Flickr / Tim Brown

Schoonheid, schepping en een badkamervloer

Onder filosofen geldt een interessante variant van de wet van Godwin: naarmate een filosofische discussie langer duurt nadert de waarschijnlijkheid dat iemand Immanuel Kant aanhaalt. Hier is een reden voor: het belang van Kant voor de filosofie is enorm. Het Ding an sich, de categorische imperatief en zijn definitie van de Verlichting zijn al meer dan twee eeuwen wijsgerige mijlpalen waar je niet omheen kan. Maar de moeilijkheid van de Kantiaanse filosofie valt ook niet te onderschatten: als we iets hebben geleerd van tweehonderd jaar Kant-interpretatie, is het wel dat kennis van de ‘echte betekenis van Kant’ even onbereikbaar is als het Ding an sich zelf. Daarom is het misschien beter om met Kant in de hand de wereld in te gaan dan om je blind te staren op zijn geschriften.

Het is misschien beter om met Kant in de hand de wereld in te gaan dan om je blind te staren op zijn geschriften.

Met Kant in de hand de wereld in gaan is precies wat Doortje Smithuijsen doet wanneer ze in een recent artikel op deFusie een scène uit Mad Men gebruikt om de Kantiaanse esthetica te illustreren. Ze legt het principe als volgt uit: ‘Het werk van Kant [...] krijgt pas gestalte zodra het zijn plaats vindt in de realiteit buiten zijn boeken. Vaak begrijp je Kant door middel van zo’n reëel voorbeeld zelfs beter dan na het doorspitten van zijn boeken.’ Hierin heeft Smithuijsen volkomen gelijk, en ze weet in haar artikel Kant niet alleen begrijpelijk, maar zelfs amusant te maken – geen geringe prestatie. Maar in haar lezing van Kant (en daarmee van Mad Men) gaat iets mis.

Nu zou het nogal pedant zijn om Smithuijsen’s artikel te bespreken door te schermen met definities van technische termen of te smijten met stoffige citaten uit de Kritik der Urteilskraft. Als het waar is dat reële voorbeelden meer verhelderend zijn dan filologische discussies (en dat is waar) dan moet een reëel voorbeeld ook het manco in Smithuijsen’s interpretatie kunnen aangeven.

Ik ken geen beter fenomeen om de Kantiaanse theorie van schoonheid mee uit te leggen dan het volgende beeld: een bijna volstrekt regelmatige tegeltjesvloer, waar één recalcitrant tegeltje de hele harmonie verstoort.

Kant

Kijk goed naar de foto, en bedenk u hoe het beter zou kunnen. Ziet u het? Gefeliciteerd, u heeft zojuist een Kantiaans esthetisch oordeel geveld! We zien op de foto heel makkelijk dat er iets fout is, wat aangeeft dat we weten hoe het wel moet: we hebben blijkbaar een uitgesproken mening over hoe een badkamervloer eruit zou moeten zien.

Zo’n esthetisch oordeel heeft vier cruciale aspecten. Ten eerste is het belangeloos: we hebben zelf niets te winnen bij een regelmatige patroon of te verliezen bij een verspringend tegeltje, maar toch hebben we een voorkeur voor regelmaat. Ten tweede is het oordeel niet conceptueel: er is geen rekenmodel, woordenboek of gebruiksaanwijzing nodig om te beoordelen hoe het patroon moet zijn – je ‘ziet het gewoon’. Ten derde is het een oordeel over ‘doelmatigheid zonder doel’: je weet hoe het patroon ‘hoort’ te zijn omdat je de doelmatigheid erin ziet, maar kunt onmogelijk aangeven waarom het zo hoort te zijn – wat het doel van de doelmatigheid is. Het vierde en laatste punt is dat het oordeel algemeen is: we hebben er allemaal het volste vertrouwen in dat dit oordeel niet toevallig ‘mijn mening’ is, maar dat iedereen met enig verstand ziet hoe deze vloer er eigenlijk uit had moeten zien.

We hebben blijkbaar een uitgesproken mening over hoe een badkamervloer eruit zou moeten zien.

Natuurlijk zijn er eindeloos veel complicaties, mitsen en maren in Kant’s theorie, maar de analyse van een tegeltjesvloer maakt genoeg van de hoofdlijnen duidelijk. Een esthetisch oordeel is een oppervlakkig oordeel: zeggen ‘dit is mooi’ komt – volgens Kant – neer op zeggen dat het ‘klopt’, en dat het klopt op een direct zichtbare manier. Direct zichtbaar, en daarom niet conceptueel te duiden. ‘I don’t think it is supposed to be explained’, zegt Ken Cosgrove in Mad Men.

Maar de oppervlakkigheid van het Kantiaanse oordeel botst met de sublieme diepte van een Rothko; en dit is waar Smithuijsen’s analyse aan voorbij gaat. Cosgrove treedt buiten de kaders van het Kantiaanse schoonheidsbegrip wanneer hij zegt ‘It’s like looking into something really deep. You could fall in’ – deze adembenemende, duizelingwekkende diepte die typisch is voor een Rothko (maar ook bijvoorbeeld voor Goethe’s Faust Dante’s Divina Commedia, of Sympathy for the Devil van de Rolling Stones) noemt Kant ‘het sublieme’. Het verschil tussen het schone en het sublieme is het verschil tussen het Apollinische en het Dionysische, tussen een kalme zucht en een plots stokkende adem, tussen een kalme vijver bij maanlicht en een razende storm op volle zee.

Ken Cosgrove wijkt bovendien van orthodoxe Kantiaanse esthetica af wanneer hij beweert dat het een kwestie is van gevoel: ‘Maybe you’re just supposed to experience it. Cause when you look at it, you do feel something, right? Voor Kant zit zoiets heftigs en verwarrends als ‘gevoelens’ een zuiver oordeel alleen maar in de weg. Zoals eerder op deFusie is betoogd, is dit de reden dat de filosoof zo zuinig is over muziek: muziek is meeslepend, en verwart daardoor het oordeelsvermogen. (Dit is overigens een verklaring voor het succes van ‘Gangnam Style’: de muziek is zo meeslepend dat je de lelijkheid ervan vergeet.)

‘Gangnam Style’ is zo meeslepend dat je de lelijkheid ervan vergeet.

Een tegeltjesvloer is dan wel een prima illustratie van Kantiaanse esthetica – een oppervlakkig oordeel waar weinig emotie bij komt kijken – maar echte schoonheid heeft natuurlijk wel meer om het lijf. Kantiaanse schoonheid kan tot grote hoogten stijgen in bijvoorbeeld de schilderkunst van de vroege Renaissance, in art nouveau, en in standbeelden in de klassiek-Griekse ‘strenge stijl’. Maar het gevoel dat ons bekruipt bij dit soort kunst is niet het verheven, diepe of meeslepende van Rothko. Het esthetische oordeel over schoonheid uit zich in een instemmend hoofdknikken, een mild welbehagen en een goedkeurende glimlach.

Schoonheid bestaat niet alleen in de kunst, maar ook in de natuur. Bloemen in bloei, brede rivieren en glooiende heuvellandschappen suggereren een doelmatigheid zonder doel, een schepping zonder schepper, een puur spel van vormen waar we een mild welbehagen aan beleven zonder te kunnen verklaren waarom. Voor Kant is de natuur een belangrijker model voor schoonheid dan de kunsten; uiteindelijk komt zijn kunstfilosofie dan ook uit op een theorie van ‘het genie’, een zeldzaam menselijk talent waaruit schoonheid opborrelt, als een soort esthetische natuurkracht – een heel eind verwijderd van een eenvoudige badkamervloer.

In de Bijbel vinden we het Kantiaanse schoonheidsoordeel wanneer God na iedere stap in de schepping ziet dat het goed is – ongetwijfeld met een instemmende glimlach en een goedkeurend knikken. Deze ervaring hebben we bijna dagelijks wanneer we kijken naar de goed verzorgde voortuinen, Zweedse designmeubels en strak ontworpen reclameposters waarmee onze wereld is ingericht; zeker wanneer er kunst in het spel is. We omringen ons met aangename vormen, kijken om ons heen, en lachen: we zien, dat het goed is.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven