppeld wordt aan misdaden die reeds strafbaar zijn op basis van het commune strafrecht. Het mankement dat dan ontstaat is dat het oogmerk niet inherent is aan de gepleegde handeling.[20] Het oogmerk kan niet zonder meer uit de handeling gedestilleerd worden, zoals het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening wel uit de stelende handeling gedestilleerd kan worden.[21] Gevolg: strafbaarstelling van een niet te bewijzen motief. De kans dat dusdoende mensen worden berecht die het vereiste oogmerk ontberen maar de omstandigheden tegen hebben, is groot.

Bovenstaand effect is een gevolg van de gepleegde terroristische daden. Het is niet alleen in strijd met de strafrechtelijke dogmatiek, maar tevens met mensenrechtelijke waarborgen, zoals de onschuldpresumptie, die beogen willekeurig vervolging te voorkomen. Deze mensenrechten die van essentieel belang zijn voor het rechtmatig functioneren van ons strafrechtelijk systeem komen op de tocht te staan door de terrorismewetgeving. Zo bekeken – met gevoel voor dramatiek -  ligt het terrorisme ten grondslag aan de afbrokkeling van ons westerse rechtssysteem. Om met Dworkin te spreken is ‘[…] what our enemies mainly hope to achieve through their terror the destruction of the values they hate and we cherish.’[22] De aanpassing van het strafrecht en strafprocesrecht[23] dragen op deze manier eerder bij aan het terroristische doel dan dat zij het terrorisme bestrijden. Niet mag worden miskent dat terrorisme een serieuze dreiging is voor de westerse democratie in het algemeen en daarmee zal het strafrecht zeker een rol kunnen spelen omdat men immers van doen heeft met misdadigers. Niettemin ben ik van mening dat het strafrecht niet meer kan doen dan het voorheen al kon. De werkelijke aard van het probleem kent waarschijnlijk sociaaleconomische en ideologische oorzaken. Aldaar zal men ook de werkelijke oplossing moeten zoeken.



[1] H. Arendt, Over geweld, Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas 2004, p. 78

[2] Daarmee bedoel ik het terrorisme dat is gebaseerd op de islam en niet dat terrorisme dat inherent is aan het islamitische geloof.

[3] Krampachtig omdat de volkenrechtelijke basis voor zowel de invallen in Afghanistan en Irak dikwijls ter discussie.

[4] Zie Kaderbesluit van de Europese Unie inzake de bestrijding van terrorisme: Kaderbesluit van 13 juni 2002, PbEG L 164/3 van 22 juni 2002.

[5] H.G. van der Wilt, ‘Het terroristisch oogmerk’, in: M.M. Dolman (red.), Terrorisme, Europa en strafrecht: Amsterdam: Amsterdam University Press 2003, p. 57

[6] GA res. 54/109, 9 December 1999, in par. 1(b)

[7] G.P. Fletcher, ‘The indefinable concept of terrorism’, in: Journal of International Criminal Justice 4 (2006), p. 896

[8] Fletcher, o.c., p. 901

[9] Fletcher, o.c., p. 902

[10] Arendt, o.c., p. 69

[11] Fletcher, o.c., p. 904

[12] Met het oog op het feit dat een terroristische daad doorgaans een hoop slachtoffers van velerlei aard maakt – zie bijv. de aanslagen van 11 september -, wekt het onderscheiden van soorten slachtoffers wellicht een kunstmatige indruk. Het gaat hier echter om een wetenschappelijk afbaking. Toegegeven zij dat de weerbarstige werkelijkheid zich niet zo gemakkelijk in een keurslijf laat dwingen.

[13] Fletcher, o.c., p. 906

[14] Arendt, o.c., p. 29

[15] Fletcher, o.c., p. 908

[16] Fletcher, o.c., p. 911

[17] Fenomenaal in filosofische zin.

[18] Denk aan de artt. 126za t/m 126zu Sv.

[19] Bijv. art. 140a Sr.

[20] Van der Wilt, o.c., p. 71

[21] Art. 310 Sr

[22] R. Dworkin, ‘The threat to patriotism’: http://www.nybooks.com/articles/archives/2002/feb/28/the-threat-to-patriotism/, p. 4

[23] Ook de aanpassing van het strafprocesrecht draagt bij aan de afbrokkeling van het strafrechtssysteem aangezien men meer bevoegdheden heeft bij minder vermoeden van schuld als er sprake is van terroristische verdenking.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven