Flickr / aotaro

Talenstudies en het einde van de geschiedenis

Vorig jaar stonden de kleinschalige talenstudies van de Universiteit van Amsterdam in de schijnwerpers als inzet van discussies en protesten. Nu staan de talenstudies opnieuw onder druk. Ze trekken te weinig studenten aan om zichzelf door middel van het door de UvA gehanteerde verdeelmodel te bedruipen. Daarom wordt er bij de talenstudies aangestuurd op het samenvoegen van vakken en het in elkaar schuiven van opleidingen. Kleinschalige, specialistische opleidingen dreigen daarmee langzaam te verdwijnen, een landelijk probleem dat bij de Algemene Politieke Beschouwingen van dit jaar werd aangekaart door Jesse Klaver. De reactie van Halbe Zijlstra was dat kleine talen best in het land zelf gestudeerd kunnen worden. De tendens is duidelijk: universiteiten moeten talenopleidingen aantrekkelijker maken door verbreding en vervlakking, anders is er geen plaats voor in Nederland. Studenten hebben via hun inschrijvingen immers zelf het oordeel uitgesproken dat kleine talen niet levensvatbaar zijn.

Dat dit oordeel niet altijd even serieus hoeft te worden genomen, blijkt uit het onderwerp dat Zijlstra daarvoor besprak. Hij pleitte voor meer studenten in de techniek, en dat was niet voor het eerst. Al jaren wordt er door de overheid en het bedrijfsleven gelobbyd om meer jongeren voor technische studies te interesseren. Het voornaamste uitvloeisel daarvan is het techniekpact, een afspraak tussen ‘onderwijsinstellingen, werkgevers, werknemers, jongeren, topsectoren, regio’s en het rijk’. In de samenvatting van het Techniekpact 2020 is te lezen dat jongeren vaak ‘geen duidelijk beeld’ of ‘vooroordelen’ over techniek hebben. De keuze van studenten, leidend in de discussie over kleine talen, blijkt plotseling verward en slecht geïnformeerd als ze geen techniekstudie kiezen.

Een wereldbeeld waarin talenstudies achterhaald hobbyisme zijn

Met het techniekpact toont het Ministerie van Onderwijs het zelfvertrouwen actief te kunnen sturen in de inschrijvingen in het hoger onderwijs. Dat is merkwaardig, gezien het fatalisme waarmee met de kleine talen wordt omgegaan. De teloorgang van die talen is daarmee eerder aan een wereldbeeld van de overheid, dan aan botte pech te wijten. Een wereldbeeld waarin topsectoren nodig zijn om internationaal concurrerend en relevant te blijven en talenstudies achterhaald hobbyisme zijn. Maar wat is het voor wereld, die zomaar de rode loper uitlegt voor een land met topsectoren?

Het lijkt op de wereld die in 1992 beschreven is door Francis Fukuyama, een wereld die zich kenmerkt door het einde van de geschiedenis. Fukuyama betoogt in dit boek dat de tijd van grote ideologische conflicten voorbij is. Met de val van de muur zou zijn gebleken dat de liberale democratie met een kapitalistische economische structuur de best mogelijke staatsvorm is. Het was slechts een kwestie van tijd voordat iedere staat daarvan doordrongen zou zijn en zich zou voegen naar de democratische tijdgeest. Langzaam maar zeker zou de wereld tot een verzameling liberale staten worden. De liberale instituties van die staten en hun kapitalistische economie zouden ook tot een steeds grotere culturele gelijkheid leiden. Afgezien van enkele archaïsche tradities zouden de culturele verhoudingen tussen landen zich gaan kenmerken door fundamentele begrijpelijkheid.

Op het gebied van internationale betrekkingen was daarmee de tijd van moeizame Koude Oorlogspolitiek voorbij en de tijd van soepele diplomatie aangebroken. Met het verdwijnen van de spanningen uit politieke en culturele verhoudingen, zou de economie overblijven als het enige domein van werkelijke concurrentie tussen landen, gebaseerd op gedeelde principes van vrijhandel. Wie in deze context de macht heeft het hoger onderwijs vorm te geven, zal flink inzetten op disciplines die economisch concurrentievermogen versterken. Taal- en cultuurstudies zijn daarentegen niet meer maatschappelijk relevant, hooguit leuk voor de student.

Het is duidelijk dat dit niet de wereld is die we tegenwoordig aantreffen. Het einde van de geschiedenis, als het ooit bestaan heeft, is voorbij. En in plaats van een groot communistisch blok, zien we een lappendeken van verschillende machtsblokken, stuk voor stuk gebaseerd op moeilijk te vatten denkvormen. De politieke Islam die gedijt in een ondoorzichtig weefsel van staten, volkeren en westerse interventies. Het Rusland van Poetin dat zijn gekrenkte trots probeert te herstellen. Aziatische staten, China voorop, die een repressieve overheid in stand houden met groot economisch succes. Ook directe bondgenoten zijn verwarrend. In Amerika wordt een absurde karikatuur een serieuze kans gegund op eindverantwoordelijkheid over het machtigste leger ter wereld en de Europese Unie staat voortdurend onder spanning door culturele verschillen tussen noord en zuid, oost en west. Het is een wereld waarin weliswaar vrij gehandeld kan worden, maar ook een wereld die om diepgravende duiding vraagt. Om het soort duiding dat juist alleen kan worden geleverd door mensen die een bepaalde taal en cultuur jarenlang intensief bestudeerd hebben.

Talenstudenten zijn pretstudenten, die het vertikken relevante kennis op te doen

Het zou daarom een groot verlies zijn als de kleine talenstudies van de UvA aan specialistische kwaliteit moeten inboeten. En dat is een probleem dat dieper ligt dan de financiering van talenstudies aan de UvA. Het wereldbeeld van een beëindigde geschiedenis houdt een stigma in stand van talenstudenten als pretstudenten, die het vertikken de technische kennis op te doen die de maatschappij werkelijk nodig heeft. Het voedt het idee dat wie zich niet technisch specialiseert, zich maar beter zo breed mogelijk kan laten opleiden om ten minste nog multi-inzetbaar te zijn. Deze manier van denken maakt zichzelf waar door steeds vervlakking en verbreding van talenstudies te eisen, totdat hun grote waarde inderdaad verwatert.

Dit stigma, gecombineerd met een perspectief van werkloosheid, houdt studentenaantallen bij talenstudies laag. In plaats van het probleem bij de wortel aan te pakken en talenstudies actief te promoten als kwalitatief goede en maatschappelijk zinvolle studies, krijgen ze als zorgenkindjes wat extra subsidie toegeschoven, totdat ‘genoeg genoeg is’ en structurele hervormingen onvermijdelijk. Dat terwijl Slavisten, Arabisten of Sinologen toch gemakkelijk een baan zouden moeten kunnen vinden aan de universiteit, in de politiek of in de media. Zo niet, is het misschien belangrijker om vragen te stellen bij de relevantie van die instituties, dan bij de levensvatbaarheid van kleine talenstudies.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven