Wikimedia Commons

Risk met de BRICs

Wij verwelkomen de vredelievende opkomst van China. Het is goed voor de
wereld en goed voor Amerika. Wij willen enkel garanderen dat die opkomst
internationale normen en regels versterkt, en vrede en veiligheid bevordert.
– President Barack Obama

China en het Westen verschillen in geschiedenis, sociaal systeem en cultuur. Het
is onvermijdelijk dat wij het af en toe oneens zijn. De kern is, dat wij elkaar niet
de les leren, maar dat wij elkaar respecteren, tegemoetkomen en helpen. In real
life kan niemand anderen veranderen. De wereld is als een tuin, waarin het
mooiste seizoen aanbreekt wanneer alle verschillende bloemen bloeien.
– Dai Bingguo

17 maart, 2011. De VN Veiligheidsraad komt bijeen om een antwoord te formuleren op het escalerende geweld in Libië. Een tweederde meerderheid (10/15) stemt voor resolutie 1973 om een no-fly zone aan het wankelende Libië op te leggen. Vijf landen onthouden zich van stemmen: het om historische redenen oorlogsschuwe Duitsland en alle vier de BRIC-landen: Brazilië, Rusland, India en China. De onthouding van de BRIC-landen is in historisch perspectief niet uitzonderlijk, maar werpt vragen op over de toekomst van mondiaal bestuur.

Ik bepleit dat twee ontwikkelingen in de afgelopen vijfentwintig jaar van sleutelbelang zijn voor de ontwikkeling van mondiaal bestuur in de komende jaren. Ten eerste heeft het einde van de Koude Oorlog geresulteerd in een woekeren van liberale normen in mondiaal bestuur – een woekeren dat niet noodzakelijkerwijs het denken van de hele wereldbevolking weerspiegelt. Ten tweede zijn Brazilië, Rusland, India, China en andere niet-liberale machten (weder)opgekomen. De toekomst van die opkomst is onduidelijk, maar helder is dat het liberale Westen niet langer almachtig is. De 21e eeuw wordt  multipolair en een hervorming van internationale instituties zoals de VN en de internationale financiële instellingen lijkt op zijn plaats.

Na het einde van de Koude Oorlog proclameerde Francis Fukuyama ‘het einde van de geschiedenis’. De liberale democratie was volgens hem het sociaal-darwinistische eindpunt waarnaar de geschiedenis had toegewerkt. De Soviet Unie was gevallen, en steeds verder begon mondiaal bestuur de liberale waarden van de dominante Westerse machten te weerspiegelen. Onderdeel daarvan was een verschuiving in de benadering van soevereiniteit. In het VN Handvest (1945) ligt de nadruk op soevereiniteit en non-interventie om interstatelijke oorlogen te voorkomen en de internationale vrede en veiligheid te waarborgen. Maar in de jaren negentig voerden intrastatelijke oorlogen de boventoon, terwijl de internationale gemeenschap nog met het gedateerde interstatelijke systeem uit 1945 opereerde. Internationale vrede en veiligheid bleken een schamele garantie voor de interne vrede en veiligheid en het welvaren van individuen. Dit werd nog eens pijnlijk duidelijk toen de internationale gemeenschap tijdens de genocides in Rwanda en Srebrenica schitterde door afwezigheid of afzijdigheid. Een catastrophale cocktail van ‘respect’ voor principes als territoriale integriteit en non-interventie en een gebrek aan politieke wil, verlamden toen een adequate reactie van de internationale gemeenschap. In de nasleep van beide slachtingen struikelden politici over elkaar heen om te bezweren dat dit soort misdaden nooit weer zouden plaatshebben. De internationale gemeenschap besloot zich, zoals de Afrikaanse Unie het met gevoel voor retoriek omschreef, van non-interventie naar non-onverschilligheid te bewegen. Mondiaal bestuur werd ambitieuzer, en een paradigmaverschuiving vond plaats in het denken over veiligheid: staatsveiligheid werd vervangen door het veel bredere menselijke veiligheid, waarin behalve vrijwaring van angst ook aandacht was voor vrijwaring van gebrek, omdat een betekenisvol menselijk leven ook bedreigd wordt door een armoedige levensstandaard. Deze ambities uitten zich in het onstaan van de Milleniumdoelen, het Internationaal Strafhof en de notie Responsibility to Protect (R2P). Deze ontwikkelingen weerspiegelen een kentering in de benadering van soevereiniteit: deze werd niet langer begrepen als effectief gezag over een gedemarkeerd gebied, maar veel meer als rechtmatig gezag met respect voor mensenrechten. Niettemin wordt en werd niet altijd gehandeld naar de nieuw verwoordde ambities. Zo zit President Al-Bashir – door het Internationaal Strafhof verdacht van genocide in Darfur –nog steeds stevig in het Soedanese zadel. En waar in Libië geïntervenieerd werd, gebeurt er weinig om een halt toe te roepen aan de Syrische president Al-Assad, die bloedig en vakkundig de opstanden in zijn land onderdrukt.

Samenvattend zijn twee karaktertrekken van mondiaal bestuur in het tijdperk na de Koude Oorlog van belang te onthouden. Ten eerste werd mondiaal bestuur steeds ambitieuzer. Ten tweede werden die ambities in verregaande mate bepaald door de machtigste landen, die overwegend liberaal waren.

De aanstormende vier – Brazilië, Rusland, India, China – worden volgens Goldman Sachs de belangrijkste economische peilers van de 21e eeuw. In het duiden van de opkomst van de BRICs, zijn verschillende kampen zichtbaar. De Singaporese academicus Kishore Mahbubani, voorspelde in 2008 dat de 21e eeuw de Eeuw van Azië wordt: een onvermijdelijke machtsverschuiving van west naar oost. Aan de andere kant van het spectrum ziet George Friedman, de oprichter van het Amerikaanse inlichtingenbedrijf STRATFOR, de opkomst van China als een zeepbel: de overmatig exportafhankelijke economie in combinatie met binnenlandse spanning maken de economische groei van China fundamenteel onduurzaam. Meest breedgedragen lijkt de veronderstelling dat de opkomst van de BRICs weliswaar niet zal resulteren in de Eeuw van Azië of de Eeuw van de BRICs. Naar verwachting zullen landen als Zuid-Afrika, Turkije, Mexico en Indonesië ook flink groeien, en de VS en Europa blijven spelers van formaat. De wereldorde in de 21e eeuw belooft dan ook multipolair te worden: een orde waarin de VS in tandem met Europa niet langer de vanzelfsprekende almacht heeft.

Vooralsnog is veel onduidelijk over de manier waarop de opgekomen machten hun invloed op het internationale toneel gaan aanwenden om mondiaal bestuur vorm te geven. Een leitmotif in het buitenlandse beleid van Rusland, India en China is de traditionele interpretatie van soevereiniteit en de bijbehorende scepsis met betrekking tot interventies. De drie landen hebben ieder betwiste gebieden (respectievelijk Tsjetjenië, Kashmir en Taiwan en Tibet) en stekende historische herinneringen aan buitenlandse bemoeienis. Een werkgroep[1] Chinese bestuurders typeerde humanitaire interventie als een contradictio in terminis: interveniëren (=in de aard verwerpelijk) om humanitaire doelen (= nobel) te bereiken. Interventie is voor de drie alleen gerechtvaardigd wanneer er sprake is van instemming van de ontvangende staat en wanneer de VN Veiligheidsraad akkoord gaat. De menselijke veiligheid-agenda die door veel liberale landen uitgedragen is, wordt in China en India met argusogen gevolgd. Is het niet slechts een Trojaans paard waarmee het Westen zich op imperialistische/neokoloniale wijze met onze binnenlandse aangelegenheden probeert te bemoeien? In de VN proberen de BRICs staatsveiligheid en territoriale integriteit te beschermen, ook wanneer het niet hun eigen landen betreft: op die manier proberen ze een ongewenste precedent te voorkomen. De vier ontwikkelende economiëen worden in hun buitenlandbeleid in belangrijke mate gedreven door de ambitie om economisch verder te groeien. Enorme aantallen mensen in de opkomende economiën zijn nog steeds straatarm, en de staat ontleent een zekere mate van legitimiteit aan de indrukwekkende groei. Een zorg van Chinese bestuurders is dat – als de groei tot een halt zou komen – de binnenlandse stabiliteit bedreigd wordt. Zowel India als China proberen binnen de bestaande internationale instituties strategische allianties te kiezen om als blok te opereren. Maar de nieuwe machten zoeken ook naar nieuwe internationale samenwerkingsvormen, zoals bijvoorbeeld in de Shanghai-Samenwerkingsorganisatie (SCO).

De relatief tanende macht van het Westen en de opkomst van nieuwe machten zal zijn weerslag hebben op mondiaal bestuur. President Obama wijst de nieuwe machten er regelmatig op dat noblesse oblige: China en India zijn het aan hun status verplicht om volgens de regels te spelen (link) en hun steentje bij te dragen aan internationale vrede en veiligheid (link). De terughoudendheid van de opkomende machten om in de maat van de liberale waarden te lopen, wordt in het Westen soms angstig bezien. Gevreesd wordt uiteindelijk voor een terugval naar onverschillige, anarchistische en door realisme gedomineerde internationale betrekkingen. Mijn pleidooi is, dat deze dreigende crisis ook de kans biedt om te zoeken naar betere vormen. Momenteel is mondiaal bestuur nog te veel wat ik een poliscratie wil noemen: een orde waarin nationale regeerders – vanwege het eenvoudige feit dat zij in hun land regeren, onverschillig op wat voor manier – internationaal regeren. Het risico is dan een zichzelf en elkaar versterkend recht van de sterkste: macht wordt recht en de situatie zoals die is, wordt verheven tot de situatie zoals die zou moeten zijn. Dat dit een fundamenteel onduurzaam uitgangspunt is, en dat er een universele wens bestaat voor een zekere levensstandaard en een vorm van democratie, werd niet door pro-liberale rhetoriek in Genève en New York, maar door de revoluties in Tunesië en Egypte overtuigend bepleit. Die volken demonstreerden dat ieder systeem een democratie is, in die zin dat wanneer collectief gekozen wordt voor ongehoorzaamheid boven onverschilligheid, mensen echt de macht hebben. Westerse wereldleiders doen er goed aan zich in het huidige tijdswricht – van gelijker wordende machtsverdeling – in te zetten voor een wereldwijde dialoog, waarin internationale normen opnieuw geconceptualiseerd worden. Aan de voet van de 21eeeuw is het hoog tijd om opnieuw na te denken over wat ons als mensen verenigt, om van daaruit te formuleren of en zoja, welk statengedrag internationaal zou moeten worden afgedwongen. Mondiaal bestuur kan daardoor representatiever, legitiemer en effectiever gemaakt worden. Hervormingen van internationale organen zoals de VN Veiligheidsraad zouden dan ook niet alleen als onvermijdelijk maar vooral ook als opportuun en rechtvaardig gezien moeten worden.



[1] Evans, P.M., 2009. Human security in extremis: East Asian reactions to the responsibility to protect. In: S. Peou, ed. 2009 Human Security in East Asia: Challenges for Collaborative Action. Abingdon: Routledge, pp 90

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven