Flickr / Ivo Posthumus

Seks en geweld

WijElvis Peeters2009
DinsdagElvis Peeters2012
De vrouw die de honden eten gafKristien Hemmerechts2014

Vier meisjes staan op een viaduct boven een snelweg en trekken hun rokjes omhoog – hun onderbroeken hebben ze eerder al uitgetrokken. Eén van hen zwaait haar slip als een witte vlag in de lucht. De bestuurder van een groene Nissan kijkt te lang omhoog, en knalt op een andere auto. In de berm vliegt het voertuig in de fik. Met hun mobiele telefoons filmen de meisjes het ongeluk dat ze veroorzaakt hebben.

Zo begint de roman Wij van Elvis Peeters.

De vier jongens uit dezelfde vriendengroep stelen de slanke zwarte kat van de buren. Ze hebben nog nooit een meisje bemind, maar penetreren het beest – glanzend van olijfolie – om de beurt. Na afloop dumpen ze de kat, samen met een zware steen, in het water. Mocht ik dit zien, in het echt, dan zou het me ziek maken. Maar nu ik het lees, hoef ik alleen het boek dicht te slaan om op adem te komen – mijn vinger nog tussen de juiste bladzijdes om door te lezen. Juist als mijn verwondering overgaat in verbijstering, houdt het boek me in zijn greep.

Ze overschrijden hun eigen grenzen niet uit onwetendheid, niet uit domheid, maar gewoon: omdat het kan.

Wat trekt mij aan in een verhaal waar acht jongeren onder de vijftien hun dagen doorbrengen met het (seksueel) intimideren en martelen van dieren, vreemden en elkaar? Belangrijker nog, waarom trekt mij dit aan in literatuur terwijl ik deze misdaden in de gewone wereld abject zou vinden?

De personages die Peeters opvoert zijn kinderen die nog thuis wonen, kinderen die de grens opzoeken, en die grens steeds verder weten op te rekken. Halverwege het verhaal bekroop me een gek gevoel van jaloezie. Het was jaloezie voor de levensstijl van de jongeren. Wat hen bindt is een hete, lamlendige zomer en de manier waarop ze die proberen door te komen. Het is de onverschilligheid waarmee ze de wereld bekijken, het gemak waarmee ze die wereld naar hun hand kunnen zetten. Dat wekt jaloezie op. Als hun seksuele spelletjes dreigen te escaleren – één van de jongens houdt met een pincet een wesp vast en laat die meerdere malen in de tepels van een meisje prikken – lees ik haast verlangend verder. Het is geen verlangen naar die daadwerkelijke actie, het is een verlangen naar de mogelijkheid. Ze overschrijden hun eigen grenzen niet uit onwetendheid, niet uit domheid, maar gewoon: omdat het kan. De personages weten donders goed waar ze mee bezig zijn, maar hun jeugd is het excuus: ‘Wij waren jong, niet pervers.’

Het wringt, omdat het niet gaat over een emotieloze seriemoordenaar, maar over iemand die bij je op de middelbare school had kunnen zitten, iemand die je elke ochtend onder je raam door naar de supermarkt ziet lopen. Zo werkt het ook bij het hoofdpersonage, een bejaarde weduwnaar uit Dinsdag van Elvis Peeters. We volgen één dag uit zijn leven, waarin hij opstaat, ontbijt, een eind gaat wandelen – een dag waarin hij het normale leven van een oude man doormaakt. Het begin van het boek is traag, na vijf pagina’s lukt het de hoofdpersoon om uit zijn bed te komen: ‘Ik zal mijn ogen openen om aan de dag te beginnen. Ik zal de dekens van me af slaan, kijken naar het licht dat me dan werkelijk gevonden heeft, niet met een paar stralen, maar met een volle gloed die alle voorwerpen in de kamer zal tonen.’

Pas als we in zijn hoofd terecht komen, in zijn herinneringen, komt het verhaal op gang. Want ook hier voeren gruwelijkheden de boventoon. De hoofdpersoon was in zijn jonge jaren huurling in Congo. ‘De broeder zonder broek werd vastgegrepen. De man met het mes hakte zonder aarzelen met één houw zijn geslacht eraf. Bloed spoot op het altaar, de broeder schreeuwde. De mannen lieten hem los, bevalen hem zijn lul op te rapen en op te vreten.’

Hij werkt in Congo voor verschillende partijen, en heeft zo geen eenduidige vijand tegen wie hij vecht. Weer is het die onverschilligheid aantrekkelijk is: ‘Ik had niets tegen degenen die ik bevocht. Ik nam het ze niet kwalijk dat ze me onder vuur namen, alleen wilde ik degene zijn die raak schoot.’

Je hoeft niet door te lezen, je kunt je op elk moment afwenden van de gruwelijkheden op papier.

Dinsdag is geen boek met een moraal. Het oordeelt niet over zijn hoofdpersonage, het personage oordeelt niet over zijn eigen handelingen – zo hoef ik als lezer ook geen oordeel te hebben. Wat ervoor zorgt dat zijn daden haast acceptabel worden. De afwisseling tussen het gemoedelijke bestaan op het moment van vertellen – het avondmaal dat elke dag hetzelfde is, de wandeling om strohalmen voor zijn dak te zoeken, de voorbijgangers die hem groeten op straat – en het afschrikwekkende verleden zorgt ervoor dat ik geen wrok tegen de man koester, maar dat ik zelfs sympathie voor hem kan opbrengen.

Ik blijf de personages van Elvis Peeters vergeven. De eerste groep uit Wij omdat ze jong zijn, omdat ze in de experimentele fase van de puberteit zitten, omdat ik ergens hoop dat ze zo extreem blijven handelen. Het personage uit Dinsdag omdat hij oud is, omdat hij zich terugtrekt uit het wilde leven dat hij leidde, omdat hij tweemaal voor de liefde kiest en die weer verliest.

Waarom kunnen we daders in het echte leven dan niet vergeven? Hoe meer ik over een personage te weten kom, in de literatuur, hoe gemakkelijker het voor me is om zijn acties te vergoelijken. Ik ben niet eens meer bezig met zijn handelingen verklaren, ik geloof dat zijn drijfveren genoeg zijn om zo te handelen, omdat het geschreven staat. Omdat seks en geweld in literatuur spannend zijn, omdat het je doet huiveren, maar je er wel afstand van kunt nemen. Je hoeft niet door te lezen, je kunt je op elk moment afwenden van de gruwelijkheden op papier.

In het echte leven is afstand nemen niet zo gemakkelijk. Een dader als Marc Dutroux wekt alleen walging op, ik kan zijn daden niet bevatten, ik wil me geen voorstelling maken van de kelder. Zes opgesloten meisjes, jonge meisjes, verkracht en uitgehongerd. En Michelle Martin, zijn ex-vrouw, die de meisjes vergat. Ik vind haar laf, omdat ze geen verantwoordelijkheid voelde, ik vind haar laf om haar niet-handelen.

Literatuur laat ons dichter bij de wreedheid van de wereld komen dan de wereld zelf.

Maar hoe kijken we aan tegen een echte dader die wordt gefictionaliseerd? Kristien Hemmerechts baseerde het hoofdpersonage uit De vrouw die de honden eten gaf op Michelle Martin. Het voelt bizar om te lezen. De gehate vrouw van Dutroux heeft opeens een stem – niet haar eigen stem, maar die van een schrijver die haar gedachten invult, maar toch: een stem. Odette, het personage, vindt zichzelf geen dader. Het is haar ex-man die de misdaden beging – zij was alleen toeschouwer. Een getuige die niet handelde omdat de consequenties ernstiger zouden zijn wanneer ze wel zelf naar de politie was gestapt. Ze was zich niet bewust van het kwaad dat zich in haar kelder afspeelde, van de meisjes die er weken opgesloten zaten en stierven toen haar ex al in de gevangenis zat.

De misdaad waardoor beiden in de gevangenis terecht komen wordt amper beschreven. De relatie tussen Odette en haar ex M. komt uitgebreid in beeld.  Niet het geweld in de kelder, maar het geweld tussen hen; niet het misbruik onder de grond, maar het misbruiken van háár. Het is geweld dat geen jaloezie opwekt, geen verlangen. Maar de walging waarmee ik het boek begon, slaat langzaam om in medelijden. Nu begin ik haar als slachtoffer te zien.

Dat is wat literatuur kan bieden: een inkijk in het innerlijk leven van een dader. Door als lezer de gedachtegang, de emoties en de herinneringen van binnenuit mee te maken, zet de walging die je eerst voelt, zich om in een nieuwe emotie: jaloezie, sympathie of medelijden. Emoties die we bij de werkelijke daders niet voelen, omdat we nooit zo dichtbij komen. Literatuur laat ons dus dichter bij de wreedheid van de wereld komen dan de wereld zelf.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven