Strips: apenrots van de boekenbranche

Le bleu est une couleur chaudeJulie Maroh2010
Le transperceneigeJacques Lob en Jean-Marc Rochette1982
Quai d'OrsayChristophe Lain en Abel Lanzac2010

Sinds eeuwen is de Franse literatuur in de greep van hoge cultuur: vuistdikke boeken van herinneringen aan de verloren tijd, verslagen van het lijden van mijnwerkers in de 19e eeuw, en in leer gebonden lyrische bespiegelingen over het plattelandsleven. De literaire canon wordt uitgegeven in de Pleiade reeks, vernoemd naar een dichterscollectief en sterrenconstellatie. Veel meer highbrow is moeilijk te vinden. Toch is boekenland Frankrijk niet alleen een ingewikkelde achteruitkijkspiegel. Want ondanks dat de Franse boekverkoop in elkaar dondert is er gek genoeg een onderdeel van de boekenbranche dat bruist. Het dorpje dat standhoudt tijdens de papieren kaalslag: stripboeken.

Voor de oorsprong van stripboeken wijzen de Fransen naar de prehistorische grotten in Lascaux; er werd met de bizons en paarden op de muur al een verhaal verteld met plaatjes. Door de eeuwen heen werden beelden vaker ondersteund met tekst, en vice versa. Het tapijt van Bayeux geldt ook als voorloper op strips doordat de veldslag van Hastings uit de elfde eeuw niet alleen wordt beschreven, maar ook uitgebeeld. In middeleeuwse christelijke schilderijen werden de gedachten van de afgebeelde figuren al weergegeven in tekstballonnen. Het eerste echte stripboek maakte Rodolphe Töpffer in Zwitserland begin 1830. Strips ontwikkelden zich vervolgens vooral in kranten als spotprenten. Vanaf de jaren ‘60 emancipeerde het beeldverhaal zich langzaam: strips waren niet meer alleen voor kinderen bedoeld, maar konden actuele onderwerpen met een grap onder de loep te nemen. Deze emancipatie heeft in het Engels betekend dat strips de serieuzere naam van graphic novel kregen – wat in het Frans niet nodig was omdat de term Bande Dessinée (ook wel BD) niet de kinderlijke bijklank heeft van cartoon.

Boekenland Frankrijk is niet alleen een ingewikkelde achteruitkijkspiegel.

Terwijl de boekenbranche de kaasschaaf over zich heen voelt gaan, is in Frankrijk de markt voor strips juist in volle bloei. Na een dip in de jaren ’80-‘90 kent de branche al sinds 2000 alleen groei. Daarbij zijn dat steeds meer strips van eigen Franse bodem: hoewel de Japanse manga nog steeds ongeveer de helft van de markt inneemt, is het Japanse aandeel in de laatste paar jaar met zo’n 10% gekrompen. En de oplages stijgen nog steeds, met in 2012 meer dan 5000 titels waarvan 72% debutant waren.

De popularisering van strips is deels te danken aan verfilmingen: strips lenen zich goed voor adaptatie omdat ze behalve een verhaal een uitgewerkt storyboard kunnen vormen, geheel met camerastandpunten. Twee grote filmhits van vorig jaar waren gebaseerd op Franse stripboeken. De dystopische treinfilm Snowpiercer is gebaseerd op de reeks Transperceneige, al sinds de jaren ‘80 een grote verkoophit. En de film La Vie d’Adèle is gebaseerd op het stripboek Le bleu est une couleur chaude – een aanrader, niet in de laatste plaats vanwege de vrolijk pornografische plaatjes, die de leeservaring kracht bij weten te zetten. De teksten van het boek zijn geschreven in een kinderlijk handschrift waardoor de innerlijke bespiegelingen meteen een kinderstem krijgen. De heftige liefdesrelatie neemt in de strip een andere wending dan in de film, maar in beide staat de ontroerende (seksuele) ontwikkeling van de hoofdpersoon centraal.

lbeucc

De strips waar we in Nederland mee zijn opgegroeid komen grotendeels uit België. De reisuren waarin ik als kind stil moest zijn op de achterbank konden mijn ouders makkelijk afkopen met stripboeken – die je als het te snel ging bovendien nog bij kon kopen als je even over de grens was. De originelen waren doorgaans in het Frans ontwikkeld en vanaf de Tweede Wereldoorlog in populaire weekblaadjes ontstaan. Maar aangezien dit België was, kwamen er rap Nederlandse versies. De boeken van Kuifje ontsponnen zich bijvoorbeeld uit het Franstalige weekblad Tintin. Andere favorieten van de achterbank als Asterix en Obelix verschenen aanvankelijk in een weekblad. Uiteindelijk heb ik toch de meeste kilometers gemaakt met de van oorsprong Vlaamstalige Suske en Wiske.

Sinds mijn Suske en Wiske verzameldrift heb ik nog een aantal stripboeken gelezen. Mijn favoriet was de grote hit van 2010: Quai d’Orsay, over het Franse Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat in de volksmond vernoemd wordt naar het adres. Je zou niet verwachten dat er een leuk stripverhaal te maken zou zijn over het trage Franse ambtenarenapparaat, maar het is prachtig gedetailleerd getekend en als verhaal buitengewoon grappig.

Taillard de Vorms laveert tussen onredelijke baas, idioot en genie.

Hoofpersoon is de jonge student Arthur Vlaminck, die persoonlijk wordt uitgenodigd op het ministerie door de charismatische minister Taillard de Vorms. Hij wordt ter plekke aangesteld als verantwoordelijke voor de ‘taal’ van de minister; na wat verwarring blijkt dat hij tekst- en speechschrijver wordt. Arthur Vlaminck leert in een mum van tijd de apenrots van binnen kennen. Zo ontvouwt zich een grappig portret van de hoogste ambtenaren van het ministerie, die proberen samen te werken om internationale crises te bezweren. Maar het draait vooral om de excentrieke minister, gebaseerd op voormalig minister Dominique de Villepin. Deze Taillard de Vorms laveert tussen onredelijke baas, idioot en genie.

De teksten voor de minister moeten aan de gekste voorwaarden voldoen, en die voorwaarden veranderen aan de lopende band. De grootste crisis waar het ministerie mee te maken krijgt is in het fictieve land Lousdem, dat duidelijk  Irak moet voorstellen. Taillard de Vorms moet er voor zorgen dat de VN-Veiligheidsraad unaniem meestemt met een herschrijving van de resolutie 1441, zodat preventieve oorlogsvoering niet een legitimering voor ingrijpen schept. Terwijl de ambtenaren proberen een keer een nacht niet op kantoor door te brengen, belt de minister bevriende filosofen en dichters op ter inspiratie, waardoor de tekstschrijvers ineens verplicht citaten van de vrienden van de minister moeten opnemen. Citaten die doorgaans nergens over gaan. Na alle veranderingen in de tekst waardoor iedereen in het ministerie de weg kwijt is geraakt, speecht de minister voor de VN Veiligheidsraad. Het is de enige keer dat er ooit in de raad wordt geapplaudisseerd.

Het plot van de stripboeken is al heel grappig, en wordt nog grappiger door de tekeningen. Taillard de Vorms wordt getekend als een boomlange man met hoekige schouders die steeds zo hard loopt dat met snelheidswolkjes alle stapels papier binnen handbereik op de grond dwarrelen. De vertrekken binnen het ministerie zijn bijzonder gedetailleerd weergegeven, waarbij de minister midden in een barok versierd vertrek werkt terwijl de beleidsmedewerkers in piepkleine kamertjes zitten. Soms maken we uitstapjes met hoofdpersoon Arthur Vlaminck die droomt dat hij kwade krachten moet overwinnen en ineens tegen Darth Vader vecht waardoor de plaatjes de absurditeit een handje helpen. De tegenstrijdigheden die de minister in een speech wil verwerken worden in close ups weergegeven waardoor de opsommingen nog absurder lijken. Intussen is er in 2013 ook een verfilming gemaakt van de twee stripboeken; een live-action vertolking waarin alle personages hun getekende origineel nadoen – compleet met stofwolkjes om snelheid aan te geven.

quai dorsay 03

De schrijvers van Quai d’Orsay, ‘Blain & Lanzac’, schreven onder pseudoniem, en in 2013 werd duidelijk wie daarachter schuilging. Zoveel weetjes en inside information moesten wel van binnen het ministerie komen. Op het prestigieuze stripboekenfestival van Angoulême werd bij het uitreiken van de prijs voor beste Bande Dessinée onthuld wie achter het pseudoniem Lanzac schuilde. De tekstschrijver van Villepin, Antonin Baudry, zat achter het stripboek. Hij is inmiddels cultureel attaché in New York en vertegenwoordigt ook de Franse universiteiten in de Verenigde Staten. Naar verluidt had Baudry een eerste versie al naar Dominique de Villepin opgestuurd, die het ontving met bulderend enthousiasme.

De boeken bleken bijzonder autobiografisch. In de strip is de relatie van de hoofdpersoon met Marina moeizaam omdat het werk op het ministerie alle tijd opslokt. Inmiddels is Baudry getrouwd met de vrouw die als inspiratie diende voor Marina. Ze heeft een opvallende invloed gehad op het personage van de minister die vaak raaskallend aandringt op het integreren van specifieke citaten uit teksten van Democritus en Heraclitus: ze schreef zelf haar proefschrift over vergelijkingen bij deze filosofen.

We zijn zo’n beetje allemaal opgegroeid met Franstalige strips als Kuifje en Asterix en Obelix. Toen lazen we over Centurions, Cleopatra en een verouderd beeld van Congo. Het plezier van stripboeken hoeft niet alleen nostalgisch te zijn aangezien er nog zo veel nieuws wordt gemaakt. La Vie d’Adele en andere adaptaties hebben laten zien dat stripboeken op meerdere manieren relevant zijn. Maar het meest wil ik een lans breken voor Quai d’Orsay met de avonturen van minister Taillard de Vorms. Hoog tijd dat Quai d’Orsay een weg vindt naar een Nederlandstalig publiek en snel wordt vertaald.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Rob Vreeken,

    Goedendag, voor een artikel (n.a.v. Charlie Hebdo) over de Franse beeldcultuur zoek ik contact met Fransijn Bulhof. Vriendelijke groet, Rob Vreeken, redactie De Volkskrant, 06 2700 3839

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven