Reis door mijn boekenkast

Een terugkerende vraag in mijn leven is: ‘Heb ik dat boek echt nodig?’ Hierop luidt het antwoord meer dan eens ‘ja’. Ik zal er maar meteen voor uitkomen: ik ben een ongegeneerde bibliofiel. Sommigen zouden zeggen ‘book hoarder’.

Voor zover ik me daar financieel voor zou moeten verantwoorden – als de Nederlandse identiteit bestaat, schuilt deze in de pathologische obsessie met andermans bestedingen – kan ik eenvoudig zeggen dat ik verder vrij ascetisch leef. Boeken voor, boeken na. Anderen hebben dat met zilveren lepels, tuinkabouters of retraites in door de Happinez geëxploiteerde Chileense kloosters. Een groot deel van onze uitgaven is simpelweg de som van de verleidingen waar we graag aan toegeven.

‘Maar ga je dat wel allemaal lezen?’, wordt mij weleens gevraagd (soms door mezelf). Op dat moment verwijs ik altijd naar een anekdote uit Black Swan van de wetenschapper Nassim Nicholas Taleb. Aan het begin van dat boek haalt hij de bibliotheek van de Italiaanse schrijver Umberto Eco aan, wat hij de ‘antibibliotheek’ noemt. Wie bij Eco aan huis komt, wordt vrijwel direct geconfronteerd met zijn enorme persoonlijke bibliotheek (tussen de dertig- en de veertigduizend boeken). Volgens Taleb vallen de bezoekers in twee categorieën uiteen. ‘Those who react with “Wow! Signore professore dottore Eco, what a library you have! How many of these books have you read?” and the others –a very small minority– who get the point that a library is not an ego-boosting appendage but a research tool.’

Nu zullen de meeste lezers onder jullie het hier waarschijnlijk roerend mee eens zijn. Je bent via je filterbubbel bij dit stuk terechtgekomen en je leest het misschien voor net dat laatste beetje bevestiging om later deze week vijftig euro uit te geven aan de verzamelde werken van Witold Gombrowicz in dundruk. Bijvoorbeeld. Maar het punt van Taleb is de moeite waard om voorbij het eigen gelijk uit te diepen. ‘Read books are far less valuable than unread books’, schrijft hij. ‘You will accumulate more knowledge and more books as you grow older, and the growing number of unread books on the shelves will look at you menacingly. Indeed, the more you know, the larger the rows of unread books. Let us call this collection of unread books the antilibrary.’

Gelezen boeken zijn veel minder waardevol dan ongelezen boeken

Taleb is niet scheutig met referenties, maar bovenstaande anekdote baseert hij volgens mij op het amusante ‘How to justify a private library’ in Eco’s essaybundel How to Travel with a Salmon and Other Essays. Hierin pareert hij de vragen van nieuwsgierige bezoekers onder andere met: ‘I haven’t read any of them; otherwise, why would I keep them here?’ Eco komt vaker terug op zijn boekenkast. Bijvoorbeeld in het essay ‘On Borges and my anxiety of influence’ uit de bundel On Literature. Hierin onderzoekt Eco onder meer het proces van (wederzijdse) beïnvloeding in de literatuur. Invloed gaat altijd van het ene punt naar het andere, dus van A naar B. Deze schrijvers kunnen tijdgenoten zijn, of niet (wat het natuurlijk makkelijker maakt). Maar, stelt Eco, er is ook een andere variabele, namelijk X: cultuur en literatuur in hun geheel als referentiekader. A, B en X vormen samen een driehoek.

Dit betekent kort gezegd dat er bij het werk van een auteur invloed kan blijken van, ik noem maar wat, Tolstoj; waarna blijkt dat de auteur in kwestie niets of weinig van Tolstoj heeft gelezen, maar wel put uit een cultureel-literair erfgoed dat is beïnvloed door Oorlog en Vrede en Anna Karenina. Eco geeft vervolgens een aantal voorbeelden waarbij er sprake zou zijn van literaire beïnvloeding terwijl die er eigenlijk niet was, althans niet bewust. Iemand kan bijvoorbeeld iets in 1958 hebben gelezen, dat allang zijn vergeten tijdens het schrijven in 1980 en weer herontdekken in 1990. Dit gaat natuurlijk niet om het letterlijk kopiëren van passages of situaties, maar om de behandelde thema’s en de kijk op de wereld die daarin schuilt. Of, zoals Eco een citaat van Pascal aanhaalt: “La disposition des materièlles est nouvelle”.

Wanneer je dit creatieve proces terugkoppelt aan het leesproces, ontvouwt zich zowel de magie als het noodzakelijke belang van een grote bibliotheek, die je in staat stelt om een ‘lange intertekstuele reis’ te ondernemen. Zo kan volgens Eco, refererend aan zijn eigen (anti)bibliotheek en ervaringen, het volgende gebeuren met een ongelezen boek: ‘Between the moment when the book first came to us and the moment when we opened it, we have read other books in which there was something that was said by that first book, and so (…) you realize that even that book you had not read was still part of your mental heritage and perhaps had influenced you profoundly.’

Zo ontvouwt zich zowel de magie als het noodzakelijk belang van een grote bibliotheek

Dat is de essentie: een grote privébibliotheek is niet alleen een onderzoeksmiddel, maar ook een gebied dat ontdekt en herontdekt kan worden. Hoe groter het gebied, hoe groter de ontdekkingen, en soms de verrassingen. Het is niet verwonderlijk dat Eco zijn eigen werk daarbij juist koppelt aan dat van Jorge Luis Borges, omdat uit hun beider oeuvre evident blijkt dat ‘boeken met elkaar praten’, zoals Eco het formuleert.

Dit haakt in op een andere prangende vraag die ik mezelf vaak stel: ‘Waar heb ik dat ook alweer gelezen?’ Drie persoonlijke voorbeelden ondersteunen Eco’s punt en laten eveneens zien hoe de antibibliotheek kan werken.

Het eerste voorbeeld is geen directe literaire herinnering in relatie tot mijn boekenverzameling, maar laat wel zien wat Eco bedoelt met de manier waarop je bepaalde dingen die je hebt gelezen internaliseert, totdat ze als een duveltje uit een doosje tevoorschijn komen. Toen ik op de basisschool zat, het moet in groep 5 zijn geweest, mocht ik een keer van de juf een boek uitzoeken in de schoolbibliotheek. Ik deed het goed met lezen en mocht tijdens de leesoefeningen mijn eigen plan trekken. Ik trok een groot boek uit de kast, met een lichtbruine leren kaft, en trok me terug in een hoekje van de aula. Het boek bevatte de meest afgrijselijke taferelen, voorzien van tekeningen: conquistadores die getroffen werden door giftige pijlen, hun gezichten vertrokken in een morbide grimas, en in doeken geklede indianen die op hun beurt verscheurd werden door de jachthonden van de Spanjaarden, vrouwen en kinderen incluis. Ik heb het ademloos zitten lezen – het was beduidend minder saai dan school.

Het was pas vele jaren later, in de collegebanken van mijn eerste jaar geschiedenis in Leiden, dat het reisverslag van de Spaanse monnik Bartolomé de las Casas voorbij kwam. Plots realiseerde ik me dat ik, lang geleden, een geïllustreerde versie van dat reisverslag in handen had gehad (wat dat boek nu precies in de bibliotheek van een protestants-christelijke basisschool deed, is een andere vraag, maar het is op z’n minst merkwaardig). Ik herinnerde me trouwens pas in de collegebanken weer dat ik de tekst destijds gelezen moet hebben. In de tussentijd had ik niets van De las Casas gelezen, hij was op de middelbare school niet aan bod gekomen en ik had me net als de gemiddelde eerstejaarsstudent niet voorbereid op het college. Veel van de passages herkende ik letterlijk tijdens dit vreemde déjà lu.

Het boek bevatte de meest afgrijselijke taferelen

Het tweede voorbeeld laat zien hoe ‘boeken met elkaar praten’ en tot op zekere hoogte hoe de eerder genoemde driehoek (A, B, X) werkt. In zijn Dagboek van een vreemdeling in Parijs vertelt de Italiaanse schrijver Curzio Malaparte op een bepaald moment de volgende anekdote over de Spaanse Burgeroorlog, die volgens hem exemplarisch is voor de ‘Spaanse wreedheid’ en tevens de moeite waard om in zijn geheel te citeren: ‘In een oud Spaans stadje escorteren op een ochtend bij zonsopgang twee leden van de guardia civil een gevangene, een franquist of een roodhemd, dat is onduidelijk, naar de executieplaats. Het is winter, vanuit de siërra waait een ijzige noordenwind. De gevangene is een arme bliksem die alleen zijn katoenen jasje aanhad, met espadrilles aan zijn voeten. Ook de twee leden van de guardia civil hadden het koud, ze droegen een armzalige, rafelige overjas. Onderweg naar de executieplaats klappertande de gevangene en liet zich bitter uit over die ijselijke kou. Hij had de kraag van zijn jasje opgezet en liep huiverend met zijn handen in de zakken. Hij moest nog twee kilometer voor hij bij de executieplaats was, aan de oever van een riviertje. De gevangene vervloekte luidkeels “die verdomde kou!” Een van de twee leden van de guardia civil zei: “Nog klagen ook? Denk eens aan ons, wij moeten weer terug!”’

Deze anekdote doet apocrief aan en is dat ongetwijfeld ook. Toch is het een goed verhaal waar veel van de Spaanse Burgeroorlog en conflicten in het algemeen in vervat zit: achteloosheid, willekeur, wreedheid. Mijn literaire associatievermogen zette me hier in eerste instantie op een dwaalspoor. Ik zou zoiets namelijk ook verwachten bij Ernest Hemingway: zijn roman For Whom the Bell Tolls bevat immers een even klassieke als apocriefe passage waarin een woedende menigte de dorpsnotabelen het nabijgelegen ravijn injaagt. Hemingway had dit verhaal vermoedelijk van een radioreportage die gefabriceerd was door de propagandamachine van Queipo de Llano, een van Franco’s generaals. Ik heb alles gelezen wat Hemingway over de Spaanse Burgeroorlog heeft geschreven, maar toch kwam het verhaal van de ter dood veroordeelde er niet in voor. Waar kwam ik het dan wel tegen? Een vrijwel exacte anekdote die zich afspeelt in Mexico (her en der wat artistieke vrijheden, maar de opzet, opbouw en de pointe zijn hetzelfde) komt voor in De wilde detectives van Roberto Bolaño (of in de alleen naar het Engels vertaalde verhalenbundel Last Evenings on Earth – hier laat mijn geheugen me even in de steek). Ik was aangenaam verrast. Dit is een typische situatie waarin we de driehoek van Eco kunnen toepassen. Bolaño kan het verhaal van Malaparte gelezen hebben (niet onwaarschijnlijk), maar kan eveneens putten uit een grote hoeveelheid vergelijkbare verhalen, anekdotes en grappen die met galgenhumor over de wreedheden van conflicten op het Iberisch schiereiland en Latijns-Amerika vertellen.

Tot slot een derde en laatste voorbeeld: het zoekgeraakte verhaal. Of in termen van ontdekkingsreizen: de imperial overstretch van een te grote bibliotheek. Ik ken bijvoorbeeld het volgende verhaal over een Sloveens bos. Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog overhandigde het Britse leger een grote hoeveelheid krijgsgevangenen aan de partizanen van Tito. De krijgsgevangenen waren voornamelijk Kroaatse fascisten (de Ustaša). Tito liet ze allemaal fusilleren in een nabijgelegen bos. Toen hij later de autocraat van Joegoslavië werd, kwam hij vaak terug in deze bossen om te jagen. Wanneer men hierover sprak, werd gezegd dat Tito niet op wild aan het jagen was, maar op de spoken uit zijn verleden… Verhalen uit de Balkan zijn vaak even wreed als sprookjesachtig. Maar waar heb ik dit gelezen? Danilo Kiš, Dubravka Ugrešić, Slavenka Drakulić, Aleksander Hemon? Ik weet het niet meer. Het mooie is dat ik zeker weet dat ik het op een onbewaakt moment weer zal vinden.

Het zoekgeraakte verhaal, of de imperial overstretch van een te grote bibliotheek

Deze drie anekdotes laten zien hoe de antibibliotheek en daarmee het literaire geheugen en zijn steunpunten bij benadering werken. Valt er eigenlijk iets tegen de antibibliotheek in te brengen? Dan denk ik aan J.M.A. Biesheuvel, die in het verhaal ‘Reis door mijn kamer’ opmerkt: ‘Ik vind het volstrekt belachelijk om duizenden schrijvers tijdens je leven gelezen te hebben. Ik ken ongeveer twintig schrijvers en ben daar dolgelukkig mee. Het liefst zijn mij Vladimir Nabokov, gevolgd door Anton Pavlovitsj Tsjechov en Bruno Schulz.’ En dat komt uit de pen van een zeer begenadigd schrijver. Overdaad schaadt, en daar heeft Biesheuvel misschien wel een punt.

Laat me een voorbeeld geven dat voor de verandering niet met boeken te maken heeft en dat het idee van de antibibliotheek een beetje ondergraaft. Neem de computergame Age of Empires. Er is een kaart die doorgaans nog ontdekt moet worden. Je kunt van tevoren kiezen of je deze al wilt onthullen. Maar wil je dit wel? Je kunt zo zien hoe snel (of hoe langzaam) je tegenstanders zijn in het ontwikkelen van hun steden, het opbouwen van hun legers, etcetera. Dit kan nuttig zijn, maar ook ontzettend afleidend.

Terug naar de boeken: stel, je bent een kort verhaal aan het schrijven, of een essay, of een roman – werkt een overdaad aan invloed en informatie dan niet juist verlammend? Word je dan niet voortdurend geconfronteerd met alles wat je nog niet weet en alles wat al zo mooi geschreven is over jouw onderwerp? Naar verluid lag Virginia Woolf bijvoorbeeld na het lezen van Prousts Op zoek naar de verloren tijd een jaar lang depressief op bed omdat ze dacht zoiets nooit te kunnen evenaren (waar heb ik dit eigenlijk gelezen? Ik denk in Hoe Proust je leven kan veranderen van Alain de Botton…en ik loop alweer voorzichtig naar de plank filosofie, de B van Botton, enzovoort).

Betracht dus niet zozeer balans of mindering, waarin je de grootte van je bibliotheek beperkt om maar niet overweldigd te worden, maar zoek de speelsheid van het lezen en schrijven en de geleidelijke ontdekking die daarmee gepaard gaat. Dat houdt niet alleen de uitdaging van het schrijven en scheppen draaglijk, maar daarin schuilt ook het verlokkelijke van de ontdekking, de terra incognita van de boekenkast. Want uiteindelijk is dit ook een sterk argument voor je eigen anti-bibliotheek. Die bestaat namelijk uit boeken die je zelf hebt gekocht, van vrienden hebt gekregen of geleend, boeken die je wel kent maar van waaruit je slechts losse essays, hoofdstukken, verhalen en brieven hebt gelezen. Zo maakt de antibibliotheek van je boekenverzameling een bijna borgesiaans verschijnsel, als vielen de kaften tussen je boeken weg en was je hele collectie één groot boek waarvan je zelf de inhoudsopgave bent.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven