‘Science fiction ben ik godzijdank nergens tegengekomen’

Bij technologische en maatschappelijke omwentelingen wordt tegenwoordig opvallend vaak verwezen naar toekomstfictie. Zo werden bij de lancering van Google's digitale afspraakmaker Duplex de roboticawetten die de Russisch-Amerikaanse schrijver Isaac Asimov formuleerde in I, robot (1950) gememoreerdi, en in het debat over nepnieuws wordt vaak verwezen naar 'dubbeldenk' en de bewuste feitenvernietigingstechnieken van het regime in Nineteen Eighty-four van George Orwell (1949). De behoefte aan duiding van huidige ontwikkelingen aan de hand van voorspelde toekomstbeelden in fictie bestaat in Nederland ook. Het bestaan van toekomstfictie van Nederlandse bodem wordt echter stelselmatig ontkend. Dat moet veranderen.

Na een blik op ruim 200 recensies van Nederlandse toekomstfictie (met de genre-aanduidingen dystopie, sciencefiction, toekomstroman en -verhaal) vanaf 1960 tot nu, concludeer ik dat een Nederlandse traditie in het genre onterecht als niet-bestaand wordt bestempeld. Ook worden genrekenmerken niet serieus behandeld vanwege het bestaan van een mythe van een Nederlandse 'monogame relatie met literair realisme'. Ik betoog daarom dat het genre een grondigere receptie verdient en schets daar handvatten voor. Zo wordt de verbinding van fictie aan maatschappelijke en technologische fenomenen ook in Nederland wederzijds en diepgravend.

Nederland heeft geen toekomstfictie: 'de Melkweg versus het Kerkepad'

Hanna Bervoets’ Efter (2014), Auke Hulsts Slaap zacht Johnny Idaho (2015) en Als dit zo doorgaat (2017), Aukelien Weverlings In alle steden (2017), Maxim Februari’s Klont (2017), Aafke Romeijns Concept M (2018) en andere recente voorbeelden zijn een teken dat geëngageerde toekomstfictie in Nederland wel degelijk geschreven wordt. Desondanks stelt criticus en schrijver Christiaan Weijts: ‘Vijfhonderd jaar na Thomas More’s Utopia (1516) is het dystopie troef. Overal. Behalve in Nederland.’ii De bewering dat Nederland geen traditie in toekomstfictie heeft wordt al decennialang herhaald, terwijl er vanaf 1960 tot heden bijna elk jaar meerdere toekomstromans zijn gerecenseerd. Ook is er sinds 2010 juist exponentieel veel Nederlandse toekomstfictie verschenen.

Waar komt die bewering vandaan? Recensent Rommert Boonstra stelt in een recensie van Wim Gijsens sciencefictionboek De eersten van Rissan (1980): ‘Het Nederlandse hoofd is moeilijk op hol te jagen. We zijn geen romantici. [Voor] meeslepende (...) fantasie (…) moet je in het buitenland terecht (…). Geen wonder dat er in Nederland nooit goede science fiction is geschreven. Wat moeten we op de Melkweg zolang het Kerkepad er is?’ Dit citaat representeert een ultiem cliché over het Nederlandse zelfbeeld van 'doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg'. Binnen dat zelfbeeld worden ‘meeslepende fantasieën' als niet-bestaand geacht.

Toekomstfictie wordt vaak als onrealistisch beschouwd

Nederlanders hebben volgens historicus Johan Huizinga een sterke behoefte aan ‘eenvoudige, onopgesmukte waarheid’ en aan realistische literatuur die daarvan een afspiegeling is. De Nederlandse literatuur lijkt zoals recensent Max Urai stelt een 'monogame relatie met literair realisme' te hebben. Christiaan Weijts: ‘Niet de verbeelding, wel het realisme. In onze boekhandels liggen de tafels vol met moeders, ziekten, vaders, (...) en scheidingen.’ Toekomstfictie wordt vaak als onrealistisch beschouwd, omdat het over een toekomstige wereld met afwijkende normen en waarden gaat waarop personages hun keuzes baseren.

Tweederangs amusementslectuur

Toekomstfictie wordt mede vanwege haar gebrek aan realisme in Nederland als een minderwaardig genre gezien, zo blijkt impliciet of expliciet uit veel van de bestudeerde recensies. Recensenten uiten zich laatdunkend over het ‘on-Nederlandse’ genre. Over schrijver Hugo Raes noteert men dat die ‘het risico op zich [neemt] voor tweederangs versleten te worden’ als auteur van een roman waarin ‘serieuze literatuur en elementen uit de science fiction en horror-sector elkaar [overlappen].’ Recensent Wim Sanders steekt zijn mening over het genre niet onder stoelen of banken in zijn recensie van Cor de Hoons Bitter lemon (1978): ‘Science fiction ben ik godzijdank nergens tegengekomen.’

De mythe van een Nederlandse monogame relatie met literair realisme kan daardoor blijven bestaan: in Nederland beschrijven we alleen het kleine

Ook schrijvers verbinden hun naam niet graag aan het genre, en zijn terughoudend in het noemen ervan. Willem Frederik Hermans noemt sciencefiction in een stuk over het oeuvre van Ferdinand Bordewijk ‘amusementslectuur’, en schrijver Henk van Kerkwijk wil in 1969 met dit statement duidelijk maken dat hij geen pulp schrijft: ‘Volgend jaar komt er een roman uit, en in het najaar waarschijnlijk een science-fiction-kinderboek, goeie science fiction.’ De auteur Wim Burkunk zegt in een interview in 1983: ‘Door een aantal verhalen sta ik bij sommigen als SF-schrijver te boek, maar zelf heb ik me nooit als zodanig beschouwd: mijn technische en wetenschappelijke bagage is voor echte SF trouwens te licht.’ In 2017 wordt Hanna Bervoets gevraagd: ‘Uw romans worden vaker als dystopisch of apocalyptisch gekwalificeerd. Hoe typeert u Ivanov zelf?’ Waarop Bervoets antwoordt: ‘Het is lastig om daar een eenduidig genre-etiket op te plakken. Er zit non-fictie in, maar het verhaal van de Russische bioloog Ivanov is waargebeurd. Of mijn werk dystopisch is, dat weet ik niet. Er gaat veel mis in mijn romans, maar dat gebeurt in Titanic ook, en dat is ook geen dystopische of maatschappelijk betrokken film.’ Iedere vorm van identificatie met toekomstfictie lijkt een garantie voor statusverlies, zelfs voor een auteur als Bervoets die deze uitspraak deed nadat ze in dezelfde week De Frans Kellendonk prijs én de BNG Bank Literatuurprijs won.

Wanneer er toch in positieve termen gesproken wordt over een toekomstroman, dan doen recensenten dit door uitzonderlijkheid en genre-overschrijding voor te wenden. Het stempel van uitzonderlijkheid wordt vaak gegeven ondanks een groot kritiekpunt op de onrealistische (‘on-Nederlandse’) verhaalwereld. De mythe van een Nederlandse monogame relatie met literair realisme kan daardoor blijven bestaan: in Nederland beschrijven we alleen het kleine, en als het grote een keer goed wordt geportretteerd, is dat zeer uitzonderlijk en méér dan alleen toekomstfictie. Die mythe zou doorbroken kunnen worden door simpelweg de aanwezigheid van toekomstfictie in Nederland te erkennen. Als die erkenning er is, kunnen de genrekenmerken van toekomstromans serieus geanalyseerd worden. Dit gebeurt nu te weinig vanwege de lage status die het genre heeft.

Analyseer de ‘naïviteitsfunctie’

De ontkenning van het genre en de lage inschatting ervan gaan hand in hand met het diskwalificeren van kwaliteit vanwege inherente genrekenmerken. Een veelvoorkomend verwijt dat toekomstromans ten deel valt is de eendimensionaliteit van personages. De personages worden onrealistisch genoemd, en zijn ‘nauwelijks te onderscheiden van hun naaste buren, de robots.’ Het oordeel dat de levensechtheid van personages is opgeofferd aan fantasie-ideeën komt zo vaak voor, dat men zich kan afvragen of het een genrekenmerk is dat personages naïef en onkritisch overkomen. Dit omdat het geenszins een uitsluitend Nederlands bezwaar over Nederlandse toekomstromans is. In de recent verfilmde roman The Circle van Dave Eggers (2013) is het hoofdpersonage Mae ook door velen als flat character bestempeld. We kunnen ons echter afvragen of die naïviteit niet de beste manier is om lezers een ingang tot de verhaalwereld en diens regels te verschaffen. De onbevangen blik van het hoofdpersonage spiegelt die van de lezer, die immers net als het personage onbekend is met de maatschappij van de romanwereld. De rol van opmerkzame nieuweling van zowel personage als lezer kan identificerend werken en in functie staan van de invoelbaarheid van de toekomstige werkelijkheid. Een grondigere receptie, die deze 'naïviteitsfunctie' als inhoudelijk onderdeel van het verhaal ziet, in plaats van een verklaring tot ongeloofwaardigheid van het personage en daarmee de roman, kan helpen om toekomstfictie op haar eigen waarde te schatten.

Analyseer het engagement

Ook het genrekenmerk van engagement blijft vaak ongeduid. Toekomstfictie reflecteert vrijwel zonder uitzondering op de eigen tijd door uitvergroting van concrete hedendaagse ontwikkelingen. Maar de Nederlandse literatuurkritiek lijkt hierdoor eerder afgeschrikt dan aangetrokken tot het genre. Arjan Peters stelt in 1996: ‘Een toekomstroman is een sterk chargerende en generaliserende contemporaine roman (…) [en] zichzelf ondanks nooit bijzonder lang houdbaar.’ Vanwege de vooronderstelde tijdelijke houdbaarheid van een toekomstroman lijkt Peters een analyse ervan niet de moeite waard te vinden. Toch wordt toekomstfictie uit de jaren ‘50 (I, Robot en Nineteen Eighty-Four) nog vaak aangehaald om huidige maatschappelijke en technologische ontwikkelingen te duiden. Een engagementsanalyse van hedendaagse Nederlandse romans kan dus veel informatie opleveren over de literaire verwerking van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, die wellicht over 50 jaar nog steeds relevant blijkt.

We moeten het bestaan van Nederlandse toekomstfictie erkennen

Literatuurwetenschapper Wouter Schrover schreef in 2016 een stuk over literatuur en toegepaste ethiek. Daarin stelt hij voor om geëngageerde literatuur te duiden door de visie(s) die een tekst dient bloot te leggen. Zo'n descriptieve opstelling kan ook bij toekomstfictie worden aangenomen om de engagementswaarde ervan te analyseren. Recensent Max Urai lijkt hiertoe een aanzet te doen in zijn bespreking van Aafke Romeins Concept M (2018). Hij bespreekt hoe de roman over het Nederlandse politieke- en medialandschap handelt, en hoe deze toekomstsamenleving omgaat met bijvoorbeeld taal en stadsinrichting. Hij behandelt de maatschappelijke onderdelen van de verhaalwereld concreet, en doet zo recht aan de inhoudelijke bijdrage van deze elementen aan het verhaal. Mede door de bespreking van deze normatieve aspecten van de roman komt hij tot een gedegen analyse. Die analyse zou nóg grondiger worden als hij ook de ‘naïviteitsfunctie’ van de personages als genrekenmerk zou behandelen, en niet louter als onrealistische tekortkoming van de roman.

De zinsnede ‘en nu maar duimen dat dit verhaal niet op een slechte dag nog eens waarheid wordt’, zou niet meer als een uitsmijter op het einde, maar juist aan de basis van een recensie van Nederlandse toekomstfictie moeten staan. We moeten het bestaan van Nederlandse toekomstfictie erkennen en genrekenmerken als de naïviteitsfunctie en de engagementswaarde analyseren naast andere beoordelingspunten als plot, stijl, woordgebruik, opbouw etc. Zo kunnen de ethische en politieke vraagstukken die dit genre behandelt eindelijk serieus worden genomen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven