Flickr / Shubert Ciencia

Tussen blind geloof en onredelijke angst

“You can fool some of the people all of the time, and all of the people some of the time, but you cannot fool all of the people all of the time.”

Deze uitspraak van Abraham Lincoln, de 16de president van de Verenigde Staten, lijkt niets aan actualiteit te hebben ingeboet. We kunnen haar probleemloos toepassen op onze tijd, waarin de transparantie van onze maatschappij voor velen reden tot optimisme is. Welke persoon met kwade bedoelingen is nu nog in staat die geheim te houden? Maar toch: hoeveel ook openbaar is, je weet natuurlijk nooit wat je niet weet. En dat kan beangstigen.

Is openheid goed of slecht voor ons vertrouwen in instituties?

Wat voor gevolgen heeft die transparantie voor het gezag? Is al die openheid goed of slecht voor ons vertrouwen in instituties? Als het waar is dat het vertrouwen in de wetenschap en politiek afneemt: wat zouden we daar dan aan kunnen doen? Dat is geen gemakkelijke vraag – want vertrouwen is een complex en glibberig onderwerp. Om iets meer grip hierop te krijgen wil ik, naar voorbeeld van de socioloog Luhmann, voorstellen dit begrip op te splitsen in trust en confidence. ‘Trust’ heb je in situaties waarin je moet geloven dat een ander doet wat je verwacht of wat hij beloofd heeft, ‘confidence’ stoelt op kennis over diegene; en dat veronderstelt transparantie.

We willen onszelf liever niet als naïef beschouwen. Toch is ons vertrouwen vaak gebaseerd op ‘trust’ – anders zou het leven onleefbaar worden. Denk aan de talloze interacties die je hebt gehad met anderen in het verkeer om hier te komen. Daarbij vraag je, de neuroten uitgezonderd, niet steeds naar het track record of rijbewijs van de ander. Stel dat iemand je vertrouwen beschaamt door je aan te rijden. Je komt gewond terecht in het ziekenhuis. Dan treed je daar, neuroten daargelaten, niet met de arts in discussie over de techniek van het hechten. In ons dagelijks leven, vertrouwen we dus regelmatig ‘blind’ op de kennis en expertise van anderen.

Vertrouwen in de zin van ‘confidence’ doe je op basis van objectieve gegevens over – of eerdere ervaringen met - een persoon of een instituut. Uw eventuele chauffeur is ongetwijfeld ‘gecheckt’ op rijbewijs en rijervaring. De arts die u moet hechten heeft ooit bewijs van onderwijs en expertise moeten aanleveren bij het ziekenhuis waar hij werkt.

In de organisatie van de wetenschap is de nadruk verschoven van trust naar confidence. De universiteit stelt bijvoorbeeld doelen ten aanzien van de hoeveelheid publicaties en de hoeveelheid afgestudeerde excellente studenten. Toevallig moest ik als werknemer van Tilburg University onlangs mijn nevenactiviteiten opgeven. Mijn universiteit wil weten wat ik doe, in het kader van de “wetenschappelijke integriteit”. Schieten we daar iets mee op? Ja. Deze maatregelen hebben ervoor gezorgd dat de vrijblijvende cultuur op universiteiten een beetje is verdreven. We zien minder academische fossielen die al jaren geen artikel meer hebben geschreven en minder eeuwige studenten die nog nooit een studiepunt hebben gehaald.

Een universiteit met te veel nadruk op ‘confidence’ is echter geen goede zaak. Die raakt afhankelijk van schijnzekerheden. Een professor die publiceert aan de lopende band voldoet aan de doelstellingen, maar is daardoor nog niet automatisch een goed wetenschapper. Juist een ‘confidence-klimaat’ kan bovendien ongewenst gedrag in de hand werken. De stap van wetenschap als productie naar fraude is niet groot (ook dat weten we in Tilburg). Kennelijk is zekerheid soms niet genoeg. Kennelijk moeten we soms ‘geloven’ in de integriteit van de wetenschapper.

De situatie in de wetenschap is niet uniek. Ook in de zorg, het bedrijfsleven en bij de belastingdienst is men vertrouwen gaan zien op de ‘confidentiële’ manier. Vermoedelijk heeft dit te maken met de zogenaamde “risico-regel-reflex” van de politiek: wanneer een risico zich verwerkelijkt (als ergens de pleuris uitbreekt) dan lijkt de enige adequate reactie meer controle in de vorm van regels te zijn. De politiek heeft dan moeite om niets te doen, om ‘trust’ op te brengen.

Wetenschappers zijn verantwoordelijk voor hun bevindingen. Politici hebben een andere verantwoordelijkheid. Ze zijn verantwoordelijk voor beloftes, maar moeten ook, achteraf, verantwoording afleggen voor de gevolgen daarvan. Het is dus begrijpelijk dat politici de neiging hebben zichzelf in te dekken; met regels, extra toezicht, transparantienormen en integriteitscodes gaan zij risico’s te lijf.

De confidencesamenleving is inefficiënt, weinig creatief en angstig.

Misschien moeten we als samenleving strenger toezien op deze ‘indekkingsneiging’ van politici. Misschien moeten we ze juist meer ruimte geven. Zeker is dat ‘confidence’ kan doorslaan in een onleefbare en vertrouwen-loze samenleving die zich overmatig bezig houdt met het indekken tegen risico’s. Die  confidencesamenleving is inefficiënt, weinig creatief en angstig. Een teveel aan ‘trust’ is echter ook ongewenst. Een kritische cultuur is waardevol en dwingt ons scherp te blijven. ‘Trust’ kan beschaamd worden en achteraf onterecht blijken. Juist in een politieke context is het belangrijk dat ‘outsiders’ kunnen participeren en ‘insiders’ gecontroleerd kunnen worden. Trust mag dus geen blind vertrouwen worden.

We moeten per situatie dus de ruimte houden om te beoordelen welk vorm van vertrouwen het meest geschikt is. Het gaat andermaal om balans: tussen onredelijke angst en blind vertrouwen. In de woorden van Lincoln: ‘Be sure you put your feet in the right place, then stand firm’.

Deze column werd door Karsten Meijer voorgedragen tijdens Coolpolitics 'Time to Talk #2: Power of Trust' op 24 april 2014 in het NRC Café in Amsterdam.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven