Information overload / Flickr

Van memento mori naar onverdroten vergetelheid

The Death of WritingTom McCarthy2015
Western Attitudes toward Death from the Middle Ages to the Present Philippe Ariès1974
Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das LebenFriedrich Nietzsche1874

In een recent stuk in The Guardian vraagt schrijver Tom McCarthy zich af wat zijn rol en die van zijn collegae nog is in onze van data verzadigde wereld. Omdat algoritmes automatisch onze woorden en daden optekenen in het grote boek van de geschiedenis, is het ontrukken van menselijk handelen aan de vergetelheid niet meer aan schrijvers.

Waar we zijn, wie we spreken, wat we zoeken, kopen en leuk vinden, en wat de mensen die we spreken zoeken, kopen en leuk vinden: het wordt allemaal vastgelegd. De rol die de schrijvers volgens McCarthy rest is ‘ultraparadoxaal’ en ‘zombie-achtig’, omdat hun klassieke bestaansrecht als chroniqueurs vervalt. Grotere bescheidenheid valt de schrijvers daarmee ten deel, maar McCarthy weigert zich daar al te treurig over te maken. Waar schrijvers zich in het verleden een unieke en onmisbare rol aanmaten als optekenaars van het verleden, lijkt in de huidige tijd juist een unieke positie te behalen in ‘het vergeten’. Zou er in deze van gegevens vergeven wereld inderdaad de neiging bestaan om juist géén sporen achter te laten?

De vraag is wat breed, niettemin is het signaleren van neigingen onder ‘de mensen’ een academische hobby met een respectabele traditie. Deze werd met verve beoefend door de historici van de Annales-school vanaf het midden van de vorige eeuw. Zij schreven over veranderende mentalités gedurende lange tijdsperiodes, die ze reconstrueerden aan de hand van socio-economische gegevens en kunstuitingen, beschrijvingen waaraan een flinke dosis interpretatie werd toegevoegd. Een voor dit verhaal zeer relevant sujet binnen hun gelederen, Philippe Ariès, schreef in de jaren zeventig Essais sur la mort en Occident en L’homme devant la mort. Aan de hand van een keur aan bronmateriaal, waaronder grafmonumenten, probeert hij te beschrijven hoe westerse attitudes ten aanzien van de dood zich sinds de vroege middeleeuwen hebben ontwikkeld. Volgens Ariès bestaat er een verband tussen onze houding ten aanzien van de dood en ons idee van onszelf. Hij verbindt bijvoorbeeld het vermelden van de naam van een overledene op diens laatste rustplaats aan het groter belang dat wordt gehecht aan het individu gedurende de vroege middeleeuwen.

Bij onze verplichting gelukkig te zijn zit de dood alleen maar in de weg

Ariès constateert in de eerste helft van de twintigste eeuw een afnemende omvang van post-mortem rituelen. Rouwdracht raakt uit zwang, al te heftige emoties zijn steeds minder acceptabel – zeker als er kinderen bij zijn – en het leven van de nabestaanden dient zo normaal mogelijk verder te gaan. In de ogen van Ariès symboliseert de westerse opkomst van cremeren een radicale poging de doden uit het leven te doen verdwijnen. Dit idee onderbouwt hij met de observatie dat urnen niet worden bezocht, of dat de as wordt uitgestrooid. Volgens Ariès is deze ‘omarming van de vergetelheid’ een symptoom van een samenleving waarin de dood taboe is geworden, omdat de verplichting bestaat gelukkig te zijn. De dood zit daarbij alleen maar in de weg, en wordt zo netjes mogelijk weggeredigeerd.

Als Ariès nog had geleefd, hoe had hij de meest recente ontwikkelingen in onze begraafmethodes, te weten green burials, dan geïnterpreteerd? Op een Amerikaanse website die tekst en uitleg geeft over green burials of natuurbegrafenissen, leest men de montere tekst: ‘After all, if you gotta go, why not go green?’ Natuurlijke teraardebestellingen draaien erom het milieu zo licht mogelijk te belasten en de omgeving zo min mogelijk te verstoren. Op een natuurbegraafplaats zijn dus geen zerken te zien. Ofwel de graven worden gemarkeerd met kleine, platliggende bordjes, ofwel met een natuurlijk object, of helemaal niet. Ook andere nieuwerwetsigheden zoals ‘resomeren’ of ‘cryomeren’ zijn erop gericht de natuur zo min mogelijk te dwarsbomen. Resomeren gebeurt in een aantal staten van de VS, en bestaat eruit een lichaam op te lossen in water en kaliumhydroxide, waarna de broos geworden botten eenvoudig kunnen worden verpulverd, en het eindresultaat sterk op dat van een crematie lijkt. Cryomatie, dat nog nergens gebeurt, bestaat onder meer uit een vriesdroogproces, en net als bij resomeren kunnen metalen worden teruggewonnen en kan de doodskist worden hergebruikt. Het enige restproduct is ongeveer twintig kilo stof dat in een jaar tijd kan worden gecomposteerd. Opgeruimd staat netjes.

Deze moderne begraafmethodes zijn mijlenver verwijderd van voor de eeuwigheid bestemde marmeren tombes met de uitgebeitelde beeltenis van de dierbare overledene in volle glorie. Maar wel minder belastend voor het milieu, en het bestaansrecht van funeraire fratsen die geen sporen nalaten, bestaat in hun geringe CO2-uitstoot. Een interpréteur als Ariès zou daar bepaalde conclusies over ons zelfbeeld aan vastknopen. Dat zelfbeeld zou een negatief zelfbeeld zijn: het leven an sich is geen CO2-neutrale aangelegenheid – het record ademinhouden staat op naam van een Deense freediver en bedraagt een luttele 22 minuten – en de neiging om onze uitstoot tegen ons einde tot een minimum te beperken wijst erop dat we een beetje met onszelf in de maag zijn komen te zitten. Om de woorden te recyclen van theatermaker Tankred Dorst: ‘Wer lebt, stört’ – wie leeft, verstoort. Onze focus ligt in toenemende mate op het niet verstoren van het milieu of onze eigen gezondheid, en daarvoor is het belangrijk bepaalde zaken te laten. Zoals niet naar Honolulu vliegen en geen dressing over je salade gieten. In een groen themanummer van damesblad ELLE stond ooit een praktisch advies om een dag zo klimaatneutraal mogelijk door te brengen: blijf gewoon de hele dag in bed!

De grafzerken van Ariès en de Cloud van McCarthy komen bij elkaar in het idee dat het in ons virtuele tijdsbestek weinig zin heeft om een gedenkteken achter te laten op een druilerig kerkhof: je nabestaanden zitten toch binnen achter een scherm of twee. Daar kunnen ze immers veel meer herinneringen aan het leven van een geliefde oproepen: de foto’s van je vorige vakantie, de quote uit Trainspotting die je zo aansprak, en je recensie van de racefiets waarop je uiteindelijk in een Italiaans ravijn zou storten.

Dit dataspoor verschilt echter wezenlijk van dat van een Annales-historicus, vanwege het feit dat het niet door mensen is gegenereerd en er geen bewuste beslissingen aan te pas komen. Niemand bepaalde wat de moeite waard is na een leven te onthouden (denk aan wat McCarthy het automatisch geschreven boek van het verleden noemt). Een automatische selectie is natuurlijk ook een selectie, maar de beslissing is uit menselijke handen verdwenen. Dit idee heeft iets ongemakkelijks: juist redactionele beslissingen genieten het voorrecht te bepalen wat wel en niet de moeite van het onthouden waard is, en bepalen dus indirect welk soort handelen de moeite waard is, in welk handelen we iets menselijks herkennen. Misschien verdrinken zonder onze tussenkomst hartverscheurend mooie e-mails tussen de Marktplaatsaankopen, dierbare overledenen tussen de compost en de drang grootse, meeslepende daden te stellen in een zee aan negatieve gevolgen voor het milieu.

We verliezen iets als we onze beslissingen baseren op schadeloosheid

Over het belang van een bewust geconstrueerde versie van het verleden schreef Friedrich Nietzsche in 1874 het essay Vom Nutzen und Nachteil der Historie für das Leben. Vaak wordt dit werk aangehaald als lofrede op de vergetelheid, maar wezenlijk is het een pleidooi voor een actief soort vergeten. Een vergeten waardoor wat wél herinneringswaardig is des te beter uit de verf komt.

Nietzsche ageerde niet tegen een wereld waarin onthouden niet meer hoeft omdat alles opzoekbaar is, maar tegen een vorm van geschiedschrijving die claimde het verleden weer te geven ‘wie es eigentlich gewesen’ was. Nietzsches selectieve geheugen is dat wat in McCarthy’s toekomstbeeld geen rol meer speelt. Op een bepaalde manier geldt dit ook breder, voor degenen die zich niet met het verkennen en vastleggen van onze ervaringen bezighouden, daarin beslissen wat wel en niet de moeite waar is, maar ook voor degenen die beslissen wat wel en niet de moeite van het doen waard is: wij allemaal.

Mocht het niet alleen de toekomst van het schrijven zijn die steeds zombie-achtiger wordt, maar ook de toekomst van het bestaan, dan hebben we in ieder geval de mazzel dat geresomeerde zombies waarschijnlijk niet schadelijk zijn voor de volksgezondheid. Maar aan het idee dat we ook iets verliezen door onze eigen beslissingen zo veel mogelijk te baseren op schadeloosheid, kan men zich toch moeilijk onttrekken. En de filosoof die minder dan wie ook bekend staat om zijn bescheidenheid – en heel klassiek is begraven onder een flink stuk graniet – blijkt uitermate geschikt om een bepaalde koppigheid aan te wakkeren. De koppigheid die in onze van gegevens vergeven wereld blijkbaar nodig is om tegen beter weten in woorden wel uit te kiezen, op te schrijven, een alinea te deleten, en uiteindelijk het verhaal misschien zelfs af te drukken.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Heel mooi stuk. Deed me al snel denken aan een project dat recentelijk gestart is door een groep MIT'ers: eterni.me. Hun doel is een systeem te maken dat, vanuit jouw input, een avatar van jezelf opbouwt waarmee mensen na je dood nog kunnen communiceren. "Who wants to live forever?" Mij mogen ze overslaan, maar het project is doodserieus en zit niet slecht in elkaar.

    Verder ben ik het niet helemaal eens met het idee dat ons moderne dataspoor niet door onszelf gegenereerd zou zijn. Als je ook maar één mail binnen wilt krijgen op een nieuw mailadres (de welkomstmail uitgezonderd) zal je toch echt wat kleine keuzes moeten maken. Automatische berichten en nieuwsbrieven zijn überhaupt niet te rekenen tot ons dataspoor. Dat soort dingen zijn slechts ruis, iets dat ook zonder menselijke tussenkomst weg te filteren is.

    En wat is Google, meer dan een verzamelaar van door mensen gegenereerde content? Als er één tijdperk is waarin er veel geschreven wordt, is het het digitale tijdperk wel. Iedereen heeft nu de mogelijkheid om zichzelf te uiten in de vorm van tekst. Het enige 'probleem' is dat de stortvloed aan nutteloze, maar desalniettemin door mensen gegenereerde, content onze hersenfilters wel eens wilt overbelasten.

    En wat dacht je van de honderden, duizenden of misschien wel tienduizenden comments die iemand in zijn leven op het internet achterlaat? Neem deze bijvoorbeeld. Hoezo zegt deze kleine tekst minder over mij, na mijn overlijden, dan een in de grond gedumpte kist?

    Natuurlijk zijn de charmes van het kerkhof onmiskenbaar, maar de lijken die daar liggen blijven slechts fysieke, rottende restanten van iemand die ooit werkelijk is geweest. Het feit dat wij dit deel van het traditionele doodgaan tegenwoordig liever overslaan, betekent niet per se dat de vergetelheid eindelijk massaal omarmd wordt.

    Misschien zijn we gewoon te druk bezig met schrijven, in een poging onszelf onsterfelijk te maken (zoals altijd al gedaan is), om het ritueel van het begraven nog serieus te kunnen nemen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven