Op zoek naar Proust in Parijs

Ik ben opgetogen en gelukkig, en dus geen goed geschiedschrijver.

Johann Wolfgang Goethe – Het lijden van de jonge Werther

1

In de literatuur gaat het niet vaak over de gelukkige liefde. Misschien is de geschiedenis van een gelukkige liefde niet onderscheidend, lijkt elk gelukkig liefdeskoppel op elkaar terwijl iedereen liefdesverdriet heeft op geheel eigen wijze. Misschien valt er over geluk niet veel te zeggen en te schrijven, omdat het vluchtiger en vergankelijker is dan leed, dat zo’n lange uitwerking kan hebben; trauma’s onstaan immers niet door het geluk.

Desalniettemin hebben de gelukkige en de ongelukkige een belangrijke overeenkomst:

de drang om er over te vertellen, want dat is de beste manier om inzicht te krijgen in je eigen verhaal. De waarheid is innerlijk en soms is die sentimenteel. Suck it up. Niet alles in het leven, in dit bij wijlen banale bestaan, is verheven.

We lagen in bed en praatten onafgebroken alsof we het geluk in beweging moesten houden. Het enthousiasme was ontembaar, de geestdrift van toen is de oorzaak dat ik nu de vele onderwerpen waar we over spraken ben vergeten. De menselijk geest, schreef Marcel Proust, is samengesteld uit vergetelheid en herinnering. Ik herinner me nog wel dat ik die middag zei: ‘Daar heb ik wel een ideetje over.’ Waarop Lieke antwoordde: ‘Zeker iets van Proust, of niet?’

De menselijk geest, schreef Marcel Proust, is samengesteld uit vergetelheid en herinnering

Ik zag Lieke voor het eerst in november en in die maand was ik begonnen Op zoek naar de verloren tijd van Marcel Proust te herlezen. Proust en Lieke zijn voor mij nu onafscheidelijk. We herinneren ons boeken, de vreugde van het lezen, veelal vanwege de tijd waarin we een bepaald boek lazen. Zo weet ik nog precies wat ik las op de dag dat ik nieuws hoorde dat ik nooit had willen horen (de korte verhalen van Hemingway) en zo weet ik ook nog het eerste boek dat ik las na mijn geestelijke klapband tien jaar geleden (Siegfried van Harry Mulisch). Boeken vergezellen mijn herinneringen aan de hoogte – en dieptepunten.

Proust is zo goed dat ik wel over hem moest praten. Gelukkig is Lieke een lezer en begon ze niet met haar ogen te rollen als ik zijn naam weer eens een gesprek binnenfietste. In de periode voordat onze relatie officeel werd, had ik veel aan Proust. Het voorgeborchte van de liefde, die tijd van onzekerheid en angst, waarin de onrust regeert, hoop en wanhoop elkaar als in een rap ritmisch afwisselen, beschrijft en analyseert Proust meesterlijk in Op zoek naar de verloren tijd.

Het was Kerst. Lieke ging naar haar moeder in Uden en ik stapte in de trein naar mijn familie in Amsterdam om vandaar met de wagen naar Parijs te rijden. De laatste jaren gaan we rond de kerstdagen met het gezin naar Parijs. Dit jaar logeerden we in een appartement aan de Square Gabriel Fauré dat we hadden gehuurd via AirBnb. Ik ben een muzikaal onbenul, kan Beethoven niet van Bach onderscheiden, maar door mijn preoccupatie met Proust wist ik dat Fauré een componist was, een tijdgenoot van Proust, die onder andere model stond voor de componist Vintieul, wiens muziek zo’n belangrijke rol speelt in Op zoek naar de verloren tijd.

Boven haar bed hangt een gifgroen kaartje met de tekst J’AIME PAS TRAVAILLER waardoor ik me direct thuis voel in deze kamer

Zes jaar geleden logeerden we hier al eens tijdens de Kerstdagen en toen sliep ik ook in de kamer van Eugénie; zij is de oudste dochter van het gezin van wie we het appartement huurden. Dit keer heb ik besloten niet uit haar raam te roken – alsof de liefde me fatsoenlijker maakt en mijn verslaving beteugelt. De hoogslaper die er zes jaar geleden stond is vervangen door een wat plankerige twijfelaar. Blijkbaar slapen Eugénie en haar vriend Tonio graag dicht tegen elkaar aan. Tonio ziet er op de foto’s in de kamer uit als een leuke vent, maar ik heb meer met Eugénie. Boven haar bed hangt een gifgroen kaartje met de tekst J’AIME PAS TRAVAILLER waardoor ik me direct thuis voel in deze kamer. Net als Eugénie wil ik, zoals Albert Camus in zijn dagboek noteerde, ‘ontkomen aan de smadelijkste en ellendigste van alle bestaanswijzen: die van de werkende mens.’ Terwijl mijn familie hier is om even te ontsnappen aan de last en zorgen van hun werkende bestaan, zijn mijn tweejarige neefje en ik in Parijs om uit te rusten van het uitrusten.

Vlak nadat we aan zijn gekomen, loop ik naar de Boulevard Malesherbes, de brede boulevard waar Proust lange tijd woonde op nummer 9. Het is dichtbij, ik ben er binnen een paar minuten, maar het is een ellendig lang ding. Halverwege koop ik een toeristisch ansichtkaartje voor Lieke, ik ben immers een toerist en aanvaard die rol zonder schaamte. Terwijl ik verder loop naar nummer 9 bedenk ik alvast wat ik op het kaartje zal schrijven. Misschien dat Proust geen gelijk had toen hij de liefde een wederzijdse marteling noemde. Al meende ik eerder, voordat ik wat met Lieke kreeg, dat Proust volkomen gelijk gehad. De liefde tast het geloof aan waardoor de pessimist een optimist wordt en omgekeerd.

Na twintig minuten banjeren ben ik aangekomen bij nummer 9. In De gevangene zegt de Baron de Charlus tegen Marcel: ‘Wat is het lelijk bij u!’ Het schijnt dat Oscar Wilde dit heeft gezegd over Prousts huis aan de Boulevard Malherbes. Proust ontmoette Oscar Wilde in 1891 via de schilder Jacques-Emile Blache en hij nodigde Wilde uit om bij hem te komen dineren. Als Proust zijn huis aan de Boulevard Malherbes binnenkomt, krijgt hij te horen dat Wilde er al is en dat hij in de badkamer zit. Proust loopt er heen en vraagt aan Wilde of hij ziek is. Wilde komt de badkamer uit en antwoordt: ‘No, I am not in the least ill. I thought I was to have the pleasure of dining with you alone, but they showed me into the drawing room. I looked at the drawing room and at the end of it were your parents, my courage failed me. Goodbye, dear M. Proust, goodbye.’ Nadat Wilde is vertrokken, hoort Proust van zijn ouders dat Wilde tegen hen had gezegd: ‘How ugly your house is.’

Het was naar binnen gaan om te schrijven dat ik naar binnen ben gegaan. Zo werken reisverhalen, denk ik. Een liefhebber van het genre ben ik niet

Op nummer 9 in dit prachtige pand aan de drukke Boulevard Malherbes zit nu Docteur Lydie Atlan, Chirurgien-Dentiste. Er staat nergens dat Marcel Proust hier heeft gewoond – laat staan dat Oscar Wilde dit huis lelijk vond. Van de buitenkant ziet het er prachtig uit, maar Wilde was een man met smaak, dus de kans bestaat dat de binnenkant inderdaad lelijk was. Tegenover het appartement is een winkel van Burberry, dat geruite modemerk. Er is hier weinig te zien of te ontdekken. Na een minuut vertrek ik naar de Boulevard Haussmann 102 waar Proust in 1907 ging wonen. Het is niet ver lopen naar het huis waar Proust woonde toen de eerste delen van Op zoek naar de verloren tijd verschenen en waar hij tot 1919 woonde. Er zit nu een bank in dit voorname huis, de ruiten van de glazen deuren zijn ingegooid, want de gele hesjes hebben hier huisgehouden. Hier is wel een plaquette:

MARCEL PROUST

1871-1922

Habita cet immeuble

de 1907 à 1919

Ik ga even op het krakkemikkige bankje voor het huis zitten en probeer iets van ontroering of emotie bij mezelf te ontdekken nu ik voor het huis zit waar mijn grote held zo lang heeft gewoond. Niets.

Nadat ik een sigaret op het bankje heb gerookt, loop ik terug naar Square Gabriel Fauré. Mijn neefje, die andere held van me, zal ondertussen wel wakker zijn en misschien kunnen we lekker keten en ouwehoeren en Duplo dingen bouwen en dan stuk maken. Onderweg kom ik langs de Église Saint-Augustin. Zelf heb ik niets met kerken, maar het personage Marcel is fan van kerken en om een Proustgevoel te krijgen loop ik naar binnen. Peukje uittrappen, even rondkijken en klaar. Het was naar binnen gaan om te schrijven dat ik naar binnen ben gegaan. Zo werken reisverhalen, denk ik. Een liefhebber van het genre ben ik niet.

Als ik niet al verliefd was, zou ik het wel worden op een Française die zo gezellig een sigaretje rookt aan zo’n rond tafeltje met een kopje slappe Franse espresso erop

Leer je de wereld kennen door te reizen? Wat heb ik geleerd in Parijs? Dat roken hier nog niet een zonde is; dat ze van die heerlijke terrasjes hebben waar je een bakkie kunt doen en een peukje kunt roken zonder dat je het koud krijgt. Als ik niet al verliefd was, zou ik het wel worden op een Française die zo gezellig een sigaretje rookt aan zo’n rond tafeltje met een kopje slappe Franse espresso erop. Volgens Proust leer je de wereld niet echt kennen door de hort op te gaan. In De gevangene zegt de Verteller:

‘De enige werkelijke reis, de enige verjongingsbron, zou niet zijn om naar nieuwe landschappen toe te gaan, maar andere ogen te hebben, de wereld te zien door de ogen van een ander, van honderd anderen, de honderd werelden te zien die ieder van hen ziet, die ieder van hen is; en dat kunnen wij met een Elstir, met een Vinteuil, met huns gelijken, dan vliegen wij werkelijk van ster naar ster.’

De wereld zien door de ogen van de ander: dat is de functie van kunst volgens Proust. Tijdens de tentoonstelling over Egon Schiele en Jean Michel Basquiat in het Bois de Boulogne zie ik de werelden van wanhoop en woede. In de Fondation Louis Vuitton hangt het prachtige schilderij Liebespaar van Schiele uit 1918. De dunne man ligt tegen een ietwat corpulente vrouw en omhelst haar. Het is bijna omklemmen. De manier waarop ze liggen is een weergave van de angst, die benadrukt wordt door desperate expressie van de gezichten van het paar. Het werk van Basquiat is grotendeels het communiceren van woede en is woede niet de meest rauwe, ongepolijste en directe vorm van wanhoop? Zowel woede als wanhoop komen voort uit machteloosheid. Basquiats wereld van woede is het gevolg van onrecht; de vertwijfeling van de Afro-Amerikanen vanwege het racisme in Amerika. Als witte man leer ik tijdens deze tentoonstelling een wereld kennen die ik anders nooit zou kunnen kennen. Ik moest er trouwens wel voor reizen om er kennis mee te maken.

Hoe is de uitspraak van de Verteller over reizen te rijmen met het al lang gekoesterde verlangen van Marcel om naar Venetië te gaan? Al in De kant van Swann heeft Marcel de vurige wens om Venetië te bezoeken, maar door zijn gezondheid is hij niet in staat de reis te maken. In plaats van naar Venetië te gaan, speelt hij met Gilberte Swann op de Champs-Elysées. Marcels verlangen om Venetië te bezoeken is echter een drang om te weten en niet om te ontspannen in een andere omgeving.

2

Ik ging op reis naar Parijs en zocht naar Proust; ik pas mijn reizen altijd aan aan datgene waar ik me op dat moment mee bezighoud. Misschien is zoeken een verkeerd woord. Ik wist van te voren dat ik Proust niet zou vinden in Parijs, dat de aanblik van de huizen waar hij heeft gewoond me niets over hem zou leren. De enige Proust die ik kan leren kennen, de enige Proust die nog leeft, staat thuis in mijn boekenkast in Groningen op me te wachten. In Tegen Sainte-Beuve maakt Proust een onderscheid tussen het ik als mens in de wereld en het ik als schrijver, omdat ‘een boek het product is van een ander ik dan we te zien geven in onze gewoontes, in het maatschappelijk verkeer, in onze hebbelijkheden.’ Volgens Proust is identiteit meervoudig: ‘Ik was niet één mens’, zegt de Verteller in De voortvluchtige. De mens is een heterogeen wezen, bestaande uit vele ikken. Deze veelzijdigheid heeft ook betrekking op hoe we de ander zien en beschouwen: ‘Wat is een persoon veel opeenvolgende personen voor ons, wat staat degene die hij de eerste dag voor ons was, ver van ons af,’ schreef Proust in Tegen Sainte-Beuve. Door de tijd is het zelf heterogeen, door de tijd is iemand niet één mens en is zijn een constant worden.

De opeenvolgende personen die Proust vormden, woonden tot 1900 aan de Boulevard Malesherbes, daarna tot 1906 – nog steeds bij zijn ouders – in de Rue de Courcelles 45 en na het overlijden van zijn ouders aan de Boulevard Haussmann. In 1919 verhuisde Proust naar de Rue Hamelin 44. In 1922, dat belangrijke jaar uit de Europese letteren waarin The Waste Land van T.S. Eliot uitkwam en Ulysses van James Joyce in Parijs werd gepubliceerd, overleed Marcel Proust op 18 november in zijn huis aan de Rue Hamelin. Het huis waar Proust stierf is nu een hotel. Ook hier is een degelijke plaquette te vinden:

Marcel PROUST

vint demeurer ici

en octobre 1919

il y mourut

le 18 novembre 1922

De slaapkamer van Proust aan de Rue Hamelin staat nu in het Musée Carnavalet. Het museum is dicht in de dagen dat ik hier ben, maar ik ben er in 2016 al geweest. Ik vond het twee jaar geleden leuk om te zien, meer niet. Foto’s van de kamer staan ook op internet en het aura van Proust hangt er niet rond. Tenminste, twee jaar geleden voelde ik het niet. Ik twijfel of ik een keer naar de Boulevard Haussman zal gaan, want daar werd Proust echt schrijver, de auteur van misschien wel de beste roman aller tijden. Maar ik zie er vanaf en ga weer Duplo-dingen bouwen met mijn neefje.

Voordat Proust aan Op zoek naar verloren tijd begon te werken verscheen in 1896 Les Plaisirs et les Jours, een bundel met proza en poëzie die nauwelijks werd opgemerkt en besproken. Al werd Proust na de publicatie van zijn debuut in de Parijse krant Le Journal wel aangevallen door de schrijver Jean Lorrain, auteur van onder meer de korte roman Denkbeeldige genietingen. In deze periode was Proust kind aan huis bij de bekende schrijver Alphonse Daudet. Proust voelde zich thuis bij de familie Daudet, hetgeen vreemd en verwonderlijk is omdat de Daudets er nogal antisemitische opvattingen op na hielden en Proust, de zoon van een Joodse moeder, een overtuigd dreyfusard was.Terecht dacht Proust dat de Joodse legerkapitein Alfred Dreyfus onschuldig was aan het landverraad waarvoor hij was veroordeeld. In Lorrains tweede aanval beledigde hij Lucien Daudet, op wie Proust verliefd was. Dat kon Proust niet op zich laten zitten en het kwam tot een duel. Dit moest echter verplaatst worden van de ochtend naar de middag, want Proust was geen ochtendmens. Er werd geschoten, maar niemand raakte gewond. Proust beschouwde het duel als één van zijn mooiste herinneringen.

Moed is onmisbaar in de liefde en door Lieke ben ik dapper geworden

Het is verbazingwekkend dat die gevoelige, kwetsbare Proust een duel heeft uitgevochten (dat hij het duel liet verplaatsen naar de middag stemt dan wel weer overeen met zijn karakter). In In de schaduw van meisjes in bloei heeft de Verteller het over zijn hang naar gevaar, een passage die wellicht van toepassing is op Proust zelf: ‘En hoewel ik minder dan wie ook ter wereld dapper mag heten, heb ik toch een gevoel gekend dat mij, als ik erbij stilstond, volstrekt ondenkbaar en onverenigbaar met mijn karakter leek: de roes van het gevaar.’

Ik ken de roes van het gevaar alleen via de liefde; volgens Proust is de liefde het ‘onverhoedse gevaar dat alle leven ten gronde zou kunnen richten.’ Moed is onmisbaar in de liefde en door Lieke ben ik dapper geworden. De dag dat ik terugkwam uit Parijs was Lieke jarig en ze zou dit vieren met een aantal vrienden in de kroeg. Of ik ook kwam. Nee, ik durfde niet, mijn angststoornis weerhield me er al jaren van om te hangen in de kroeg met vreemden en vrienden. Ik bleef thuis, horizontaal tv-kijkend, maar liggend op de bank versloeg het verlangen de vrees. Ik ging toch naar het café en vond mezelf heldhaftig. Door de hartstocht overdreef ik het ook, want onderweg naar Lieke zag ik mezelf al een duel uitvechten als iemand haar die avond zou beledigen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven