Flickr / Ian Mattoo

Tarieven voor tweede masters zijn onrechtmatig!

Sinds de zomer van 2009 is de Nederlandse overheid niet meer verantwoordelijk voor het aanbieden van tweede universitaire studies. De Tweede Kamer nam een wetsvoorstel aan dat onderwijsinstellingen de ruimte geeft meer dan het wettelijke tarief te vragen. De hoogte van dat tarief dient gemotiveerd te worden vastgesteld. Op zich zelf is het begrijpelijk dat studenten die een tweede studie doen een hogere bijdrage betalen, maar de uitvoering van deze wet leidt tot zeer onredelijke situaties en het onnodig belemmeren van talent.

Een aantal universiteiten gaat namelijk nogal lichtzinnig met de nieuwe bevoegdheid om. Vanaf september kunnen sommige studenten tariefverhogingen tot 800 procent tegemoet zien. Ondanks een wettelijke verplichting zijn deze verhogingen zelden gemotiveerd. Waar de extra kosten op gebaseerd zijn blijft dus vaak een raadsel en juist daar wringt de schoen. Want mogen onderwijsinstellingen onbegrensd de tarieven verhogen als hun bevoegdheid slechts bedoeld is om het gemis aan rijksbijdragen te compenseren? Meer concreet: mogen universiteiten 14.000 euro vragen voor een opleiding waarvan de werkelijke kosten ongeveer 7.000 euro zijn?

Nee, dit mogen zij niet. Met het verdwijnen van de verantwoordelijkheid van de rijksoverheid voor de tweede opleidingen zijn universiteiten op onbekend en onontgonnen terrein terecht gekomen; het private domein. Vooralsnog lijken zij zich hier ongemakkelijk te voelen. De overgang levert een aantal juridische problemen op waar universiteitsbestuurders geen oplossing voor hebben, of voor willen geven. De veiligheid van een al eeuwenoude, beschermde, vastomlijnde en nauwelijks betwiste taakuitvoering binnen publiekrechtelijke kaders is niet meer aanwezig nu plotseling marktactiviteiten ontplooid worden.

In de ‘code goed bestuur universiteiten’ wordt welgeteld één artikel gewijd aan de wijze waarop universiteiten om dienen te gaan met marktactiviteiten. Overigens is daar nog minder regelgeving te vinden over hoe zij behoren om te gaan met studenten. De wijze waarop universiteiten hun handelen vorm dienen te geven op de markt is dus onbepaald. Dat levert problemen op want binnen de wetten van de vrije markt voelen universiteiten zich niet thuis; ze spreken de taal niet van de markt noch kennen zij de regels die hier gehanteerd worden. Wetten als kostenbewustheid, aantoonbare en bewaakte kwaliteitsstandaarden en veel belangrijker nog: het gebonden zijn aan de uitoefening van een nauwkeurig omlijnde bevoegdheid zijn bij universiteiten grotendeels onbekend.

Daarbij komt nog dat universiteiten op dit moment ook nog de noodzakelijke infrastructuur missen om deze nieuwe taak uit te voeren. Het correct uitvoeren van de taak  verlangt dat zij als een onderneming omspringen met de diensten die zij aanbieden, dat zij bekend zijn met begrippen als rendement en prijs-kwaliteitsverhoudingen en daarnaast inzicht hebben in hun eigen kostenstructuur.

Nu de vereiste motivering voor de tarieven ontbreekt en op basis van de beschikbare gegevens geconcludeerd moet worden dat de verhogingen het gemis in rijksbijdragen overstijgt, is de schijn van misbruik gecreëerd. In gelijke bewoordingen heeft het Kamerlid Jadnanansing de wijze waarop universiteiten de tarieven voor tweede opleidingen vaststellen veroordeeld. Zij stelt dat dit plaatsvindt op een wijze die door de wetgever nooit zo bedoeld is. De doelstelling is altijd geweest het bewerkstelligen van een redelijke balans tussen draagkracht en reële kostprijs van de opleiding.

Los van het punt van Jadnanansing is het aanbieden van tweede, niet gefinancierde opleidingen een marktactiviteit. Onderwijsinstellingen zijn in die situatie gebonden aan het mededingingsrecht. Daar zijn maatstaven ontwikkeld waaraan een verkoop-kostprijs en een prijs-kwaliteitsverhouding moet voldoen wanneer een dienst wordt aangeboden door een onderneming die over een economische machtspositie beschikt. Op basis van de beschikbare gegevens is het onwaarschijnlijk dat de universiteiten aan deze maatstaven kunnen voldoen.
Tenslotte handelen de universiteitsbestuurders in strijd met de rechtszekerheid van studenten. Universiteiten schenden de precontractueel geschapen verwachtingen doordat zij tussentijds de voorwaarden van de overeenkomst wijzigen. Populair gezegd; zij veranderen de spelregels tijdens het spel.

Met bovenstaande argumenten is gezegd dat de wijze waarop en de mate waarin instellingscollegegeld geheven wordt als zodanig onrechtmatig is. Dit kan uitsluitend gerepareerd worden door een verlaging tot een bedrag dat in een redelijk verband staat met de kwaliteits- en kostprijs. Het is begrijpelijk dat in een klimaat van bezuinigingen van sommige studenten een extra bijdrage verwacht wordt; echter ontslaan bezuinigingen de universiteiten niet van hun zelfstandige, wettelijke verantwoordelijkheden. Vooralsnog lijken zij hier moeilijk mee om te kunnen gaan.

Universiteiten handelen op dit moment onbevoegd, oneerlijk en onbetrouwbaar. Het is de hoop van de ambitieuze student dat zij hun handelen tijdig staken, voordat de rechter het bovendien kwalificeert als onrechtmatig.

Cees Zweistra, Sjip Suidgeest en Karsten Meijer zijn bestuursleden van de Stichting Collectieve Actie Universiteiten. Dit artikel verschijnt ook op de blog publiekrechtenpolitiek.nl

Meer informatie over deze zaak is te lezen op www.stcau.nl

 

 

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven