Flickr / Patricia Drury

Vechten om een plek: de student tussen steun en verantwoordelijkheid

Dit jaar ontving Harvard 34.950 aanmeldingen voor het collegejaar 2011-2012. Ruim 93 procent van de aspirant-'Harvard men and women' moest teleurgesteld worden; slechts 2.158 van hen kreeg een aanbod. Meer dan een eeuw geleden ging dat heel anders. Toen adverteerden topuniversiteiten als Harvard University en Columbia University dagelijks druk in kranten om studenten te ronselen.In een advertentie in september 1870 bagatelliseerde Harvard nog de moeilijkheid van haar toelatingsexamen. De universiteit benadrukte dat van de 210 kandidaten die het toelatingsexamen hadden gedaan, er 185 waren toegelaten; een statistiek die hedendaagse prestigieuze universiteiten niet van de daken zouden schreeuwen. Wat de advertentie niet vermeldt, is dat kandidaten over indrukwekkende kennis moesten beschikken om het toelatingsexamen te halen. Aspirant-studenten moesten Engels naar Latijn en Grieks (met de juiste accenten!) kunnen vertalen en een uitstekende kennis hebben van geschiedenis,  aardrijkskunde, rekenkunde en algebra (degenen die willen weten of ze in 1869 voor Harvard toegelaten zouden zijn, kunnen hier(link) het originele toelatingsexamen doen) .

Gezien de toelatingseisen is het wellicht niet raar de topuniversiteiten hard moesten adverteren. Immers, in de negentiende eeuw had je al geluk als je de basisschool af kon maken. Niet veel mensen konden het zich permitteren om te gaan studeren, met als gevolg dat universiteiten weinig keus hadden als het ging om gekwalificeerde studenten. Pas in de jaren '60 kregen meer mensen de middelen om aan een gerenommeerde universiteit te studeren en werd de selectie steeds strenger.

Anno 2011 is er moordende concurrentie onder Amerikaanse scholieren om een plekje te krijgen op een respectabele universiteit. Amerikaanse scholieren werken keihard van jongs af aan om zoveel mogelijk buitenschoolse activiteiten te ontplooien en een zo mooi mogelijke cijferlijst te krijgen, zodat ze na de middelbare school naar een goede universiteit kunnen. Dat wordt echter steeds moeilijker.

In de laatste decennia is het aantal studenten explosief gestegen. Dit jaar studeren zo'n 19 miljoen Amerikanen aan een universiteit. Zelfs studenten die overgekwalificeerd zijn maken nauwelijks kans bij de uitverkorene zeven procent zitten die $40.000 per jaar mag overmaken aan een Ivy League universiteit. Veel scholieren zouden zich al gelukkig prijzen als ze een plekje krijgen op een universiteit die wat lager in de ranglijsten staat. Maar ook daar kan niet meer van worden uitgegaan. De vraag naar goed hoger onderwijs is veel groter dan het aanbod. Het collegegeld van veel universiteiten onderstreept dit: een jaar aan een middelmatige universiteit kost zo'n $20.000, maar mensen betalen het graag. En volgend jaar is het wéér duurder.

In Nederland kan momenteel iedereen met een VWO diploma nog een kwalitatief goede universitaire opleiding krijgen voor een vriendenprijsje. Echter, de Commissie Veerman raadt in het rapport 'Differentiëren in drievoud' aan om Californische universiteiten als voorbeeld te nemen. Het zou de kwaliteit van het hoger onderwijs ten goede komen als universiteiten zouden net als Berkeley of UCLA streng studenten zouden selecteren. Het gevolg hiervan is wel dat een gedeelte van de gekwalificeerde scholieren mogelijk niet aan de universiteit kunnen studeren, maar gedwongen naar een Hogeschool moeten gaan.

Als het Amerikaanse voorbeeld wordt doorgevoerd, wordt het in Nederland ook vechten om een plekje. Eenmaal binnen hoeft de concurrentiestrijd tussen studenten niet langer voort te duren, maar zou wel de kwaliteit van het onderwijs eens behoorlijk opgekrikt kunnen worden. Waar nu, grosso modo, geen tentamen met een redelijke voorbereiding onhaalbaar is, zou men weer naar een situatie toe kunnen waarin 60 ECTS per jaar halen daadwerkelijk een uitdaging is en een 6 weer garant staat voor afdoende kennis. Er is geen tijd meer voor een tweede studie en geen ruimte meer voor ongemotiveerde en incapabele studenten. Dit zou ook weleens positief kunnen bijdragen aan de vurig gewenste bezuinigingen in het hoger onderwijs.

Een groot minpunt van het Amerikaanse systeem is de hoogte van het instellingsgeld. De concurrentie mag dan wel moordend zijn om een plaats op een gerenommeerde universiteit te krijgen, maar deze moet dan wel alleen gericht zijn op kennis en intelligentie. Natuurlijk is het mogelijk om in de Verenigde Staten met een beurs op een van de topuniversiteiten terecht te komen. De concurrentie voor het bemachtigen van een studiebeurs is zo mogelijk nog moordender dan die voor de plek op de universiteit. Hiermee wordt toch een substantieel gedeelte van de talentvolle, maar minderkapitaalkrachtige studenten uitgesloten van een studieplek.

Er wordt hier geen pleidooi gehouden voor een systeem waarin elke differentiatie in de hoogte van instellingsgelden uitgesloten is. Men kan immers niet ontkennen dat de diploma’s van universiteiten als Harvard na het afstuderen een hogere marktwaarde vertegenwoordigd. Kortom, een hoger instellingsgeld kan binnen redelijke grenzen gevraagd worden, mits de omstandigheden dit rechtvaardigen. In het Nederlandse geval waarin het instellingsgeld voor een tweede master kan oplopen toen méér dan € 10.000,- is dit stellig niet het geval. De kwaliteit van het onderwijs is op het moment dusdanig dat de marktwaarde van het diploma de investering niet rechtvaardigt. Er zijn zeker argument om de student als onderwijsconsument te zien, maar een bedrijf dat zijn producten zo prijst dat de lijnen van vraag en aanbod elkaar niet kruisen zal failleren.

De geschiedenis en systemen in andere landen bieden genoeg, aangrijppunten zoals gedeeltelijk uit het bovenstaande blijkt. Met een eclectische benadering moet de huidige regering toch een beleid kunnen opstellen dat coulant is waar de student aan zijn broodnodige kennis moet worden geholpen en streng, rechtvaardig en redelijk (!) is waar overheidssteun aan de student zich buiten het terrein van het broodnodige begeeft.

Interessant om te zien: het aanmeldingsformulier van John Fitzgerald Kennedy.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Een vergelijking met de VS is onmogelijk omdat het universitaire systeem ingebed is in een bepaalde sociale omgeving. Wat ik bedoel is dat het bijvoorbeeld voor Amerikanen veel meer mogelijk is om zo'n hoog collegegeld te bepalen omdat zij veel minder belasting betalen en dus meer loon overhouden om te besteden. Zo geldt dat ook voor donaties van alumni: de VS heeft een cultuur waarin direct geld van alumni naar universiteit gaat, wij hebben een cultuur waarin wij dat via de belasting regelen. Als we universiteiten vergelijken op basis van de pluspunten van Ivy League universiteiten komt natuurlijk geen enkele Nederlandse universiteit ook maar in de buurt. Dat moeten we ook niet willen. Wij hebben ons eigen systeem en we moeten vanuit onze eigen kracht werken. Het Law College in Utrecht lijkt mij een goed voorbeeld hoe we uit ons eigen systeem het beste kunnen halen.

    Een tweede punt:
    Er wordt in dit stuk door de auteurs gesuggereerd dat het een schande is om naar de hogeschool te gaan als VWO-student. Dit is om meerdere redenen belachelijk. Ten eerste delen hogescholen bachelor-diploma's uit aan hun studenten, en worden hogescholen daarom in het buitenland gezien als universiteiten. Aangezien een vwo-student ook voor een bachelor-diploma zou studeren als hij naar de universiteit gaat zijn hogeschool en universiteit hierin gelijk. Niks geen schande dus.

    Dan kan je zeggen dat een hogeschool-bachelor toch makkelijker te halen is dan een universiteit-bachelor en dit is natuurlijk ook zo. Maar als je dat verschil accepteert moet je ook alle verschillen accepteren: een wiskunde-bachelor is moeilijker te behalen dan een rechten-bachelor, etc. De moeilijkheid van alle opleidingen kunnen gezien worden als een graduele schaal, waarin HBO-opleidingen naadloos aansluiten bij WO-opleidingen. Het is daarom geen verworvenheid van de vwo-scholier om toegelaten te worden op de universiteit: hij moet kunnen aantonen dat hij het waard is om aan de opleiding te beginnen.

    Afsluitende opmerking:
    Het is dit idee van verworvenheid dat de auteurs stilzwijgend in hun stuk verwerken (het onkritisch aannemen dat een student een onderwijsconsument is is een andere aanwijzing hiervoor) dat ons huidige universitaire systeem onder druk zet. Hiermee wordt er beweerd dat het de universiteiten zijn die iets moeten leveren (namelijk, een diploma) in plaats van de studenten (namelijk, een groei in kennis). Deze redenering wilt diploma's makkelijker maken in plaats van studenten slimmer. Dat is in mijn ogen de rollen omdraaien. De student is GEEN consument en heeft alszodanig GEEN consumentenrechten. De lat moet gelegd worden door de universiteit/hogeschool: het is aan de student om aan te tonen dat hij er overheen kan springen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven