Flickr / Thomas Quine

Pink coral

Sinds Ter Steege een nieuwe kapster had werd hij regelmatig begroet door een vreemde mevrouw. Dan liep hij door de supermarkt en stopte dingen in zijn mandje en plots passeerde hem een vrouw die hij niet kende, die hem bij zijn naam aansprak en vroeg hoe het ging. Toen dit voor de derde keer gebeurde realiseerde hij zich dat het steeds dezelfde vrouw was. Toen het binnen een jaar ongeveer zes keer gebeurd was, het was een klein dorp, probeerde hij haar identiteit te achterhalen.
Het complete spectrum van vrienden en kennissen, oud-klasgenoten en ex-collega’s, van vroeger en recenter, liet hij aan zijn innerlijk oog passeren. Pas nadat hij de kapsalon had gebeld voor een afspraak schoot het hem te binnen. Plotseling begreep hij ook waarom ze over de telefoon zo afstandelijk had geklonken. Kortaf en koel. Natuurlijk, ze was beledigd. Ze had doorzien dat hij haar niet herkende en dat hij steeds deed alsof, wanneer ze elkaar buiten de context van haar werk spraken. En omdat haar gezicht voor hem kennelijk niet belangrijk genoeg was om te onthouden, nam hij niet eens de moeite om haar te vragen wie ze ook alweer was. Althans, zo interpreteerde hij haar toon.

Sinds Ter Steege een nieuwe kapster had werd hij regelmatig begroet door een vreemde mevrouw

Hun afspraak stond gepland voor de volgende week. Gedurende die week probeerde hij zinnen te formuleren die haar boosheid zouden temperen. De beste methode, besloot hij, was zichzelf verbaal voor zijn kop slaan, lachend verklaren wat een klungel hij wel niet was en vervolgens in alle ernst zijn excuses aanbieden. ‘Ik ben niet goed met nieuwe gezichten,’ zou hij zeggen. ‘Vergeef me.’ Ze zou hem even laten zweten. In zijn scenario hield ze de armen over elkaar en keek een moment opzij alsof ze in stilte overlegde met een onzichtbare collega. Dan zou ze glimlachen en iets zeggen als ‘Nou vooruit dan maar’ en hem zijn kopje koffie aanbieden.
Op de fiets naar de stad repeteerde hij de zinnen. ‘Ik ben niet goed met nieuwe gezichten,’ was het niet helemaal. Het was niet alsof zij letterlijk een nieuw gezicht had. ‘Het duurt altijd even voor ik iemand herken’ zou kunnen, maar hij herkende haar wel degelijk: het was een kwestie van omgeving. Het afgelopen jaar had hij drie maal minstens een half uur bij haar in de stoel gezeten. Ze was in die dertig minuten steeds in zijn nabijheid geweest, zichtbaar in de spiegel. Ze had hem vragen gesteld over zijn leven en hij had geantwoord, eerst wat schuchter, bij het tweede bezoek al iets meer ontspannen. Maar hij had haast verstrooid gesproken. Het is mijn kapster maar, had hij gedacht, wat maakt het uit: zij praat met iedereen over alles en iedereen praat met haar.

Hij verbleekte van paniek toen hij besefte dat er helemaal geen geldig excuus was voor zijn onvermogen.
Hij zette zijn fiets tegen de pui en liep naar binnen. Er waren drie stoelen bezet, allen dames op leeftijd. Bij twee van hen zat een grote metalen kap over het hoofd geschoven. Altijd wanneer hij die kappen zag verwachtte hij dat ze binnen de kortste keren vlam zouden vatten. De vrouw achter de balie bladerde in het afsprakenboek en vroeg met wie hij had afgesproken.
‘Half drie,’ zei hij. ‘Mijn naam is Ter Steege?’
Ze keek hem even aan en liet toen een roze gelakte wijsvingernagel langs de kolommen gaan. Nog voor de vinger op zijn naam stuitte, hij kon hem zelfs ondersteboven lezen, kwam zijn kapster vanachter het gordijn achter de balie tevoorschijn. Meteen boog hij het hoofd en keek haar vanonder zijn wimpers aan. Dit was de schuldige blik waarvan hij hoopte dat hij het ijs zou breken.
‘Dus u kan niet alleen mijn gezicht niet onthouden, mijn naam is ook nog eens een probleem.’
Haar collega deed een stap naar achteren en vouwde de armen. Ze maakte geen aanstalten om hen alleen te laten, kennelijk gefascineerd door de mogelijkheid van een toneelstukje. Hij wist niet waar hij kijken moest. Er kwam muziek uit onzichtbare speakers en ze had niet hard gesproken, maar toch had hij het idee dat opeens iedereen naar hem keek.
‘Het spijt me zo,’ zei hij. ‘Het is nooit mijn bedoeling geweest om je te kwetsen.’ Wat was ook alweer de zin die hij had bedacht? ‘Het duurt altijd heel lang voor ik mensen onthoud.’
Dat was het niet helemaal, maar gezien de omstandigheden was hij blij dat hij iets samenhangends had weten uit te brengen. Daar was die zijwaartse blik, dat ging in ieder geval volgens plan, alleen stond daar nu een concrete collega. Ze keken elkaar kort aan. De collega trok haar wenkbrauwen op. Ter Steege had het onaangename idee dat er iets gezegd werd, op een manier die hij niet kon verstaan.
‘Ik weet het goed gemaakt,’ zei ze toen ze zich weer naar hem wendde. ‘Morgen ben ik vrij. Als we nou eens afspreken in die koffiebar even verderop? Rond een uur of twee komt mij goed uit. Dan kijken we elkaar eens echt aan tijdens het praten. Misschien helpt dat. En de volgende keer dat we elkaar in het dorp zien, dan kent u me. Afgesproken?’
Hij was te verbouwereerd om iets anders te doen dan instemmen. Tijdens het knippen hield ze een gestage stroom aan onbenulligheden gaande en hij kon alleen maar knikken en af en toe ja of oké zeggen. Hij rekende zwijgend af en onderging haar ironische glimlach met een rood hoofd.

Ze keek hem even aan en liet toen een roze gelakte wijsvingernagel langs de kolommen gaan

De koffiebar was een moderne tent met lange rechte banken, kleine ronde tafels en glimmende apparatuur. Achter de bar stond een jongeman met een rechtgeknipte baard en een snor die in twee krullende punten omhoog stond. Hij reikte Ter Steege zijn cappuccino aan met een hand die tot aan de knokkels met inkt was bedekt.
Ter Steege nam plaats. Met klamme vingers roerde hij suiker door zijn koffie. Schichtig keek hij om zich heen. Hij wenste hevig om een boek of een krant, iets om zich minder zelfbewust te maken. Hij was de enige met dit probleem: de mensen die niet met elkaar praatten keken naar schermen.
Tegen tweeën stond hij op het punt weg te gaan. Het was belachelijk, hij liet zich louter uit een soort angst voor haar wagentje spannen. Ze liet hem wachten omdat ze erop rekende dat hij haar niet nog een keer zou durven beledigen (alsof het hem daarom te doen was!) door zonder een woord weg te gaan. Waarschijnlijk kwam ze niet eens opdagen, was dit alleen maar een manier om wraak te nemen voor haar vermeende vernedering.
Hij greep een servetje en verfrommelde het tussen verkrampte vingers. Hij was daar gek. Hij was daar godverdomme gek. Maar hij bleef zitten. Hij zat achter zijn tweede kop koffie toen de deur openging. Een dame in een lange grijze jas en platte schoenen bestelde bij de bar, nam haar koffie in ontvangst en kwam bij zijn tafeltje staan.
Er was een kort moment waarin ze hem even opnam, haast alsof ze ergens op wachtte. Toen stak ze haar hand uit en zei, zonder een spoor van ironie:
‘Laura.’
Na een korte aarzeling nam hij haar hand. ‘Herman.’
‘Aangenaam,’ zei ze en ging zitten. Ze vouwde haar handen in een kommetje om haar beker.
Hij wist niet precies wat er van hem verwacht werd. Bovendien was zijn boosheid nog niet geheel weggeëbd. Hij zei niets. Opnieuw keek ze hem nadrukkelijk aan. Ze zocht zijn ogen wanneer hij haar blik probeerde te vermijden en het kostte al zijn beheersing om haar niet te vragen wat ze wilde.
Ze haalde een foto uit haar portemonnee. Het was een oude afdruk, de kleuren vervaagd tot een oranjegeel dat contouren met elkaar deed versmelten. Hij bekeek opnieuw haar gezicht. Haast onbewust had hij haar jonger geschat dan hemzelf, maar gezien de leeftijd van haar gezin op de foto’s moest ze rond de zestig zijn, ongeveer van zijn generatie.
‘Mijn man, Peter, hij had problemen. Soms dan kwam hij thuis van zijn werk en dan had ik het eten nog niet klaar. Het stond dan wel te koken, weet je wel? Maar dan duurde het nog een paar minuten voor we aan tafel konden. En dat vond hij niet kunnen. Zo zei hij het ook. “Dit kan niet.” Wanneer hij thuiskwam moest er meteen gegeten worden. Dus als het eten niet klaar was dan ging hij naar boven, naar zijn werkkamer. En dan kwam hij er de hele avond niet meer uit.’
‘Dat is,’ zei Ter Steege.
‘Hij had heel veel van dat soort dingen. Hij had hele gefixeerde ideeën over hoe dingen moesten zijn. Over ons leven, ons huis, onze kleding.’ Ze lachte zonder vreugde. ‘Bepaalde kleuren kwamen gewoon het huis niet in. Kun je je dat voorstellen? Sowieso dat een mán zich daar druk over maakt. Als ik een boeket kocht waar per ongeluk paarse bloemen in zaten? Dan sprak hij een week niet met me. Het was gewoon belachelijk.’
‘Dat is,’ zei Ter Steege. Hij begon het warm te krijgen. Zijn koffie werd koud.

Hij was daar godverdomme gek, maar hij bleef zitten

‘Dertien jaar hield ik het vol. Voornamelijk door het weg te lachen. Te doen alsof het allemaal eigenlijk heel grappig was. Maar ik sliep steeds slechter, ik huilde vaak, soms ook op het werk, dus ik wist dat ik het niet echt weglachte. Van buiten gezien stond ik rechtop, maar van binnen was ik aan het kromgroeien. Iedere dag een beetje meer. En op een dag was het klaar.
‘Van het ene op het andere moment besloot ik dat ik al dat, dat gedicteer van hem niet meer serieus nam. Na het werk ging ik naar de drogist en kocht deze nagellak. Een verboden tint.’ Bij die laatste woorden maakte ze haar stem dieper en sperde haar ogen wijd open. ‘Ik geloof dat ik nog nooit zo bang ben geweest als op die middag. Mijn hart sloeg zo hard. Alsof hij wilde wegrennen. Ik lakte mijn nagels aan de keukentafel. Dezelfde tafel waar we een uur later met zijn drieën zaten te eten. We gaven pannen en schalen door. Hij moest het wel zien. Maar hij zei niets. Hij zei tegen Tom dat hij rechtop moest zitten. Hij zei dat het een zootje was op het werk. Maar hij zei niets over mijn gelakte nagels.
‘Twee dagen later pleegde hij zelfmoord, samen met onze zoon. Ik kwam thuis van boodschappen doen. Het huis was zo stil. Ik zette alles in de keuken. Ik riep hun namen, maar er kwam geen antwoord. Ik rende naar boven. Ik vond ze in onze slaapkamer. Tom lag op bed in zijn nette kleertjes, zijn haartjes in een scheiding, zijn vingers in elkaar gevlochten. Hij zag zo bleek. Toen ik dichterbij durfde te komen zag ik de bruinige kneuzingen in zijn hals boven de kraag van zijn colbertje. Zijn vader had zijn keel dichtgeknepen.
‘Peter hing boven hem. Als dat zwaard van, god hoe heet het ook alweer.’
‘Damocles,’ zei Ter Steege zacht.
‘Dat. Hij had de lamp van het plafond gehaald, had de lamp op het dressoir gelegd en het touw aan de haak geknoopt. Het touw waar hij aan hing was nieuw. Hij had het speciaal gekocht. Keurige strop erin ook. Op de spiegel van mijn kaptafel had hij geschreven “Dit kan niet”. Met mijn roze nagellak.’
Ze keek hem niet aan, maar pakte met beide handen haar beker en blies. Damp sloeg van de koffie. Mentaal ging hij naast de tafel staan en boog zich over haar heen, probeerde in haar gezicht sporen van bedrog te ontdekken. Tekens dat dit gesprek louter bedoeld was om hem voor gek te zetten. Bestudeerde zij hem ook? Was dat wat die intense blik te betekenen had? Dacht ze wellicht dat hij een spelletje met háár speelde? Dat hij lekker vond om vergeten te veinzen, uit een sadistisch genoegen om mensen een gevoel van minderwaardigheid te bezorgen?
Hij sloeg zijn ogen neer. De dunne laag schuim van zijn koffie was weggetrokken en besloeg nu slechts een ring rond de rand van het kopje. Hij zag zijn magere handen op het tafelblad, één aan iedere kant van het schoteltje. Grote woede steeg in hem op, eerst zichtbaar in diezelfde handen, daarna rees het op in zijn borst, in zijn keel, en werd in zijn ogen tot tranen gedestilleerd.
‘Dat is,’ zei hij nog een keer, maar meer kwam er niet.
Ze legde een hand op de zijne.
‘Hé rustig. Laat maar. Het is lang geleden.’
Hij knikte en haalde schokkerig adem. Langzaam kwam hij weer tot rust. De stilte leek bedoeld om hem de kans te geven iets aardigs te zeggen.
‘Het is best mooie nagellak.’
De seconde dat hij het zei had hij al spijt, maar ze leek het niet erg te vinden.
‘Dank je.’ Ze keek. ‘Ik weet niet precies waarom ik het nog steeds draag. Het heet pink coral.’
‘Pink coral,’ zei hij. ‘Dat zal ik proberen te onthouden.’
Hij nipte van zijn laatste beetje koffie en keek naar haar slanke vingers. Misschien lag daarin de oplossing. De volgende keer zou hij alleen maar naar haar handen hoeven kijken. Dan zou hij het weten.

Pink coral, dat zal ik proberen te onthouden

Hij verliet de koffiebar met het gevoel een test te hebben doorstaan. De wereld leek opeens lichter, helderder. Op de stoep bleef hij even staan en keek door de glazen gevel naar binnen. Ze had haar telefoon gepakt en zat voorovergebogen te praten. Hij voelde plotseling bewondering voor haar. Niet veel mensen zouden zo’n intiem verhaal hebben willen delen. Hij liep de straat uit en passeerde zijn kapsalon. In de steeg ernaast stond een vrouw, een sigaret in haar ene hand, een mobiele telefoon in haar andere. Hij hoorde een bekende stem en bleef staan.
‘En wat zei hij?’ hoorde hij haar zeggen. Een luisterende stilte. ‘En hij zag dus niet dat ik het niet was? Of deed hij alsof? Jezus.’
Hij verstarde. Ze nam een trekje en gooide de sigaret tegen de muur. Vonken spatten. Ze draaide zich naar de mond van de steeg. Even stonden ze oog in oog. Er was een kort, hevig moment van herkenning. Hij voelde zijn hoofd koken en sleurde zich los van haar blik.
Toen hij naar huis liep vroeg hij zich af wat er zojuist eigenlijk gebeurd was. Hij had het onontkoombare gevoel dat hij het slachtoffer was van een eigenaardige grap. Of was het omgekeerd: was juist hijzelf ergens schuldig aan? Ter Steege liet het afgelopen uur angstvallig langs zijn innerlijk oog gaan, althans voor zover zijn herinnering het toeliet, maar hoe diep hij ook peinsde, hij had niet kunnen zeggen waaraan.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven