Flickr / CODmanJR

Staat van verwarring

Het is een bekend gevoel: terwijl je samen met je buren de post staat uit te sorteren herinner je je plotseling de belofte dat de privatisering van de PTT meer efficiëntie en scherpere prijzen zou opleveren. Of, wanneer je de toeslag voor de Fyra – pardon: Intercity Direct– staat bij te pinnen mijmer je over de ‘concurrentie op het spoor’ die nu al meer dan twintig jaar op zich laat wachten.

Er is al veel gezegd en geschreven over het ongenoegen dat ‘de burger’ voelt bij alle privatiseringen. Één van de grootste raadsels blijft altijd waarom de Paarse kabinetten zo ontzettend veel vertrouwen hadden in markten, maar nooit duidelijk hebben gemaakt wat ze nou bedoelen met het woordje ‘markt’. Want een spoorweg met een monopolist erop, of een postdienst in een landje als Nederland kan natuurlijk nooit de tucht van de markt brengen, en dientengevolge ook niet de zegeningen van de markt.

De Nederlandse politiek wordt gekenmerkt door een verlangen ‘de kool en de geit te sparen’. Wel lid zijn van de NAVO, maar niet op missie. Den Haag mag dan de ‘international city of peace and justice’ zijn, politiek Den Haag is nog steeds de beste vriend van autocraat Valdimir Poetin. Zo rijst het vermoeden dat de politiek bij de privatiseringen wél private spelers wilden bewerkstelligen, maar geen echte markt zonder monopolisten. Want daarvoor zou je de voormalige staatsbedrijven moeten opknippen en dat doet pijn. Veel pijn.

Is dat onwil geweest? Bewijst het een intellectueel tekort bij de partijen die zich altijd zo ingezet hebben voor een vrije markt? Wellicht.

Wat overeind blijft is de uitwisseling van belangen.

Maar er is ook een meer structurele verklaring. Deze hangt samen met dat onvertaalbare Nederlandse woordje: ‘overheid’. De overheid – dat wat boven ons is –, er wordt geen taak mee aangeduid maar slechts een hiërarchische positie. In Nederland identificeren we de macht niet met een woord dat verwijst naar een afgebakend object of een hanteerbaar apparaat zoals ‘de staat’. Net zo min identificeren we de macht op functionele wijze, met de term ‘regering’. Waar andere landen ‘the government’ gebruiken om het hele machtsapparaat aan te duiden, zeggen wij met ‘regering’ slechts ‘het kabinet’. Hetgeen op zijn beurt ‘keukenkastje’ betekent.

De overheid is vooral een open plek waar belanghebbenden samenkomen om een gewenst resultaat uit te onderhandelen. Maar, en dat maakt het Nederlandse machtsspel zo merkwaardig, die belangen worden zelden openlijk verkondigd. Bedrijven schuiven altijd in alle rust en stilte aan op een ministerie of de Nederlandse politiek besteedt haar taak zelfs uit aan ‘de polder’. Kijkend naar de roemruchte SER, levert dit vreemde vertekeningen op.

Het meest stabiele onderdeel van de SER is werkgeversorganisatie VNO/NCW. Bij vrijwel alle onderhandelingen – of het nu gaat om de tabakslobby of om CO2-reductie staat VNO op de rem. Het kan zonder veel moeite, maar zonder veel waardeoordelen, als een conservatieve kracht bestempeld worden.

Waarom? Omdat mannen in krijtstreep nou eenmaal graag ‘nee’ roepen tegen gezondheids- en klimaatbeleid? Vermoedelijk niet.

VNO is een belangenbehartigingsorganisatie wiens kracht gelegen is in eenheid. Er moet maar één Nederlandse organisatie voor het bedrijfsleven zijn, anders raakt ze haar unieke positie aan de onderhandelingstafel kwijt. Dit betekent dat VNO altíjd de kant moet kiezen van het lid (het bedrijf) dat het meeste pijn te lijden heeft van een bepaald voorgenomen beleid. In het geval van de tabakslobby kiest ze voor Phillip Morris, in het geval van klimaatbeleid kiest ze voor de staalindustrie. Niet omdat VNO víndt dat er meer gerookt of meer CO2 de lucht ingeblazen moet worden, maar omdat VNO aan al haar leden moet duidelijk maken dat ze altijd het bedrijf dat in de hoogste nood verkeerd zal helpen. Want waarom zouden DSM, Shell of Unilever bij VNO blijven als ze straks in het heetst van de strijd verlaten zullen worden door de werkgeversorganisatie?

De VVD zal in het parlement of in het kabinet de stem van VNO blijven verkondigen.

Dit heeft tot gevolg dat het hele Nederlandse bedrijfsleven vierkant achter het traagste, oudste, meest problematische bedrijf zal blijven staan in iedere onderhandelingssituatie. En dat is vaak maar één bedrijf.

Deze vertekende representatie beperkt zich echter niet alleen tot de polder, maar stroomt rechtstreeks door naar het parlement en de regering. De VVD zal in het parlement of in het kabinet de stem van VNO blijven verkondigen. Zo heeft één bedrijf disproportioneel veel gewicht in de politieke discussie. Wat overeind blijft in de Nederlandse politieke discussie is de uitwisseling van belangen, niet een overzicht van het veld en gewenste politieke keuzes. Wat bovendien overeind blijft is het ‘gekwantificeerde’ belang: de jaarcijfers van één of ander bedrijf.

Dat is allemaal volkomen legaal. Maar het ontbeert een publieke dimensie. De kracht van een democratie is gelegen in het openlijk uitvechten van reële conflicten. Niet in het openlijk bekvechten over non-issues en ondertussen het stilletjes optuigen van een wettelijk kader in een beschermde, afgeschermde, omgeving.

Morele of politieke overwegingen – overwegingen die niet uit te drukken zijn door een bedrijfsaccountant – hebben in het huidige Nederlandse systeem feitelijk geen mobiliteit, geen stem, geen gewicht. De Nederlandse representatie geschiedt via belangenbehartiging in een technische discussie.

Lange tijd is dat geen probleem geweest, zolang de politiek, de ambtenarij en mensen in staatsdienst maar een al dan niet functionele notie hadden van ‘het algemeen belang’. Zolang nutsbedrijven op weinig efficiënte wijze nutsfuncties vervulden en daarmee misschien zelfs te veel geld opstreken, was er geen principieel probleem. Het was een probleem van gradaties: niet efficiënt genoeg, te veel geld kostend – maar altijd begrensd door een algemeen belang.

De privatisering heeft de rollen omgedraaid: er is nog maar één belang en dat is de bottom line van de bedrijven, zoals de NS, die in ons land wezenlijke diensten vervullen. Het ontbreken van een goede verbinding tussen Amsterdam, Den Haag en Brussel is daar een uitmuntend voorbeeld van: er is geen goede business case voor. Dat je het als land je eigenlijk niet kan veroorloven om directe verbindingen tussen je hoofdstad, je regeringszetel en het centrum van de EU op te heffen, doet er niet toe.

Om te kunnen beredeneren dat het er wel toe doet, en om te kunnen bepalen waar de grens van essentiële en niet-essentiële nutsfuncties ligt, zou je politiek moeten hebben. Een arena waarin zulke overwegingen besproken worden. In theorie zou die verantwoordelijkheid bij het parlement moeten liggen. In Nederland ligt die verantwoordelijkheid bij niemand.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven