Smurfendag

‘Klaar?’

‘Blijf eens stilzitten.’

‘En nu?’

‘Bijna. Je ogen nog.’

De juf dipte het watje in de blauwe schmink en veegde voorzichtig langs de wimpers. De kinderen voor haar drongen steeds dichter op elkaar, drukten zich tot een vormeloze rij met witte mutsen.

‘Een echte smurf,’ zei ze tenslotte. ‘Je bent klaar! Veel plezier.’

De smurfen schoten over het schoolplein, verrast van al dat blauw, al die nieuwe gezichten, zelfs blauwe armen en benen, verward ook omdat iedereen hetzelfde leek en ze elkaar slecht herkenden. Ze moesten wat dichterbij komen voordat ze tussen al dat blauw een beugel zagen, of een brilletje dat alleen die of die droeg. Zo gebeurde het dat ze per ongeluk een vreemd gezicht achterna gingen, iemand die ze helemaal niet kenden, die lacherig voor ze uit schoot en op die dag nog een nieuwe vriend werd.

Tussen struiken en heggen verstopt stonden hun paddenstoelen, grote kartonnen dozen die ze eerder die week in elkaar hadden gezet en in verschillende kleuren hadden geverfd. Ze dansten om de ronde rode daken en zongen smurfenliedjes.

‘Net echt,’ riepen ze.

‘Wat mooi!’

Noah werd apart geschminkt. Er was iets met zijn huid, hij was allergisch voor bepaalde parabenen en kreeg daarom als enige een speciale soort verf. Deze werd slechts in pasteltinten geleverd. Hij had mogen kiezen tussen lichtblauw en turkoois; de laatste had zijn voorkeur gekregen, omdat deze tenminste een eigen naam had. Het zonlicht gaf zijn geverfde wangen een groenige glans.

‘Wat is er aan de hand, Noah?’ lachten de anderen.

‘Smurfen zijn toch blauw!’

De smurfen wervelden over het schoolplein alsof ze dit voor de eerste keer ontdekten. De spellen die ze normaal speelden, tikkertje, verstoppertje, waren nieuw, de blauwe verf was een masker waardoor ze de wereld met nieuwe ogen bekeken. Zolang ze niet ophielden met spelen was het smurfenland echt.

Smurfendag werd altijd gevierd voordat de derdegroepers naar de bovenbouw gingen. De school bestond uit twee gebouwen: een laag deel met veel ramen voor de onderbouw, en daar tegenover een klooster voor de oudere leerlingen. Het had hoge, smalle vensters en de bakstenen waren bijna zwart van kleur.

De blauwe verf was een masker waardoor ze de wereld met nieuwe ogen bekeken. Zolang ze niet ophielden met spelen was het smurfenland echt.

‘Kijk, kijk!’ gilde een smurfin. Ze wees met een bibberende blauwe vinger op de glazen deur van het klooster, waarachter een bezemstok bewoog.

‘Gargamel! Het is Gargamel!’

Haar kreet werd door iedereen gehoord, en als één lichaam schoten de smurfen in beweging, blauwe benen wemelden over de tegels, ze botsten gillend tegen elkaar op, allemaal op de vlucht naar hun paddenstoelen. Daar waren ze veilig.

De kloosterdeuren zwaaiden open en Gargamel stormde het schoolplein op.

‘Ik ga jullie opeten, ellendige smurfen!’ riep hij overdreven.

Gargamel werd altijd gespeeld door een van de oudere jongens, over zijn normale kleren droeg hij een zwart vod met scheuren en lapwerk. Op zijn hoofd een pruik met donkere krullen, onder zijn arm de opgezette vos die Azraël moest voorstellen. Van alle kanten keken zijn glazige ogen je aan. (De vos werd elk jaar van zolder gehaald; een kat had de school niet.) Achter Gargamel aan kwamen twee knechten. Ze zwaaiden bezems boven hun hoofden en renden stampvoetend achter de smurfen aan, op zoek naar smurfenbenen.

‘Snertsmurfen! Waar zitten jullie?’

Gargamel en zijn knechten stapten met harde passen rond de paddenstoelen. Met hun bezems klopten ze op de rode, kartonnen daken, waaronder korte kreten werden ingeslikt. In het donker van de paddenstoel drukten de smurfen zich dicht op elkaar.

Enkele smurfen vonden geen plek in een paddenstoel en werden tegen de muur van het klooster in het nauw gedreven. Gargamels knechten hielden de bezems horizontaal, als hekken, zodat de smurfen niet konden ontsnappen. Ze kwamen langzaam dichterbij. De smurfen haakten hun armen in elkaar, alsof dat de pijn zou verzachten. Ook Noah drukte zijn rug tegen de koude bakstenen, bang voor wat er komen ging. Gargamel duwde de vos dreigend naar voren. Uit zijn stijve mond staken vier slagtanden.

‘Ja, smurfen, nu heb ik jullie!’

Ze gaven korte gillen en krompen ineen. Een van de smurfinnen begon te huilen. Achter de ramen boven hen werden gezichten zichtbaar; de oudere leerlingen keken mee met het toneelspel.

Plots trok Noah zijn arm los van de andere smurfen en dook onder een van de bezems door. Hij was snel en tenger en ontsnapte makkelijk. Een van de knechten probeerde hem nog te raken met de bezemstok.

‘Laat hem maar.’

‘Maar Thijs!’

‘Ik zei: laat maar!’ snauwde Gargamel.

Hij keek omhoog, naar een van de smalle ramen. Rosa’s blonde lokken waren zichtbaar achter de donkere kloosterruit. Ze droeg al make-up. Eerder die ochtend had ze Gargamel een zuigzoen in zijn nek gegeven en gevraagd haar broertje met rust te laten. De vlek was langzaam bloedrood geworden.

De bezems werden neergegooid. Gargamel en zijn knechten grepen de onderarmen van de overgebleven smurfen met twee handen vast en draaiden hun vel in tegenovergestelde richtingen. ‘Prikkeldraad!’ riepen ze en de smurfen begonnen te krijsen.

Noah rende uitgelaten richting de rest.

‘Te langzaam,’ riep hij tartend tegen Gargamel. ‘Pak me dan, slome!’

Ondertussen werd er smurfensoep gebrouwen. Een grote zwarte wasteil werd op een stapel hout gezet, op de zijwanden schitterden rode vlammen. Ook de smurfen gooiden spullen in de soep, vooral water en zand, of drinken. Ze lieten de takken met bladeren al vallen nog voordat ze er goed boven hingen, renden gillend weg van de teil. De helft landde ernaast. Wanneer de juf niet keek werden er ook koeken en stukken fruit richting de emmer gemikt.

‘Mis. Weer mis!’ werd er gegiecheld.

‘Raak!’

Blauwe armen en benen verzamelden zich rondom de teil, waar dankzij de sinas en cola kleine bubbels uit opborrelden. Aan het oppervlak maakte de soep een sissend geluid. Sommige smurfen gluurden angstig tussen blauwe vingers, andere beten hun nagels tot ze de schmink konden proeven.

Gargamel roerde zijn bezem door de modderige brei. Daarna ging hij met de druppelende stok achter de smurfen aan.

‘Mijn soep in, smurfen!’

De smurfen renden in cirkels om hem heen, niet te dichtbij, niet te ver; aan de ene kant bang, maar ook nieuwsgierig. Ze wilden zich bewijzen. Noah daagde Gargamel zelfs uit, hij lokte hem met koosnamen, glipte achter hem langs, tikte hem tegen de billen – maar zodra hij gepakt werd en Gargamel hem herkende, liet deze hem met wat binnensmonds gemopper weer los.

Dit begon de andere smurfen op te vallen. Sommige van hen hadden rode armen van het prikkeldraad, of hun haar zat verward omdat Gargamel er zijn knokkels tegenaan had gedrukt. Ze staarden geïrriteerd naar de groenige smurf, die Gargamel telkens tegen ze ophitste zonder er zelf voor gestraft te worden.

‘Ben je ziek of zo?’ vroeg een dikke smurf aan hem.

Noah, nog buiten adem van het rennen, keek verrast op.

‘Ja, de zieke smurf!’ lachte een van de anderen. ‘Noah, jij bent de zieke smurf!’

‘Is het soms besmettelijk? Is dat waarom Gargamel je niets doet?’

Noah krabde aan zijn gezicht. Van het zweten was zijn schmink waterig geworden, de groene kleur kwam duidelijk naar voren.

‘Ik ben helemaal geen smurf,’ mompelde hij.

‘Wat zeg je?’ De dikke smurf leunde over hem heen. ‘Iedereen hier is een smurf, Noah.’

Noah deed alsof hij hem niet hoorde en staarde naar de grond. Even was het stil.

‘Smurfen bestaan toch helemaal niet.’

‘Wat!?’

‘Wat zeg je?’

De dikke smurf greep de arm van Noah. Zijn vingers waren kort en potig, ze klemden zich als een tang om de smalle pols.

‘Wie bestaat niet? Ben je er soms te goed voor?’

De dikke smurf trok hem naar zich toe.

‘Hier, smurfen! Deze hier zegt dat wij niet bestaan!’

Een stroomstoot schoot door de smurfenwereld. Blauwe gezichten verzamelden zich rondom de zieke smurf.

‘Hij is helemaal groen!’ riepen ze.

‘Hij is ziek! Hij heeft hulp nodig.’

Ze hesen hem van de vloer. Het was makkelijk, hij woog bijna niets. De smurfen hielden Noah hoog boven de grond, liepen in een rechte rij over het plein. Ze zongen de smurfenliedjes die ze eerder die week hadden geoefend.

Wij nemen je nu mee,

Naar het landje waar wij wonen.

Wij zijn daar tevree,

Jij mag er ook komen.

Zijn vingers waren kort en potig, ze klemden zich als een tang om de smalle pols.

Tijdens het sjouwen vielen mutsen af, schmink werd uitgesmeerd over witte mouwen en boorden. Hier en daar verscheen een wit voorhoofd, een stuk van iemands kin, een rode neus kwam onder het blauw vandaan. Gargamel en zijn knechten keken verbaasd toe.

Om lekker weg te dromen.

Het landje waar wij wonen.

De smurfen botsten tegen de wasteil. Het water klotste. De groene smurf werd hoog boven de teil vastgehouden, zijn ledematen gestrekt van elkaar. Onder hem siste het wateroppervlak. Stukken sinaasappel klonterden samen met zanderige yoghurt.

‘Ik ben niet ziek. Ik ben geen smurf!’

‘Noah! Doe nou niet zo moeilijk,’ smiespelde de dikke smurf. ‘Doe gewoon mee.’

De jongen ademde schel door zijn neus, zijn blauwgroene lippen strak op elkaar gedrukt.

Gargamel was er met zijn bezem bij komen staan. Iemand trok aan zijn zwarte gewaad.

‘Gargamel, Thijs! Doe dan iets.’

De smurfen keken hem verwachtingsvol aan.

‘Kom op, Gargamel! Jij háát smurfen!’

Gargamel twijfelde. Het uiteinde van zijn bezem druppelde op de tegels. Hij keek naar het kloostergebouw, zocht achter de donkere ramen. Leek ergens over na te denken. Opeens nam hij een paar stappen naar achteren, weg van de teil, alsof hij er niets mee te maken had. Hij hief de houten stok de lucht in.

‘Ik haat smurfen! Verschrikkelijke!—Walgelijke!—Ellendige beesten!’

Hij wees naar de groene smurf.

‘Doe met hem wat jullie willen,’ schreeuwde hij luidkeels. ‘Maar als jullie het mij vragen: de soep in! De soep in!’

De smurfen schrokken van zijn schelle stem en in één beweging lieten ze de groene armen los. Klats. Noah kwakte in de modder.

‘Heerlijke smurfensoep!’

Ze drukten de groene smurf onderwater; de modder voelde koel aan hun branderige onderarmen. De smurf probeerde zich te verzetten, maar elk lichaamsdeel dat hij verstijfde deed een ander verslappen, hij werd ondergedompeld, zijn billen eerst, toen zijn rug, zijn longen schoten vol met koude schrik. Ten slotte zijn bovenbenen, zijn ellebogen. Nog steeds liet hij niets van zich horen.

‘Nu! Gebruik deze!’

Gargamel schoof zijn bezem over de stoeptegels naar ze toe. De houten stok sloeg met een felle pets tegen de blauwe benen. De smurfen sprongen op van schrik en namen de stok snel in handen.

‘Niet stoppen!’ schetterde Gargamel. ‘Duwen!’

De smurfen hielden de stok samen vast, prikten de broze rietstengels in Noahs nek. De modder gleed langs zijn groene wangen, toen langs zijn oren. Zijn lippen.

‘Niet—’ proestte Noah eindelijk. ‘Stop!’

De smurfen lieten de bezem los. Ze namen een stap naar achteren.

Noah trok zich uit de wasteil. De soep druppelde in koude strepen langs zijn benen. Pas toen zagen de smurfen dat zijn hele lichaam rilde, zijn shirt plakte nat en koud tegen zijn tengere ribbenkast – die koortsig op en neer ging. Groene tranen gleden langs zijn wangen, hij hijgde met een snikkende snotneus, sterk als hij zich nog probeerde te houden.

De smurfen keken elkaar aan. Het blauw op hun gezichten was vervaagd, vooral bij de kaaklijn, de haargrens, als een masker dat te klein werd. Enkelen van hen wreven over hun wangen, het spelen had de verf opgedroogd en hun huid voelde strak en gebroken. Met een stuk van hun kleding probeerden de smurfen de bittere smaak van schmink uit hun mond te krijgen.

 

 

 

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net. Lees hier de Lebowski Blog. 

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven