Flickr // Becc Bigg-Wither

Subtiele sabotage

De Poolse geschiedenis wordt herschreven in films, mediakopstukken worden vervangen door aanhangers van de heersende rechtse PiS-partij, de monden van liberale radiomakers worden gesnoerd, de kerk heeft weer invloed als ooit tevoren en opinieplatformen als Krytyka Polityczna krijgen geen subsidies meer. Verzet vanuit de kunstwereld is nodig. In de jaren zestig schopten Poolse regisseurs van animatiefilms, met geld van de overheid, al tegen het dictatoriale regime aan. Op wat voor manier verzet de huidige generatie kunstenaars zich tegen de dwingende samenwerking van kerk en staat?

Theaterregisseur Oliver Frljiç maakte pas de voorstelling Klątwa (Vloek), die aandacht vestigt op de politieke macht van de katholieke kerk in zowel het vroegere als hedendaagse Polen. Het stuk speelt bij Teatr Powszechny (Hedendaags Theater) in Warschau en bekritiseert voor het eerst in de geschiedenis van het Poolse theater openlijk pedofilie binnen de katholieke kerk. Door de overheid gecontroleerde media bestempelen de performance als blasfemisch. De overheid zet er actief op in de performance van alle context te ontdoen en wil zowel de regisseur als de acteurs aanklagen, wegens het 'aantasten van de religieuze gevoelens' van katholieke loyalisten.

Animatie werd gezien als onschuldig en bleek daarom een ideaal medium voor maatschappijkritische filmmakers

Ook tijdens de communistische jaren in Polen uitten kunstenaars kritiek op het toenmalige regime. Het boek Polish Cinema Now!, over de staat van de Poolse film na de val van het IJzeren Gordijn, bundelt elf essays van geëngageerde filmkenners uit Polen en daarbuiten. Zo schrijft Mariusz Frukacz (1976), filmcriticus en vice-directeur van het animatiefilmfestival OFAFA in Krakau, in het essay The Second Youth Of A Sixty Year Old dat het regime van de vroegere Volksrepubliek het genre animatie strikt zag als ‘leuk voor kinderen’- onschuldig en ongevaarlijk. Het bleek daarom een ideaal medium voor maatschappijkritische filmmakers te zijn.

Terwijl de Poolse cinema met artistieke signatuur pas begin jaren negentig ging bloeien, kon je al sinds 1957 bij verschillende kunstopleidingen het vak Animatie leren. De jaren zestig waren in die zin de gouden jaren, vertegenwoordigd door makers als Witold Giersz, Mirosław Kijowicz en Daniel Szczechura. Hun films volgden in de narratief vrij een filosofisch discours, best uniek binnen een heersende dictatuur.

Het regime was in haar censuur vooral wantrouwig jegens meer sociaal invloedrijke kunstvormen zoals literatuur of langspeelfilms. Van deze ‘hoge’ kunstvormen werd algemeen aangenomen dat hun bereik veel groter was, wat hen geschikter maakte voor propagandadoeleinden. De invloed van animatiefilmmakers werd door het politieke establishment van begin af aan sterk onderschat, hoewel hun werk vaak evenveel bereik had als dat van gevestigde regisseurs en scenarioschrijvers van langspeelfilms. Hun films bereikten de mensen alleen niet altijd via de reguliere wegen. Zo werden de animatiefilms - vaak op eigen kosten en nooit zonder enig risico - vertoond in kleine lokalen die later uitgroeiden tot de arthouse bioscopen.

De communistische partijleiders oefenden veel druk uit op de makers van reguliere, ‘hoge’ kunsten, maar boden regisseurs van animatiefilms juist gunstige dienstcontracten aan. Zij verleenden de kunstenaars artistieke carte blanche en moedigden hen aan vrij werk te creëren. In werkelijkheid was dit alles een geraffineerde strategie. Een ingecalculeerd, politiek spel. De Poolse staat had er profijt van naar westerse landen toe de schijn van artistieke vrijheid en prijswinnende kunstenaars hoog te houden. Ondertussen zorgde de kortzichtige aard van de communistische partijleiders er wel voor dat er jarenlang subtiele sabotage van het regime kon plaatsvinden. Zo kregen de makers geld en ze ontwikkelden hun films onder de veilige vleugels van de overheid. De partijvoorzitters van de Verenigde Arbeiderspartij, de regerende communistische partij in Polen van 1948 tot 1989, lazen echter nooit kritiek in de filmverhalen. Dit had alles te maken met de veronderstelde doelgroep van de animatiefilms, namelijk kinderen. In een kinderfilm verwerk je geen politieke kritiek, was de gedachte van de communisten. In die zin was het regime blind voor iets wat in de eigen achtertuin gebeurde.

Zo maakte Szczechura in 1963 de film Fotel oftewel Zetel. Een verhaal over machtsstrijd, dat zich afspeelt in een grote hal die doet denken aan het Congresgebouw in Warschau. Er vindt een officiële bijeenkomst plaats, mogelijk van de Verenigde Arbeiderspartij. Een stoel aan de voorzitterstafel op het podium is vrij en de aanwezigen in de ruimte proberen hem op allerlei manieren te bemachtigen. Als het één van de aanwezigen uiteindelijk lukt, applaudisseert iedereen en eindigt de machtsstrijd. Een duidelijke satire op de communistische Poolse Volksrepubliek. Grafisch kraakhelder verteld, met de figuurtjes in bovenaanzicht als de tandwielen van een machine.

Communistische partijleiders zorgden ervoor dat er jarenlang subtiele sabotage van het regime kon plaatsvinden

Een traditie van politiek verzet vanuit de kunstwereld is dus zeker niet nieuw in Polen, maar zo openlijk de versmelting van kerk en staat bekritiseren als Olivier Frljiç doet is dat wel. In die zin is Klątwa zeker een uitzondering. Ten tijde van het communisme stond de kerk min of meer aan de kant van de kunstenaars, in de gemeenschappelijke strijd tegen de Russische overheersing. Met hulp van de toenmalige paus Johannes Paulus II lukte het Solidarność- de politieke anti-beweging onder Lech Wałęsa- om in 1989 aan de macht te komen. Vandaag de dag speelt diezelfde kerk een smerig spelletje, door een tegenprestatie te vragen voor hun steun in die jaren. Ze heeft bovendien een grote rol gespeeld bij de overwinning van de momenteel regerende, conservatieve PiS-partij. In ruil voor hun steun gunt de partij de kerk daarom ook meer bewegingsruimte. Dit zorgt voor de unieke machtspositie van de Poolse kerk vandaag.

Wat zou het mooi zijn als die positie op alle fronten bekritiseerd kon worden, op kosten van de staat. Subtiele sabotage in de vorm van onschuldige, eenvoudige verhalen, beelden of voorstellingen. Wat Poolse kunstenaars vandaag kunnen leren van hun voorgangers is het slinkse hielenlikken. De regels naar je hand zetten en met geld van vadertje staat je zin doen. Zolang de kerk een monopolie claimt, is het aan de kunsten om daar gericht kritiek op te uiten. Als dat betekent dat een stuk als Klątwa in kleine zaaltjes moet spelen, is dat maar zo. Beter zou Olivier Frljiç nu zoeken naar een onderschat medium waarvan de PiS-partij het bereik nog niet inschat, in plaats van één van de meest vooraanstaande ‘hoge’ kunstvormen in te zetten voor kritiek.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven