Wikimedia Commons

Van wie is de Europese rechtsstaat?

De strijd om rechtstatelijke beginselen binnen de Europese Unie krijgt de laatste tijd veel media-aandacht. Nadat Polen al eerder in de beklaagdenbank werd geplaatst door de Europese Commissie, heeft het Europees Parlement onlangs besloten om óók Hongarije aan te pakken. In het rapport van Judith Sargentini, dat aanleiding vormde om de Artikel 7 procedure van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) te activeren, wordt haarfijn uitgelegd hoe in Hongarije de rechtstaat wordt uitgekleed. De rechterlijke onafhankelijkheid wordt ondermijnd, vertrouwelingen van de regeringspartij nemen het staatsapparaat over en de oppositie en onafhankelijke media worden in hun werkzaamheden belemmerd. In Polen is eenzelfde proces aan de gang.

Het is dus inderdaad hoog tijd dat de EU ingrijpt, zou je denken. In veel kranten werd jubelend gereageerd op het inzetten van de artikel 7 procedure, die ook wel de ‘nucleaire optie’ wordt genoemd. Ook de recente uitspraak van het Europees Hof, waarin het Polen opdroeg ontslagen rechters weer aan het werk te zetten, kon op veel instemming rekenen. Tegelijkertijd lijkt het in de media vaak niet duidelijk te zijn wat de Europese Unie precies kan doen tegen lidstaten die de rechtsstaat blijken te ondermijnen. Wat houdt de Artikel 7-procedure in, en wat is de ratio achter deze procedure? En biedt het activeren van deze procedure wel een oplossing om de rechtsstaat in Europees verband te handhaven?

 

In veel kranten werd jubelend gereageerd op het inzetten van de artikel 7 procedure, ook wel de ‘nucleaire optie’ genoemd

Laten we eerst een stap terugnemen: op grond waarvan heeft de EU de bevoegdheid om zich over het rechtsstatelijke karakter van de lidstaten uit te spreken? Deze bevoegdheid is te herleiden tot het Verdrag van Maastricht uit 1992. In dit verdrag werd voor het eerst bepaald op welke gemeenschappelijke waarden het Europese statenverband berust: de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat.

Het codificeren van deze waarden stond direct in verband met de val van de muur en het vooruitzicht dat de voormalig communistische landen van Oost-Europa tot de Unie zouden toetreden. De angst bestond dat in deze landen de Europese waarden niet diep genoeg verankerd waren. In 1997 werd daarom in Amsterdam besloten om een sanctiemechanisme in het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) op te nemen. Dit mechanisme maakt het mogelijk om lidstaten te bestraffen als zij de gemeenschappelijke waarden van de Unie veronachtzamen. Op basis van dit mechanisme konden de regeringsleiders met unanimiteit besluiten om een lidstaat te bestraffen, bijvoorbeeld door deze staat het stemrecht te ontnemen.

Niettemin zou al snel blijken dat deze procedure niet adequaat was. In 2000 kwam in Oostenrijk de extreemrechtse vrijheidspartij (FPÖ) van Jörg Haider aan de macht. Dit leidde onmiddellijk tot een cordon-sanitaire van de overige lidstaten van de EU: zij verbraken de diplomatieke betrekkingen met Oostenrijk. Na enkele maanden werd er een commissie van wijzen ingesteld om tot een oplossing te komen. Zij adviseerde om de bilaterale sancties tegen Oostenrijk op te heffen omdat deze geen effect sorteerden. Zo liep het conflict met een sisser af.

Deze ‘Haideraffaire’ maakt twee dingen duidelijk. Ten eerste bleek dat de lidstaten niet in staat waren om het conflict binnen de kaders van de Europese verdragen op te lossen: het sanctiemechanisme was niet geactiveerd, maar de landen hadden op eigen houtje gehandeld. Daarom was Oostenrijk zelf een van de landen die voorstelde om ook een preventiemechanisme in het VEU op te nemen. Op deze wijze zouden de regeringsleiders in de toekomst verplicht zijn om conflicten over waarden binnen de juridische verdragskaders op te lossen. Deze preventieve arm houdt in dat de regeringsleiders met een twee-derde meerderheid kunnen vaststellen dat in een van de lidstaten een ‘duidelijk gevaar’ bestaat voor ‘een ernstige schending van de gemeenschappelijke waarden’. Het verdrag verbindt echter geen sancties aan deze vaststelling.

 

Aan deze nuance gaan de media consequent voorbij

Aan deze nuance gaan de media consequent voorbij: zowel tegen Polen als Hongarije loopt momenteel de preventie procedure van artikel 7 lid 1 VEU, maar dit leidt niet tot een sanctie. Het ingrijpen van de Europese instellingen wordt dus groter gemaakt dan het is.

Daarnaast maakte de Haider-affaire ook duidelijk dat er geen consensus bestaat over wat de  gemeenschappelijke waarden van de Europese Unie inhouden. Had Oostenrijk de Europese waarden geschonden? Sinds het formuleren en het codificeren ervan 1992, is er nauwelijks discussie geweest over wat de begrippen democratie, rechtsstaat, gelijkheid en vrijheid werkelijk betekenen. Daarom kunnen Hongaarse en Poolse politici zich ook verdedigen met het argument ‘jullie rechtsstaat is de onze niet’. Zij stellen dat er simpelweg hervormingen van de rechterlijke macht plaatsvinden en dat de EU zich daar niet mee moet bemoeien.

Ook Viktor Orbán kan zich zo opwerpen als een moderne kruisridder die de christelijke waarden van het Europese Avondland beschermt tegen het rampzalige immigrantenbeleid van West-Europese lidstaten. Politiek filosoof Luuk van Middelaar analyseerde de situatie als volgt: formele kritiek op het uithollen van de democratie en de rechtstaat in landen als Hongarije en Polen loopt over in inhoudelijke kritiek op de standpunten die deze landen innemen over de islam en vluchtelingen. Dit verleidt veelal conservatieve commentatoren ertoe om het ontmantelen van de rechtstaat te vergoelijken, omdat zij op inhoudelijk gronden instemmen met het beleid van leiders als Orbán.

Toch zou het een vergissing zijn om te denken dat uitholling van de rechtstaat uitsluitend interne Hongaarse en Poolse aangelegenheden zijn. Zoals onze premier mooi verwoordde: “Wie de rechtsstaat uitholt, holt de interne markt uit. En wie de interne markt uitholt, holt de Europese Unie uit.” Zonder een onafhankelijke rechterlijke macht kan het EU-recht niet uniform worden toegepast in de lidstaten en dit ondermijnt de Unie als geheel. Door het activeren van de preventie procedure van Artikel 7 lid 1 VEU, maakt de EU in ieder geval duidelijk dat een functionerende rechtstaat – met een duidelijke scheiding tussen de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht – een absolute voorwaarde is voor EU-lidmaatschap.

Tegelijkertijd moet men niet verwachten dat de EU de Poolse en Hongaarse rechtstaat kan herstellen. De artikel 7 procedure haalt weinig uit. We zagen al dat aan de preventieve procedure geen sancties verbonden zijn. Ook het sanctiemechanisme biedt geen oplossing. Polen en Hongarije zullen wederzijds een veto uitspreken over eventuele sancties. Bovendien zullen strafmaatregelen er niet toe leiden dat de rechtstaat in deze landen hersteld wordt. Hoogstens zijn zij een middel om de Europese rechtsorde tegen autocratische invloeden te beschermen.

 

Bovenal dient daarom een discussie gevoerd te worden over wat de gemeenschappelijke Europese waarden zijn

De huidige situatie in Polen en Hongarije vereist dan ook een lange adem en veel geduld. Politieke en juridische procedures en mechanismes zullen maar tot op zekere hoogte een oplossing kunnen bieden. Uiteindelijk berust de rechtstaat op fundamenten die niet juridisch, maar sociaal en cultureel van aard zijn. Zij kan dan ook niet van bovenaf gehandhaafd worden, maar moet van onderop, vanuit de samenleving, worden gesteund. Als deze ontwikkelingen dan ook iets aangegeven, is het dat de liberale kernwaarden binnen Europa meer dan ooit onder druk staan.

Bovenal dient daarom een discussie gevoerd te worden over wat de gemeenschappelijke Europese waarden zijn en in hoeverre deze uniform moeten worden toegepast om de EU als geheel te laten functioneren. Zelfs formele kritiek op het uithollen van de democratie en rechtstaat mag deze inhoudelijke discussie over de toekomst van de EU niet in de weg staan.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven