Paul Buckley / @pdebebe

Tomatenketchup

Als Vera een hap van haar tweede broodje pindakaas neemt, moet Corné nog beginnen. Op zijn bord ligt een opengesneden pistoletje, bruin, belegd met boter, pitjeskaas, tomaat, rosbief en een gekookt ei. Ze houdt hem in de gaten. Zijn blik, die gecontroleerd over de tafel glijdt, lijkt op zoek naar een ingrediënt dat hij nog kan gebruiken. Ondertussen raakt hij het pistoletje even met beide handen aan, liefkozend, zonder het te verplaatsen.

‘Mayonaise,’ zegt hij.

Ze kijkt weg. Net op tijd. Tikt met haar vinger op de iPad en neemt nog een hap van haar broodje.

‘Vera.’

De Volkskrant komt tevoorschijn.

‘Mag ik van jou – uit de categorie sauzen – de mayonaise?’

DNA-test kan ernstige, soms fatale bijwerkingen van chemokuur voorkomen.

‘Veer?’

Consumentenbond naar de rechter om no-showclausule KLM.

‘Vera.’ Ze kijkt op.

‘Of mevrouw zo vriendelijk wil zijn om mij de mayonaise aan te geven.’

Met twee vingers schuift ze de pot naar zijn kant van de tafel. Hij geeft een knikje. Ze legt haar broodje terug op het bord, neemt de iPad in beide handen en leunt achterover in haar stoel.

Toch blijft ze naar hem kijken. Hij heeft de pot in het licht gehouden, bestudeert het etiket. ‘Over dikmakers gesproken,’ zegt hij, meer tegen zichzelf dan tegen haar, haalt zijn schouders op en draait de dop eraf. ‘Liever te dik in de kist dan een feestje gemist.’ Zijn mes tikt tegen het glas. Vrolijke, snelle halen langs de randjes. Hij gebruikt de restjes die zij altijd vermijdt.

Dit keer is ze te laat. Het oogcontact is er al.

Zijn mes tikt tegen het glas. Vrolijke, snelle halen langs de randjes. Hij gebruikt de restjes die zij altijd vermijdt.

‘Hoef je niet meer?’ zegt hij.

Ze maakt een vragend geluid.

‘Je broodje,’ zegt hij.

‘Misschien straks.’

‘Wat zit erop?’

Stroomnet kan hoeveelheid zonnepanelen niet-

‘Veer?’

Ze trekt haar ogen van het scherm.

‘Stoor ik?’ vraagt hij.

‘Valt mee,’ zegt ze.

‘Laat ook maar zitten.’

‘Zeg nou maar.’

‘Wat heb je erop?’

Ze kijkt naar het verlaten broodje op haar bord.

‘Nee, wacht. Laat me raden.’ Hij legt het kapje van zijn pistoletje bovenop de mayonaise. ‘Pindakaas,’ zegt hij en legt zijn hand plat op het kapje. ‘Misschien moet je een keer wat anders proberen.’ Terwijl zijn hand het kapje heel langzaam omlaag drukt, houdt hij het oogcontact vast. ‘Iets anders dan pindakaas, bedoel ik.’ Het krakende korstje leidt hem af. ‘Jeetje.’

Dit is het moment waarop zij moet vragen wat er is, zodat hij kan zeggen dat hij de broodjes bedoelt, hoe goed ze zijn gelukt, hoe handig hij is met de combi-magnetron.

Die vraag blijft uit, dus probeert hij het op een andere manier: ‘Hoe vind je ze?’

Het scherm van de iPad is uitgevallen.

‘De broodjes,’ zegt hij.

Ze haalt haar schouders op.

‘Geen mening?’

‘Ik had een bolletje.’

‘Je begon toch met een verse?’

Ze schudt nee.

‘Je hebt géén vers broodje genomen?’

Het lukt haar niet om opnieuw te antwoorden, nog eens te herhalen wat hij al weet. Ze tikt het scherm aan en scrolt verder.

‘Kijk,’ zegt hij.

Ze probeert een kop te lezen.

‘Veer.’

Hoewel ze de woorden goed kan zien, zelfs apart van elkaar begrijpt, leveren ze samen geen geheel op.

‘Vera, kijk dan.’

Met moeite krijgt ze haar kin omhoog. Hij heeft het broodje naar haar opgehouden, als een kind dat zijn zwemdiploma laat zien. ‘Ja,’ zegt ze.

‘Hapje?’

Weer schudt ze nee. ‘Dank je,’ voegt ze eraan toe.

‘Eén hapje,’ zegt hij en komt al overeind. Legt een knie op zijn stoel en leunt over de tafel.

Ze bijt in het kontje.

‘En?’ vraagt hij.

‘Nou.’

Als hij op het punt staat om zelf een hapje te nemen, houdt hij het pistoletje toch weer van zich af.

‘Tomatenketchup,’ zegt hij.

Het pistoletje maakt een zachte landing op zijn bord. Tijdens de daling is er een stukje ei tussenuit gevallen dat hij met zijn pink oppakt en in zijn mond stopt. Zijn manier van bewegen naar de keuken zou je huppelen kunnen noemen. Met de koelkastdeur in zijn hand gaat hij de planken langs, de laden, de bakjes, en voor de zekerheid nog een keer.

Dit is het moment waarop zij moet vragen wat er is, zodat hij kan zeggen dat hij de broodjes bedoelt, hoe goed ze zijn gelukt, hoe handig hij is met de combi-magnetron.

‘Shit,’ zegt hij.

In de toon klinkt een vraag door. Toch is het woord geen vraag. Als hij een vraag heeft, dan moet hij die stellen.

‘Hebben we niet meer?’

Ze beantwoordt zijn blik.

‘Tomatenketchup.’

‘Wat is daarmee?’

‘Hebben we dat nog?’

‘Dan moet je kijken.’

‘Ik zie het nergens.’

‘Dan zal het er niet zijn.’

Hij laat zich door zijn knieën zakken, kreunend. Als hij terug op zijn plek zit, vraagt hij: ‘Ook niet in de voorraadkast?’

Ze ziet nu ook de woorden op het scherm niet meer, alleen nog vage kleuren.

‘Veer?’

‘Ik zou zeggen: loop er even heen.’

Hij schrikt. En hij is te laat om het te verbergen.

Ze wil dat hij iets terugzegt, op dezelfde toon of nog veel agressiever. Dat het uitmondt in ruzie, verwijten die over en weer gaan, beledigingen die uit een steeds dieper verborgen frustratie komen, dat het vuil dat op de bodem ligt te rotten naar de oppervlakte wordt geschreeuwd.

Maar hij zegt niks terug. Hij heeft zijn houding weer gevonden. De wijze van de twee, die de ander een momentje gunt. En hoewel dat haar nog bozer maakt, wordt de woede verdreven door een schuldgevoel dat ergens onderin haar buik langzaam omhoog kruipt.

Als hij met lege handen terugkeert van de voorraadkast, geeft ze de curry aan.

‘Dat is curry,’ zegt hij en het schuldgevoel is verdwenen.

‘Goed gezien.’

‘Ik zoek tomatenketchup.’

‘Ketchup, bedoel je.’

‘Wat zei ik dan?’

Ze neemt een slok van haar thee.

‘Nou?’

De wanhoop waarmee hij zijn gelijk wil krijgen.

‘Vera, ik praat tegen je.’

De iPad maakt een doffe klap op het tafelkleed.

‘Wat?’ vraagt hij.

‘Jij zegt tomatenketchup, inderdaad.’

‘Nou dan.’

‘In tegenstelling tot de rest van Nederland.’

‘Wat is er met jou aan de hand?’

‘Ik wil dat je ketchup zegt. Gewoon ketchup, in plaats van dat achterlijke tomatenketchup. Dat is er met mij aan de hand.’

Hij vouwt zijn handen om zijn mond, alsof hij door een pion spreekt. ‘Tomatenketchup.’

Een kramp schiet op hetzelfde moment in verschillende delen van haar lichaam: in haar schouders, in haar kaken, in haar vingers; haar hand pakt haar glas en gooit de thee in zijn gezicht.

Eerst is er de schrik, zijn ogen die naar houvast zoeken, een punt om tot rust te komen. Dan, met zijn armen naast zijn lichaam, de handpalmen omhoog, alsof hij voelt of het regent, kijkt hij naar zijn doorweekte shirt.

‘Sorry,’ zegt ze.

Hij komt overeind, loopt naar de keuken. Boven de gootsteen wringt hij zijn shirt uit. Ze staat op om een handdoek te halen.

Als ze weer zit en hij nog staat, zegt hij: ‘Om ketchup.’

‘Tomatenketchup,’ zegt ze, maar hij lacht niet mee.

‘Gelukkig vind jij het allemaal hartstikke leuk.’

‘Sorry.’

Hij gaat weer zitten. ‘Dat had je al gezegd.’

‘Wat wil je dat ik doe?’

‘Ik wil dat je een beetje normaal doet. Laten we daar eens mee beginnen.’

Hij schuift zijn bord terug, tikt met een vinger op het pistoletje. ‘Die kunnen we weggooien,’ zegt hij en schuift het bord weer van zich af. ‘Ik ben uitgegeten.’

‘Je kan ook overdrijven.’

‘Overdrijven, dacht je?’ En weer gaan die handen omhoog, nu met de vingers strak naar beneden, wijzend naar zijn shirt.

Conflicten hebben ze eerder gehad, maar die hadden altijd betrekking op iets anders. Een lekkende douchekop, een zeurende schoonmoeder; altijd een onderwerp waar ze samen naar konden kijken, waardoor ze wisten dat het gevaar zich op een andere plek bevond, nooit tussen hen in.

‘Wie is hier nou degene die overdrijft? Jij wordt woest omdat ik tomatenketchup zeg. Fucking tomatenketchup.’ De pion is terug. ‘Tomatenketchup.’ Zijn hoofd draait naar links. ‘Tomaten.’ En naar rechts. ‘Ketchup.’ Hij laat zijn armen in zijn schoot vallen en ze ziet dat hij even niet weet hoe hij moet zitten.

Jij wordt woest omdat ik tomatenketchup zeg. Fucking tomatenketchup.

‘Wat nou?’ zegt hij.

Ze geeft geen antwoord.

‘Wat is er nou?’

Ze blijft hem aankijken.

‘Doe niet zo raar.’

Hij slaat zijn armen over elkaar, trekt ze weer uit de knoop en legt ze terug in zijn schoot.

‘Wat probeer je nou te doen?’ vraagt hij.

Iedere seconde lost er een laagje van hem op, en wat er overblijft is niet om aan te zien.

Ze doet alsof ze wakker schrikt.

‘Sorry,’ zegt ze.

Hij zegt niks terug.

‘Sorry,’ zegt ze nog een keer.

‘Ja, dat weet ik nou wel.’

Er valt een stilte die aan haar trekt, en waartegen ze zich uit alle macht verzet.

‘Zullen we afruimen?’ vraagt ze.

Hij knikt. ‘Laten we dat maar doen.’

 

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net. Lees hier de Lebowski Blog. 

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven