Flickr / Joachim Schlosser

Promoveren en de kunst van het mislukken

De wetenschap is heel goed in het belichten van haar successen. Wetenschappelijke publicaties in high impact-tijdschriften dienen als spreekbuis voor positieve bevindingen en revolutionaire doorbraken, maar er wordt nauwelijks gesproken over zaken die niet zo goed lukken. Hierdoor wordt de onjuiste indruk gewekt dat de gemiddelde wetenschappelijke carrière louter uit elkaar in rap tempo opvolgende successen bestaat. Dit zwijgen is echter schadelijk voor de wetenschap, omdat het rapporteren over gefaalde projecten juist in hoge mate bijdraagt aan vooruitgang. Zwijgen is bovendien schadelijk voor promovendi. Door niet te spreken over knelpunten binnen een onderzoekstraject daalt de kwaliteit van het proefschrift, haken promovendi af en wordt fraude in de hand gewerkt.

Bijna een jaar geleden begon ik na een studie geneeskunde met wetenschappelijk onderzoek. Eerst in het lab bij de klinische pathologie en later als promovenda in de medische ethiek. Hoe verschillend die werelden ook zijn, ik bemerk opvallende overeenkomsten in de beleving van onderzoek doen. Opwinding en euforie (een veelbelovend resultaat, een publicatie) wisselen teleurstelling en frustratie (tegenvallende resultaten, een afwijzing van een journal) geregeld af. Die emoties ontstaan vaak ook nog eens onder grote druk om te presteren – de kwaliteit (en niet zelden de kwantiteit) van het proefschrift bepaalt namelijk in grote mate de verdere academische loopbaan van een promovendus. Bovendien moet als gevolg van opdrogende geldstromen hetzelfde werk nu vaak in drie jaar verricht worden, in plaats van de voorheen gebruikelijke vier jaar.

Als promovendus praat je liever niet publiekelijk over je mislukkingen.

Ik heb gemerkt dat je als onderzoeker-in-opleiding liever niet publiekelijk praat over je mislukkingen – vaak uit angst om voor minder succesvol te worden aangezien, zeker in een cultuur waar anderen hardnekkig over hun falen zwijgen. Nu is het verzwijgen van mislukkingen natuurlijk een algemeen menselijk trekje (hoe vaak zien we slecht nieuws voorbij komen op Facebook?), maar in de wetenschap is de selectieve belichting van successen een reëel probleem.

Mislukkingen zijn in de wetenschap namelijk heel leerzaam. Het openlijk erkennen van dwalingen zorgt er voor dat onderzoekers in hetzelfde veld niet telkens dezelfde fouten maken. Ooit schaamde ik me om een collega te vertellen dat mijn experiment voor de zoveelste keer was mislukt. Ik biechtte het uiteindelijk toch op, en met een simpel praktisch advies bleek het probleem opgelost. Ik begreep eindelijk waaróm het experiment niet lukte, wat me meer inzicht gaf in de materie die ik bestudeerde. Door dergelijke informatie met elkaar uit te wisselen worden doodlopende sporen niet onnodig vaak bewandeld (wat veel tijd en geld bespaart) en kunnen waardevolle stukjes informatie aan de wetenschappelijke puzzel worden toegevoegd.

Bijna elke promovendus komt vroeg of laat op een punt waarop hij of zij even niet meer weet hoe het verder moet: hij of zij is gefrustreerd over de behaalde resultaten of twijfelt aan zijn of haar vermogens als onderzoeker. Omdat er weinig gesproken wordt over de obstakels en teleurstellingen die anderen tijdens hun promotietraject ervaren, lijkt het eigen werk minder succesvol. Wie niet snel leert dat investeringen in het onderzoek zich doorgaans pas veel later terugbetalen, loopt dan ook het risico zijn motivatie te verliezen.

De meeste promovendi weten zich gelukkig door een demotiverende periode heen te werken, maar een niet onaanzienlijk deel stopt. Ongeveer 20% van de mensen die in Nederland als AIO (assistent in opleiding) aan een promotietraject beginnen blijkt het onderzoek niet af te ronden. Een kwalitatief onderzoek van de Amerikaanse onderwijskundige Barbara Lovitts (The Transition to Independent Research: Who Makes It, Who Doesn’t, and Why) toont dat de motivatie van een promovendus om een onderzoekstraject af te ronden sterk samenhangt met de (vaak onrealistische) verwachtingen die er bestaan ten aanzien van het project.

Meer openheid over knelpunten zou dus heel wat onrealistische verwachtingen onder promovendi kunnen voorkomen. Onrealistische verwachtingen kunnen bovendien, los van het feit dat ze het werkplezier omlaag halen, ook fraude induceren: juist de meest ambitieuze mensen gaan aan hun eigen verwachtingen ten onder door teleurstellende data te verfraaien.

Een belangrijke rol rondom de verwachtingen van een promotietraject speelt ook de aloude vraag of promoveren nu een opleiding is of een ‘betaalde baan’. Wordt de promovendus beschouwd als iemand die in opleiding is tot onderzoeker of als iemand die de vaardigheden al hoort te bezitten? Wanneer een promovendus de tweede visie hanteert, en van mening is dat het proefschrift dient mee te dingen naar de Nobelprijs, dan kan hij of zij bedrogen uitkomen. Het proefschrift laat enkel zien dat de promovendus de transitie heeft kunnen maken van student naar onafhankelijke onderzoeker.

De wetenschap is gebaat bij een transparante cultuur waarin het vertrouwen bestaat om de bottlenecks te bespreken.

De wetenschap is gebaat bij een transparante cultuur waarin het vertrouwen bestaat om de bottlenecks te bespreken. Door als onderzoeker je eigen knelpunten samen met anderen te analyseren en door te horen hoe anderen soortgelijke problemen hebben aangepakt, verhoog je in de eerste plaats niet alleen de kwaliteit van je eigen onderzoek maar ook die van de wetenschap als geheel. Ten tweede voorkom je hierdoor onrealistische verwachtingen die je aan het einde van de rit (of vóór het einde van de rit) gedesillusioneerd doen uitstappen. Of erger nog, die ervoor zorgen dat je je wetenschappelijke integriteit over de boeg gooit.

Promovendi, wees dus niet bang om te vertellen dat het niet lukt om een artikel aan de straatstenen kwijt te raken, een succesvolle collega zal jullie vertellen dat haar eerste artikel door twaalf tijdschriften werd afgewezen voordat het zijn weg naar daadwerkelijke publicatie vond. Hoe belangrijk het ook is om in de wetenschap successen te belichten, ware progressie – met behoud van plezier in het werk – kunnen onderzoekers alleen echt bereiken wanneer het voetlicht ook af en toe wordt gericht op het werk dat de eindstreep niet heeft gehaald.

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties
  • Shannon Spruit,

    Leuk stuk, waar ik me ten dele in kan vinden. Voordat mensen beginnen aan een promotietraject denk ik dat onrealistische verwachtingen zeker een rol spelen. Maar tijdens het traject ligt het m.i. anders. Ik promoveer zelf en bij ons op de afdeling is het niet zozeer de erkenning dat falen bij promoveren (en onderzoek doen in het algmeen) hoort als eerder het constructief falen wat een probleem is. Bij het koffiezetautomaat is het voor mij niet moeilijk om te vertellen dat het niet goed gaat of dat de weg die ik ben ingeslagen niet werkt. Wat voor mij lastig is is om het falen productief te maken, hoe maak je inzichtelijk aan je collega's wat je allemaal geprobeert hebt zodat ze met je meedenken over vervolgstappen? Om vervolgens dat hele process te publiceren is jammer genoeg, zoals je al constateert onmogelijk, en zou zeker een waardevolle bron van inzichten zijn voor andere onderzoekers.

  • Shona Kalkman,

    Beste Shannon, dank voor je reactie! In bovenstaand stuk pleit ik inderdaad primair voor meer openheid ten aanzien van dwalingen in het promotieonderzoek. Een tweede punt dat gemaakt kan worden is, zoals jij al schrijft, dat het voor promovendi vervolgens lastig kan zijn om collega's inzicht te geven in de wegen die zijn ingeslagen. Hoe specialistischer of experimenteler het werk, des te moeilijker het voor die collega's is om zinnige uitspraken te doen over waar de mogelijkheden liggen. Daarnaast bestaat er nog een duidelijke publicatiebias in de wetenschappelijke literatuur ten aanzien van negatieve bevindingen (laat staan ten aanzien van inconclusieve bevindingen), waardoor het draagvlak in de wetenschappelijke gemeenschap ook nog eens uiterst klein is. Hoewel ik ervoor gekozen heb om dit niet in mijn stuk te bespreken, erken ik dat dit tweede punt eveneens een aanzienlijk probleem is. Vriendelijke groet, Shona

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven