ANP - Kippa - 1 januari 1974

Reve racist?

Op donderdag 24 november kopt de NOS dat ‘Reve wél racistische uitspraken tegenover Boudewijn Büch deed’. Dát valt om te duiden: Reve heeft altijd een vervormd en vervormend beeld van de eigen persoon neergezet, in een deconstructief spel dat de ironie voorbij ging, omdat met dat spel Reves openbare persona tenslotte samenviel. Daarom is veel van wat Reve schijnbaar met de grootste stelligheid stelde, te begroeten met kritische blik, goedwillend wantrouwen of een berg zout, wat trouwens ook geldt voor Büch.

Op 17 september 1977 schrijft Gerard Reve in een persoonlijke brief aan zijn uitgever Geert van Oorschot dat zijn werk al enige jaren niet meer autobiografisch is. Dat is te zwak uitgedrukt: Reve vond zichzelf dikwijls en graag opnieuw uit, en liet het niet na om vreemde, zo niet vervreemdende, uitspraken te doen. Hij schrijft op 17 juli 1971 in de brieven aan Simon C., verschenen in De Taal der liefde:

‘Ik wil boeken gaan schrijven waarin ik de zijde van beide partijen kies, teneinde mijn debiet te verhogen. […] ik zou hetzelfde verhaal bijvoorbeeld in twee versies kunnen uitgeven. De ene versie een ‘progressief-katholieke roman op marxisities-leninistiese grondslag’ […] Daarnaast een versie waarin de ‘werkers’ aan de macht zijn…’

Reve speelt hier met de gedachte om eendere verhaallijnen door verschillende ideologische brillen te schrijven, tot vergroting der verwarring, ter ‘dekonstruksie’, van ideologieën en zichzelf, en dát, de spot ten top: wegens het banksaldo. De schrijver vindt zichzelf in de openbaarheid van het letterentoneel opnieuw uit.

Reve vervolgt in dezelfde brief: ‘Ik kan ook beschrijven hoe prachtige blanke, blonde germaanse [sic], rooms-katholieke aanbiddelijk mooie marechaussees allerlei werkschuwe zwarte rijksgenoten die voortdurend onze roomblanke dochters pogen de dure kleren van haar duizelingwekkend schone meisjeslichamen te scheuren, op hun beurt ontbloten en bij het verhoor slaan, mishandelen, ranselen, geselen, folteren en martelen. Zoek maar op in de encyclopaedie.’

Reve poneert de schrijver Reve
voortdurend opnieuw

Reve beseft de werking van zijn woorden in het publieke (dit is een openbare brief aan Simon Carmiggelt) en deinst niet terug. Stelt hij werkelijk dat hij een tekst gaat schrijven over marechaussees die werkschuwe, zwarte rijksgenoten afranselen? Nee, hij speelt met het idee dát de volksschrijver Reve dat zou kunnen doen. Hij koketteert. Hij poseert. – ‘Werkelijk’.

De aanname dat wat de schrijver Reve opschrijft, overeenkomt met diens weloverwogen private persoon – zo deze sec bestaat – is te eenvoudig. Hier praalt snaaks-venijnig ideeënspel. Reve poneert de schrijver Reve voortdurend opnieuw, vlak voor en omwille van het publiek. Reves leven wás een schouwtoneel. Edwin Praat schrijft in het zesde hoofdstuk van zijn proefschrift dat Reves autofictie zich niet beperkt tot zijn boeken, ‘maar dat hij zijn gehele publieke manifestatie ermee doordrenkt.’ Terecht concludeert Praat: ‘Wie in de publieke ruimte de werkelijke, ‘concrete’ auteur hoopt of zelfs eist aan te treffen, komt in het geval van Reve dus bedrogen uit.’

Bij de weging van uitspraken is niet alleen de context van het medium, het beoogde publiek, maar ook de vorm en de aard van de verklaring van belang: in een privé-bericht uit Reve zich anders dan in openbare (literaire) teksten of optredens, die een groter bereik hebben. Een veelgemaakte fout is het gelijkstellen van een auctoriaal commentaar in een fictietekst aan private opvattingen, maar bij Reve gaat het verder. Is het schijnbaar een feitelijke omschrijving, een verzuchting of een verwoording van ergernis? Wat beoogt zij? Wat is de intonatie? De oplossing van Mulisch’ uitvinding ‘het ironische der ironie’ schiet daarin soms te kort: het is bij Reve vaak geen zuivere omdraaiing, het is eerder dat Reve zelf zijn imago schept, herschept en, tenslotte vervreemdt.

Op 7 juni 1968 verzucht Reve in een brief aan Van Oorschot: ‘Over mijn plannen het volgende: ik zal wat meer in Amsterdam zijn dan vroeger, omdat de woning aldaar zo stil & lieflijk is gelegen. (Maar houd mijn aanwezigheid geheim.) […] Ik ben vol goede moed. Nu ik, na katholiek, ook nog fascist ben geworden, wordt het ongelooflijk stil om me heen. Weet je, dat er soms een hele dag niet één maal wordt opgebeld? Ik denk, dat ik deze isolatie zelf heb willen forceren. Ik ben zeer pessimisties over de wereld, maar niet over mijn werk.’ Verklaart Reve zich in deze brief in alle ernst tot fascist?

Ga nooit zomaar mee in de
De Grote Gerard Reve Show

Voordat de lezer van het in 1983 gepubliceerde vraaggesprek tussen Büch en Reve kraait dat Reve het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime ondersteunde, zou hij de geluidsopnamen moeten beluisteren, die nu semi-openbaar zijn. Deze zou hij moeten beluisteren in de contexten van het literaire discours en de politiek-maatschappelijke debatten van toen en nu. Daarna zou hij het gehoorde moeten vergelijken met het door Büch in ’83 opgetekende, met inachtneming van de naderhand aangedragen nuanceringen van Reve, waarbij hij ervoor waken moet om niet zomaar een invulling te geven op het raadsel dat vervreemding heet.

Ga nooit zomaar mee in de De Grote Gerard Reve Show. Hij meent het waarschijnlijk net anders; wie is ‘hij’ trouwens? Ga zeker nooit zomaar mee in de weergave van Boudewijn Büch: Reve poseert, Büch fabuleert. UvA, zet die gesprekken op internet, want transscripties geven nooit exact de intentie van het gezegde weer, en zeker niet in het geval van een beroepsdeconstructivist.

Ondertussen lacht bij al deze oplaaiende belangstelling de zelfuitgeroepen volksschrijver Reve, multo vino bibito ascendit in coelum nix aan de handa, zich van kraaiend genot een kriek in de knuistjes. — Hij had tenslotte een winkeltje.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven