Flickr / C.P.Storm

Uittocht

Terwijl Linus op het bovendek van de veerboot plaatsneemt, kruipt een van de zinnen die zijn jeugd bepaalde in zijn hoofd.

“Jij kunt niet zeggen dat je honger hebt, Linus, jij hebt nog nooit echt honger gehad”.

De zin nestelt zich achter zijn voorhoofd, grijpt zich vast aan de haarzakjes waaruit zijn wenkbrauwen groeien.
In een uitgestorven speeltuin vertelde zijn vader hem voor het eerst dat hij geen honger had. Hij was zes. Zijn vader plaatste honger op dat moment in een grotere context. Verbond het met onrechtvaardigheid, met verdroogde landschappen in Midden-Afrikaanse landen, het mocht niet simpel de verwoording zijn voor het gevoel ‘rammelende maag’.
Linus had het niet begrepen, maakte er nadien een sport van zo vaak mogelijk te zeggen dat hij ‘echte’ honger had. Hij hoopte zijn vader van zijn gelijk te overtuigen. Het lukte nooit.
Twee jaar na de confrontatie in de speeltuin besloot hij zijn vader niet meer te horen. Het had geen zin. Als de mensen niet naar jou luisteren, is het ook niet nodig om naar de mensen te luisteren, dacht hij. De wereld begon vanaf toen om hem heen te bewegen. Er blijft verrassend veel ruimte over als je niet luistert.

De rook van zijn sigaret kringelt in een vluchtige spiraal omhoog, na een paar seconden onzichtbaar tegen het vochtige grijs dat de veerboot omhult. De lage lucht lijkt Linus plat te willen drukken. Hij moet weg, verdwijnen, zoveel is duidelijk. De veerboot beweegt schokkerig de haven uit. As van de sigaret valt op het been van de man naast hem. Terwijl hij zijn gezicht in een “het spijt me” plooi trekt , haalt hij zich het begin van zijn uittocht weer voor de geest.

Een paar weken geleden bevond hij zich vroeg op de avond in het café op de hoek van de straat waar hij woont.
Het café is er een van dertien in een dozijn. Er ligt zand op de vloer, er is een deur die krakend verhaal doet van iedereen die er binnenkomt. Het licht valt er door hoge ramen in rechte stralen op de bar, op de leren kussenhoezen, op de planken met flessen aan de muur. Zijn vriendin was thuis, ze had de deur op slot gedaan, er was ruzie geweest.
Aan de bar zaten twee oudere mannen, een van hen had een roodblonde snor waar druppels bier in staken. Hij liet ze zitten, ze leken hem niet te deren.

Hij hoopte zijn vader van zijn gelijk te overtuigen. Het lukte nooit.

Samen met hen vormde Linus meestal de vaste bezetting van de kroeg. Die avond was hij aan tafel gaan zitten, had een boek opengeslagen. Er klonk geen muziek, de barman poetste de glazen met een theedoek.
Linus bestelde zijn drank door zijn hand op te steken, zoals hij dat altijd deed. Ze kenden hem, daar achter bar, ze wisten wat hij drinken wilde. Terwijl hij naar de letters op pagina zevenenvijftig keek, spitste hij zijn oren. Zo kwam het dat hij verdwaald was geraakt in het gesprek van de mannen aan de bar en na een half uur nog altijd de bladzijde niet had omgeslagen.
Ze spraken over de inbraak in de winkel tegenover het café. De deur was opengebroken met een koevoet. Een week geleden had het misdrijf plaatsgevonden, er was nog geen dader aangehouden. De buurtbewoners werden een voor een geïnterviewd. Linus was de dans ontsprongen, was voor zijn werk in Parijs geweest.

‘Ik heb niets gezien.’ Zei de man met de biersnor.

‘Kon ze dus niets vertellen.’ Voegde hij er aan toe. Zijn bargenoot schraapte zijn keel. Linus’ oren spitsten zich nog wat meer.

‘Je moet het niemand zeggen, maar ik weet wie het was.’

‘Wat?’

‘Ja. Ik liep er net langs, met de hond. Lastig beest, moet er middenin de nacht nog uit.’

‘En je hebt niets gezegd?’

‘Nee. Ik kon het niet.’

‘Kennen we hem?’

‘Ja.’

Het bleef stil. Linus sloeg de bladzijde om, probeerde zich te concentreren op wat pagina achtenvijftig hem te vertellen had.

‘Je kunt het nu zeggen, ik ben de enige die luistert, de muren hebben hier nog geen oren.’ Zei de man met de snor.

‘Nummer vierentwintig, de zoon.’ De stem klonk zacht, alsof de spreker er moeite mee had de woorden hardop te zeggen.

‘Weet je het zeker?’

‘Ja.’

Linus dacht na. Wie woonden er ook alweer op nummer vierentwintig?
De mannen vroegen de rekening, de barman noemde het bedrag dat ze hem schuldig waren alsof er niets aan de hand was. Linus sloeg voor de vorm nog een pagina om. Wat moest hij met de informatie? De eigenaar van de winkel was in zak en as door de inbraak, wist niet waar hij het zoeken moest. Plots doemde het beeld van de zoon van nummer vierentwintig voor hem op. Een mager joch van een jaar of zestien.

Wat moest hij doen?

Een week geleden had het misdrijf plaatsgevonden, er was nog geen dader aangehouden.

Hij wachtte nog een half uur, legde toen geld op de bar, hief zijn hand op naar de barman.
Buiten draalde hij rond, rookte vier sigaretten, keek naar de gebarricadeerde deur van de winkel tegenover het cafe. Als vanzelf vonden zijn voeten na een tijdje de weg naar het politiebureau, een paar straten verderop. Daar deed hij zijn verslag, vertelde de rechercheur wat hij in het café had gehoord. Ze zouden hem op de hoogte houden.
Later op de avond- zijn vriendin had de deur om een uur of tien alweer open gedaan- werd er gebeld.
Zij had de telefoon aangenomen, knikte een paar keer, keek verbaasd. Linus keek haar aan, zag haar lippen snel bewegen.

‘Hoe bedoelt u?’ Vroeg ze. Linus maag trok zich samen.

‘Mijn man?’ Wat werd er aan de andere kant gezegd? Wie belde er?

‘Het is onmogelijk. Mijn man heeft niets gehoord in het café.’ Haar stem sloeg een octaaf over. Linus stak een sigaret op, inhaleerde zo diep dat het hem even duizelde. Zijn vriendin keek hem aan, haar ogen wijdopen.

‘Waarom niet? U wil weten waarom niet?’ Ze sloeg met haar vuist op de eettafel.

‘Omdat hij op zijn achtste doof is geworden. Daarom niet.’

Ze legde de hoorn op de haak. Keek hem aan, sloeg weer op tafel. In haar ooghoeken blonken tranen.

‘Ik wil dat je nu gaat. Ik wil dat je gaat.’ Zei ze.

En hij ging.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven