Rasheed Araeen: kritiek als vermaak

De eerste complete retrospectieve tentoonstelling van Rasheed Araeen in het Van Abbemuseum biedt een zestigjarige reis door het oeuvre van de Pakistaanse kunstenaar en schrijver. Araeen wil met zijn werk aantonen hoe de westers-georiënteerde kunstwereld hemzelf en andere Third World artists in de periferie plaatst. Hij stelt dat niet-westerse kunst alleen in eigen context en op eigen voorwaarden tot haar recht kan komen. Met deze tentoonstelling lijkt de inmiddels bijna 90-jarige Araeen eindelijk zijn eigen podium te hebben gekregen. De vraag blijft echter of de discussie die Araeen aanwakkert met zijn kunstwerken reeds gesloten is, zoals deze tentoonstelling doet vermoeden.

Het oeuvre van Araeen kenmerkt zich door een constante strijd tussen individuele esthetische vrijheid en politiek engagement. Araeens achtergrond als ingenieur en zijn fascinatie voor geometrie en symmetrie uiten zich in een reeks werken waarin de kubus en diens diagonalen centraal staan. Het werk First Sculpture (1966) markeert met zijn blauw-geschilderde latten het begin van deze serie. De felgekleurde structuren, die door de gehele tentoonstelling zowel aan de muur als op de grond te zien zijn, symboliseren voor Araeen het modernistische idee van universele gelijkwaardigheid en democratie. Hier zien we een individualistische kunstenaar met stijl, die kunst schept om te aanschouwen, die maakt om het maken.

Het oeuvre van Araeen kenmerkt zich door een constante strijd tussen individuele esthetische vrijheid en politiek engagement

Even verderop hangt een fotografisch verslag van de Chakras-performance (1970) waarin Araeen, in klein gezelschap, oranje schijven in de Theems gooit om vast te leggen hoe deze deinen op het water. De lachende en energieke Araeen die we hier aan het werk zien, staat lijnrecht tegenover de sombere, grijzende man die negen jaar later van achter een rij brandende stropdassen verschijnt in de performance Burning Ties (1979). Een symbolisch spel van donkere blikken en boze wenkbrauwen. In de tentoonstelling dienen deze beelden als grondslag voor de activistische zijde van het oeuvre van Araeen.

Vanaf het moment van aankomst in Londen in 1964, werd Araeen zich bewust van de onoverbrugbare afstand die bestond tussen hem en de mensen om hem heen. In brieven aan vrienden vergeleek hij zijn positie als kunstenaar met die van een clown. Hij en zijn kunst dienden enkel als vermaak voor hen die wél thuishoorden in deze wereld: “Ze willen je stenigen en in een museum zetten als herinnering aan hun sacraal avontuur. En dan zal je altijd van hen zijn.” In zijn boek Making Myself Visible uit 1984, stelt Araeen de vragen die als gewichtige tegenhangers van zijn kleurrijke geometrische werken zullen dienen: Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? En hoe verhoud ik mijzelf als niet-Europeaan tot een Europese samenleving waar ik weliswaar in woon, maar geen onderdeel van uitmaak?

“Ze willen je stenigen en in een museum zetten”

En inderdaad, in de tentoonstelling wordt de wankele en vaak problematische verhouding tussen het westen en de zogenoemde Derde Wereld kritisch bevraagd. Een opvallend en steeds terugkerend format is de Cruciform serie, tweedimensionale werken die elk bestaan uit negen panelen die in een kruisvorm gemonteerd zijn. Araeen maakte het werk Fair and Lovely (1985) naar aanleiding van krantadvertenties voor een huidblekende crème. Deze advertenties gebruikten afbeeldingen van Pakistaanse en westerse witte vrouwen om groteske ‘voor en na’-campagnes te maken. Araeen schikte deze reclames met glamorous witte vrouwen in kruisvorm tegen een achtergrond van een viertal advertenties uit Karachi. Dat werken zoals deze nog altijd relevant zijn, blijkt uit de ophef rondom een recente reclamecampagne van Dove. De douchegel producent werd ervan beschuldigd een gekleurde vrouw te whitewashen in een advertentie. In woedende reacties op Twitter werd verwezen naar de historische beeldtraditie van reclames voor zeep die je ‘schoon en wit’ zou maken.

Ook bijzonder sprekend is het werk Jouissance (1987-1994), waarin vijf foto’s in kruisvorm gecombineerd zijn met vier monochroom groene panelen. De kleur groen, die in meerdere Cruciform werken terugkomt, heeft een bijzondere status binnen de Islam. Vier foto’s tonen televisiebeelden van een gebombardeerde en vernietigde stad. Het middelpunt is een foto van een moslima, gekleed in traditionele niqab. Haar koket opgetrokken wenkbrauwen en zwaar opgemaakte ogen zijn gericht op een sigaret die uit een pakje steekt. De verslavende verleiding wordt haar aangereikt door een charmant glimlachende witte vrouw. Adem in, raak verslaafd, geniet ervan. De innerlijke schade die deze traktatie aan kan richten, wordt weerspiegeld in brokkelende gebouwen op de omringende foto’s. Mocht er nog twijfel bestaan over de symbolische betekenis van dit werk, het pakje dat zo aanlokkelijk wordt aangeboden draagt trots de merknaam: "WEST".

Zonder de nodige verdieping vallen zelfs de meest sprekende werken van Araeen soms stil

Voor de ingang van de tentoonstelling is een leestafel ingericht. Making Myself Visible, maar ook andere boeken, tijdschriften, essaybundels en interviews waarin Araeen zijn werk toelicht, uitlegt en in een context plaatst, liggen netjes en onaangeroerd uitgestald. De informatie waardoor de kunstwerken gaan leven en relevant worden, is buiten de tentoonstelling gepresenteerd. Een gemiste kans, want Araeens ideeën verdienen zeker een plaats waar tekst en beeld elkaar kunnen complementeren. Zonder de nodige verdieping vallen zelfs de meest sprekende werken van Araeen soms stil.

De tentoonstelling wordt afgesloten met een terugkeer naar geometrische vormen in felle kleuren. Het publiek wordt uitgenodigd om de bekende kubussen zelf te rangschikken in From Zero to Infinity (1968/2007/2017). Araeen legt uit dat hij afstand neemt van universele noties van symmetrie door rigide structuren te doorbreken in een proces van symbolische transformatie. De symboliek is duidelijk, maar deze ontmoeting tussen bezoeker en kunstenaar is vrijwel het enige antwoord dat wordt gegeven op de kritische vragen die Araeen stelt. De discussie is echter nog lang niet voorbij.

Het Van Abbemuseum heeft een mooie en relevante tentoonstelling neergezet, die zeker het bezoeken waard is. In het meest recente beleidsplan van het museum zijn ambitieuze plannen gepresenteerd om het museum te “de-koloniseren en de-moderniseren”. Het retrospectief van Araeen is een stap in de juiste richting. Desondanks lijkt het alsof de kritische vragen die Araeen stelt wederom tentoongesteld worden, in plaats van besproken of beantwoord. Door niet in te gaan op Araeens commentaar, en door niet alleen zijn kunst maar ook zijn argumenten in retrospectief tentoon te stellen, wordt de voortdurende maatschappelijke relevantie van zijn oeuvre teniet gedaan. In een vitrine ligt Araeens boek Making Myself Visible, een bundeling van kritische essays, artikelen, en correspondentie tussen kunstenaar en museum- en galeriehouders. Achter glas tentoongesteld worden zowel het boek als de discussie gesloten. Het museum heeft het laatste woord. Het publiek is vermaakt.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven