Referenda geven ons domme volk geen macht

Referenda zijn te complex voor het volk. Dat is de positieve versie van de claim dat de bevolking te dom is om de juiste keuze te maken tijdens referenda. Welke variant je ook kiest, het klinkt ontzettend pretentieus. Niet vreemd dat de voorstanders van referenda vinden dat uit deze claim een grote minachting voor het volk spreekt. De critici van referenda zijn volgens de voorstanders bang dat de bevolking een andere keuze maakt dan zij. Ze zijn bang voor de wil van het volk: ze zijn demofoob.

In het stuk ‘Te dom om te stemmen’ in de Groene Amsterdammer (28 maart) doet Jaap Tielbeke daar een schepje bovenop: deze groep critici is niet zozeer demofoob, maar ‘plebsifoob’. Ze zijn niet bang voor “het volk op zich, maar vooral voor het domme deel daarvan”. Als je rekening houdt met de complexiteit van referenda, word je dus al snel weggezet als demofoob of plebsifoob. Maar hoe terecht is dat? Getuigt het niet juist van groot respect voor de bevolking en de democratie om referenda te bekritiseren vanwege hun complexiteit? Complexe referenda leveren ons domme volk geen macht op, maar eerder een vrijbrief om te gokken.

Als de onderwerpen die aan bod komen in referenda zo moeilijk zijn dat de meeste burgers ‘maar wat doen’ in het stemhokje, dan is het een schijnreferendum.

Tegenstanders van referenda die claimen dat de bevolking te dom is om de juiste keuze te maken, maken mijns inziens twee denkfouten. De voorstanders van referenda die daarop reageren (zoals Tielbeke) maken in feite dezelfde fouten door de complexiteit van referenda te relativeren. Ten eerste gaan beide kampen in het demofobiedebat er vanuit dat er zoiets bestaat als een goede of foute keuze in een politiek vraagstuk. Daar zit nu juist de crux: politieke vraagstukken zoals ‘bent u voor de Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (WIV)?’, ‘bent u voor het associatieverdrag met Oekraïne?’ of ‘bent u voor de donorwet?’ zijn geen wiskundige problemen met een objectief antwoord. Het zijn vragen die je moet beantwoorden op basis van verschillende argumenten en overtuigingen. Het is aan de burger om te bepalen welke keuze het meest coherent is met zijn of haar persoonlijke overtuigingen, idealen, voorkeuren of belangen. Er bestaan dan geen goede of foute antwoorden op referendumvragen, maar wel beter en slechter geïnformeerde antwoorden.

Een tweede denkfout van beide kampen is het voorbijgaan aan het uitgangspunt van democratie. Democratie betekent letterlijk ‘macht voor het volk’. Het doel van democratische instrumenten (zoals het referendum) is in beginsel dat ze de macht van de bevolking vergroten. Hoe groter de macht is die de bevolking verkrijgt, des te groter wordt haar democratische legitimiteit. In het demofobie-debat wordt betwist of burgers wel of niet de juiste keuze kunnen maken, maar niet of referenda de macht van de burger vergroten. In dit vraagstuk wordt de complexiteit van referenda relevant.

De geblinddoekte stem vergroot het democratische zeggenschap niet.

Een gedachte-experiment. Stel, je gaat je stem uitbrengen inzake een referendum. Nadat je jezelf hebt gelegitimeerd en je stempas hebt afgegeven, krijg je een blinddoek om en word je naar het stemhokje begeleid. Daar moet je geblinddoekt stemmen. In plaats van een krabbel met een rood potlood, dien je op een van twee grote rode knoppen te drukken. Je weet echter niet welke knop ‘voor’ is en welke ‘tegen’. Je gaat staan en drukt op een knop. Vervolgens verlaat je het gebouw zonder te weten waarvoor je hebt gekozen.

Dit klinkt absurd. Op zijn zachtst gezegd zou dit stemproces illegitiem zijn, omdat het het uitgangspunt van de democratie ontbeert: het vergroten van de macht van de bevolking. Via een stem kan iemand een klein beetje macht uitoefenen, maar als diegene niet weet wat hij stemt, gokt hij maar wat. Er is geen controle en dus geen machtsuitoefening. De geblinddoekte stem vergroot het democratische zeggenschap niet.

Desondanks vertoont deze situatie veel overeenkomsten met die uit het stuk van Tielbeke, waarin een kiezer “zich in het stemlokaal hardop afvroeg of de sleepwet over parkeerwetgeving ging”. Als zo’n kiezer zich dat op dat moment oprecht afvraagt, dan is zijn stem in wezen een gok.

Wat we onszelf dus moeten afvragen, is welke onderwerpen we wel en niet referendabel maken.

De kans dat burgers in stemhokjes gokken, wordt groter wanneer zij slecht zijn geïnformeerd. De kans dat zij slecht zijn geïnformeerd, groeit wanneer de complexiteit van het onderwerp van een referendum toeneemt. Zo bezien bestaat er een verband tussen de complexiteit van referenda en hun democratische legitimiteit. Anders gezegd: hoe complexer het referendum, des te kleiner de mate van democratische medezeggenschap.

Het punt dat ik wil maken is niet dat burgers complexe politieke vraagstukken niet kunnen beantwoorden omdat ze te dom zijn. Maar referenda over complexe politieke vraagstukken versterken de democratie pas als burgers een weloverwogen, geïnformeerde keuze kunnen maken. Als de onderwerpen die aan bod komen in referenda zo moeilijk zijn dat de meeste burgers ‘maar wat doen’ in het stemhokje, dan is het een schijnreferendum. Wat we onszelf dus moeten afvragen, is welke onderwerpen we wel en niet referendabel maken.

Het bekritiseren van referenda vanwege hun complexiteit hoeft dus niet voort te komen uit angst voor het volk. Juist als we willen dat referenda geen nationale gok-evenementen zijn, moeten we kritisch kijken naar de complexiteit van referendabele vraagstukken. Dat getuigt niet van demofobie of plebsifobie, maar juist van het grootste respect voor de bevolking en de democratie.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven