Wikimedia Commons / De Rubicon, D. Davydov

Veni, vidi, foetsie

Nederland is een exportland, maar beperkt zich niet alleen tot bloembollen en microchips. Als het om de vaderlandse kenniseconomie gaat hebben wij namelijk nog een indrukwekkend exportproduct: gepromoveerden. Het succes waarop deze export rust, de kwaliteit van Nederlandse promovendi, is jarenlang onbetwist geweest. Met de huidige outputfinanciering op wetenschap komt dit echter sterk onder druk te staan. Een problematische ontwikkeling. Aangezien Nederland amper investeert in het scheppen van vaste banen in de wetenschap, en de kwaliteit van het afzetproduct (promovendi) af dreigt te nemen, is het de vraag wat er met de afzetmarkt voor ons kenniseconomisch product gaat gebeuren.

Nederlandse gepromoveerden zijn internationaal een gewild product. Ze zijn vaak wat ouder en hebben door de aard van hun aanstelling relatief veel onderwijs- en onderzoekservaring. Promoveren is in Nederland, in tegenstelling tot elders in de wereld, meestal een daadwerkelijke baan, waarin veel verantwoordelijkheid bij de promovendus gelegd wordt en deze wordt geacht binnen een aantal jaar een zelfstandig onderzoeker te worden. De Nederlandse doctorstitel staat internationaal in hoog aanzien ten opzichte van een ‘studentikoze’ variant elders.

Nederland investeert amper in het scheppen van vaste banen in de wetenschap

Dit model werkt ook omdat er in de wereld om ons heen over het algemeen genoeg kansen zijn voor pas gepromoveerden om een baan te vinden in de wetenschap. De Nederlandse overheid speelt hier zelfs handig op in met een speciale beurs om de vervolgstap mogelijk te maken: de Rubicon. Hiermee wordt de Nederlandse onderzoeker vriendelijk begeleid in het verlaten van het land om zijn heil ergens anders te zoeken. Zodra de onderzoeker in het buitenland zijn strepen (lees: publicaties) verdiend heeft, kan hij terugkomen als Caesar om de gevleugelde drie V’s uit te spreken: veni, vidi, vici.

Deze strategie valt of staat dus bij de kwaliteit van promovendi.

Juist die kwaliteit, de uitzonderlijke status van de Nederlandse promovendus, komt steeds meer onder druk te staan. Perverse prikkels en een gebrek aan duurzame investeringen hebben een stelselwijziging opgeleverd waarin steeds meer promovendi het met steeds minder vrijheid en begeleiding moeten doen. Het aantal promovendi is in de afgelopen twintig jaar bijna verdubbeld, terwijl de vaste staf is gekrompen met 10-20 procent –bovendien is deze sterk aan het vergrijzen.

Dit is het resultaat van twee belangrijke krachten: de promotiebonus en de verschuiving van middelen van de eerste naar de tweede geldstroom. Onder het mom ‘de overheid betaalt de overhead’ keert het ministerie voor elke bul 90.000 euro uit aan de onderwijsinstelling om ‘de infrastructuur te betalen’. Dit bedrag wordt echter pas aan het einde van de promotie overgemaakt, wat een prikkel oplevert om promovendi (geschikt of ongeschikt) aan te sporen hoe dan ook de rit uit te ziten en hun papiertje te halen. De begroting moet en zal immers rondkomen.

De verschuiving van het onderzoeksgeld van de eerste (vaste) geldstroom naar de tweede (beursgebonden) geldstroom levert een tweede perverse prikkel op. De afgelopen jaren is de helft van het onderzoeksgeld dat direct naar universiteiten ging ‘omgebogen’ en in de tweede geldstroom geplaatst. Dit houdt in dat instellingen met minder zekerheid kunnen opereren en hier ook hun personeelsbeleid op aanpassen. NWO mag dan wel elk jaar kerstman spelen en beurzen verdelen (272 dit jaar) maar die beurzen gaan zelden op aan duurzame investeringen in mensen.

Het aantal promovendi is de afgelopen twintig jaar verdubbeld, terwijl de vaste staf is gekrompen

Een van de grootste kostenposten in het wetenschappelijk onderzoek is, net als bij de belastingdienst, gewoon het personeel. Personeel is duur, en hoog opgeleid personeel is nog duurder. Je wilt als ambitieuze onderzoeker natuurlijk zo veel mogelijk waar voor je geld en dan lijkt de beste manier om je geld te besteden: zo veel mogelijk mankracht inkopen. Twee goedkope promovendi winnen het dus gemakkelijk van een universitair (hoofd)docent of broodnodige (technische) ondersteuning.

Het aantal vacatures voor ‘vaste’ krachten neemt dan ook zienderogen af, en de vergrijzing helpt bepaald niet mee bij het behoud van een stabiele personeelspyramide. Zodoende neemt het het aantal promovendi per begeleider in alle disciplines toe, gaat de student-staf ratio al jaren omhoog en bovendien hoopt onderzoeksgeld zich steeds vaker op bij ‘excellente’ onderzoeksgroepen. Het overgrote deel van ‘gewone’ groepen het doen met de restjes van de eerste geldstroom.

Natuurlijk eindigen lang niet alle promovendi in de wetenschap, en dat hoeft ook niet

Dergelijke ontwikkelingen zijn, zoals vaker met complexe problemen, lastig te vatten in cijfers en getallen maar klachten over begeleiding worden onder promovendi worden steeds vaker en heftiger geuit. Ook onderzoekers zelf delen (achter gesloten deuren) hun zorgen over de moordende competitie om de tweede geldstroom, en het dalende niveau van het doctorsdiploma.

Natuurlijk eindigen lang niet alle promovendi in de wetenschap, en dat hoeft ook niet. Goede academici komen op allerlei plaatsen terecht. Ook in het bedrijfsleven of binnen de overheid is er vraag naar zelfredzame en analytisch vaardige werknemers. Het heeft alleen geen zin om de arbeidsmarkt te overspoelen met een overdaad aan gepromoveerden met een diploma dat navenant minder waard is.

‘Nederland kennisland’ is misschien wel een van de meest gehate termen die de laatste jaren op het ministerie van OC&W is bedacht. Niet omdat we een hekel hebben aan kennis, maar omdat het een beroerde typering is van het huidige wetenschapsbeleid. Niet alleen staat het opleidingsniveau van promovendi op de helling, het is maar te hopen dat de kwaliteit hoog genoeg blijft om de aloude ‘exportstrategie’ te handhaven. Zodra de mogelijkheden om verder te gaan in de wetenschap ook in het buitenland worden afgesneden is al dat er overblijft een groot gat in het carrierepad van jonge academici.

De minister wil meer promovendi en wil experimenteren met student-promovendi om het nog goedkoper te maken promovendi aan te nemen, maar lijkt ondertussen blind te zijn voor een falend personeelsbeleid. Het is hoog tijd om structureel te investeren in duurzaam beleid op onderzoek en onderwijs, met een gezonde verhouding academici in verschillende stadia van hun carriere. Een systeem waarin weer tijd en aandacht is voor kritische reflectie en fatsoenlijke wetenschap. Dan houd je academici over die je liever niet exporteert.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven