Mart van de Wiel

Verhalen lezen

In een duistere club, verborgen achter hekwerken en graffiti, liet ik in het kleinste, donkerste hoekje mijn tarot lezen. Het is een van de meest aansprekende manieren om de echte waarheid te ontdekken. Ik was de laatste, zei de Nieuw-Zeelandse lezeres, het werd laat en haar stem was hees. Voor mijn gezicht hing een vossenmasker en mijn shirt toonde een afbeelding van Baphomet, een occultistische geitengod waarvan ooit werd beweerd dat de Tempeliers hem aanbaden. De vrouw was moeilijk te verstaan boven de muziek waarop mijn nieuwe vrienden aan het dansen waren.

Ze vroeg wat ik wilde weten en ik werd me er weer eens van bewust dat ik altijd meedrijf op de zich voordoende mogelijkheden, zelf nooit een koers uitzet. Nooit zou ik zelf een tarotkaartlezer opzoeken, maar nu was ik toch op een feest waar ik een kaartje voor in de hand gedrukt had gekregen, tijdens het Berlijnse filmfestival waar ik naartoe was gevraagd als bedankje voor mijn vrijwilligerswerk in Leiden – waarvoor ik ook maar door een teamgenoot was gevraagd, tijdens een fietstocht na een voetbalwedstrijd. Was het enorme toeval dat ik, ook nog als laatste van de avond, bij een tarotlezeres was beland, niet enorm significant? Met terugwerkende kracht zou ik hier een narratief van kunnen bouwen. Elke willekeurige ontwikkeling zou een logische stap worden, en alle gebeurtenissen die geen consequentie hadden zou ik vergeten.

Ik had nooit bedacht dat ik hier zou belanden. Het liefst wilde ik de kaarten vragen wat ik wilde vragen. Ik vroeg dus om duiding, mijn spraak elastisch door het gratis bier dat ik me had laten voorschotelen. De alcohol vervaagde grenzen tussen mij, de muziek en de mensen die ik net had ontmoet, tussen de tarotlezeres en de naakte danseressen met varkensmaskers. Onder de verdovende werking bleek ik niet in staat mijn eigen kader in stand te houden. Begrenzing, definitie, kaders: dit is het domein van de filosoof. Ik realiseerde me dat de kaarten die grens zouden overschrijden.

Ingesleten afkeer voor al het onwetenschappelijke meetorsend, was ik aangeschoven bij de tarotmevrouw en vroeg ik met geveinsde twijfelachtigheid om richting

Zeven jaar lang was die houding me de kop in getimmerd door een schorre, schrille docent, die naast het conventionele leraarsarsenaal ook emplooi gaf aan meer despotische lesmethoden. Zijn intimiderende persona versnelde het persoonlijke aspect van zijn colleges. Die vormden een langdurige proces waarbinnen nieuwe denkwijzen en werelden over de oude werden gewalst, op lang niet altijd even aangename wijze. De reductie van het denkende subject, van Descartes’ ego cogito, tot een spartelende genenrobot vormde een eindeloos project. Veel studenten haalden zijn colleges niet, nog minder genoten ervan.

Voor de volhouders vormde Wijsgerige Antropologie een verslavende reeks, waarvan het onmogelijk leek afstand te nemen. Sommige adepten zaten al tien jaar bij de colleges, nog steeds bezig hun masterscripties en proefschriften te verfijnen, om elk semester de exegese van een nieuw filosofisch standaardwerk mee te maken. Elk semester begon met de vraag “wat is filosofie?”. De vraag naar een kader dus, een definitie, en altijd brompiepte hij hetzelfde antwoord: filosofie is methode, een manier om te kunnen zien of horen wat een zinnige manier van spreken is. De vraag was altijd hoe filosofie te bedrijven zonder te vervallen in onzinnigheden. Uitspraken gegrond in deze filosofische methode waren legitiem.

Tarotkaarten niet. Alle lezers leggen de kaarten met andere regels, en omdat kaarten soms tien betekenissen hebben is de interpretatie arbitrair. Los daarvan zouden ze, als ze betrouwbaar waren, ook steeds hetzelfde moeten zeggen – maar elke keer dat je een pak schudt krijg je andere resultaten. Ik wist ook dat de kaarten een beroep doen op het Forer-effect: mensen betrekken algemene uitspraken heel gemakkelijk op zichzelf. Deze voorkennis en daarmee ingesleten afkeer voor al het onwetenschappelijke in deze wereld meetorsend, was ik aangeschoven bij de tarotmevrouw en vroeg ik met een geveinsde twijfelachtigheid – waarvan ik hoopte dat ze innemend zou uitpakken – om richting.

Mijn bachelorscriptie schreef ik over een Frans-Algerijnse goalkeeper met tering, die in de jaren 1957 de Nobelprijs voor de literatuur won. In de trein van Utrecht naar Leiden was ik eens met een oudere vrouw over hem aan het praten. “Wie is dan je favoriete filosoof?”, had ze gevraagd. Ze was er zó een. Met een enorme tevredenheid had ik haar uitgelegd dat Camus de verhouding tussen de mens, die op aarde zoekt naar richting en rechtvaardigheid, en de wereld, die gewoon een steen is, absurd noemt. Dat de mens die zich daar bewust van is een absurde mens is. Dat elk geloof in een wereld buiten het nu, of dat nou een christelijk paradijs, je pensioen of een communistische heilstaat is, een ontkenning vormt van je verantwoordelijkheid om nu te leven, met de dingen die je wel zeker weet. De treinmevrouw vond dat mooi.

Sinds die scriptie had ik altijd met betweterige groothartigheid verkondigd te begrijpen dat sommige mensen behoefte hebben aan een leidraad van buitenaf. En nu stond ik hier en probeerde ik, boven de intimiderende agressie van Cardi B uit, de duiding te volgen van het vijftiende-eeuwse kaartspel.

Tarot, fluisterde ik mezelf toe, was een uitnodiging richting te ontdekken door middel van steekwoorden en vrije associatie

Pas in de achttiende eeuw beweerden occultisten opeens dat de kaarten daadwerkelijk iets over de wereld konden zeggen. Op Wikipedia kun je nalezen wie welke overtuiging heeft toegevoegd aan het mysterieuze web dat tarotkaarten omgeeft. Driehonderd jaar lang waren ze een onschuldig kaartspel, tot in 1780 een vrijmetselende pastoor bedacht dat de kaarten rechtstreeks voortkwamen uit antieke Egyptische wijsheden en de joodse Kabbala. Kort daarop verzon een kaartenlezende zadenhandelaar dat ze gebaseerd waren op de geschriften van Hermes Trismegistus, een mengeling van de Griekse god Hermes en de Egyptische god Toth, beiden verantwoordelijk voor de uitvinding van het schrift. Vanaf toen was het een kwestie van tijd totdat iemand iets zou uitroepen als: “Een gevangene, met niets te lezen buiten de tarotkaarten, zou, als hij wist hoe hij ze moest lezen, binnen enkele jaren universele kennis kunnen vergaren, en over alle onderwerpen met onevenaarbare kennis en onuitputtelijke eloquentie kunnen spreken.” Niet toevallig kwamen die woorden uit de pen van Éliphas Lévi, dezelfde fantast die de tekening van Baphomet op mijn T-shirt had gemaakt en had bedacht dat deze halfgeit “de totale som van het universum” was.

De tarotlezing was gratis, dus ik had niets te verliezen. Ik rekende op mijn masker, het donkere licht en de pompende muziek om te voorkomen dat de vrouw haar lezing zou baseren op mijn uiterlijk. Het verhaal dat ik kreeg was algemeen genoeg om mij beschamend treffend te beschrijven. Terwijl ze sprak voelde ik mijn ego gretig de gaten in haar verhaal opvullen. Hier lag een set magische kaarten, met betekenis even oud als de aarde, die mij hoogstpersoonlijk een glimp in het hoe en waarom van mijn leven verschafte. Elke kaart stond zo stampvol allegorische tekeningen dat ze hoegenaamd van toepassing kon zijn. De eerste drie kaarten vertelden over mijn verleden, heden en toekomst.

Terwijl ze sprak voelde ik mijn ego gretig de gaten in haar verhaal opvullen

Over valse overtuigingen die ik als niet-absurde mens die ik was geweest mijn leven had laten leiden – ja, er is een tarotkaart die daarvoor waarschuwt. Dat ik aan het leren was naar emoties te luisteren. Een breuk met mijn huidige toestand was op handen. Sommigen geloven dat tarotkaarten in verband staan met magische aloude krachten, of aangesloten zijn op een collectief onderbewustzijn. Mijn vermurwde kritische houding loste op in de gulzige roes van richting en alcohol, ik maakte mezelf wijs dat ik ook achteraf nog kritisch kon zijn. Tarot, fluisterde ik mezelf toe, was een uitnodiging mijn eigen mening en richting te ontdekken door middel van steekwoorden en vrije associatie. De vrouw draaide de laatste kaart, de kaart die niet sloeg op mijn verleden, heden of toekomst, maar mijn leven als geheel. Ze schrok. Het was de Toren.

Op een zomerse zaterdagavond was ik eens buiten de Albert Heijn bij mij om de hoek aangesproken door een bebaarde man, die me vroeg of ik wist wie er op mijn shirt stond. “Das Racist,” zei ik, de naam van de rapgroep die voor de grap een geitengod onder hun naam had geplakt. Hij vertelde me dat de tekening van Baphomet was, maar dat deze incorrect was. De exhalerende rust van de sluitende supermarkt en de zonsondergang, het schemerende vogelgekwetter en de nog drukkende zomerwarmte hadden ons gesprek tot een eigen wereld gemaakt. Ik luisterde geduldig en nieuwsgierig, hoewel ik niet uitsluit dat ik mijn linker wenkbrauw optrok. Baphomet had eigenlijk ook nog twee woorden op zijn armen staan, zei hij, SOLVE (scheiden) en COAGULA (samenkomen). Ik vroeg hem hoe hij het wist, en als antwoord stroopte hij de mouwen van zijn zwarte overhemd op. Op zijn beide onderarmen stonden de Latijnse woorden in dikgedrukt geschreefd lettertype. Alles scheidt zich, en alles komt weer samen.

Ze schrok. Het was de Toren.

“Dit is een heel heftige kaart om als laatste te hebben,” zei ze. Op de kaart flikkeren twee gasten uit een toren die wordt geraakt door bliksem, er staat shit in de fik, er hangen gele bollen in de lucht. Het geheel zag er onrustig of op z’n minst ongezellig uit. “Ik draai er nog drie om hem te duiden.” Snel draaide ze drie kaarten om. De Toren symboliseerde een pijnlijke breuk, een plotseling inzicht waarmee mijn hele wereldbeeld zou veranderen. Alsof ik, gelijk de toren op de kaart, door de bliksem geraakt werd. De volgende drie kaarten stelden de vrouw gerust, het zou allemaal goed komen. Er lag geluk in het verschiet, en ik was een kritische denker. Zij blij, ik opgelucht.

Nog geen twintig uur later liep ik door Bad Bentheim, het laatste grensstadje waar de trein naar Nederland stopt. Door spoorwegwerkzaamheden moest ik overstappen op de bus. Het duurde nog even voor deze zou vertrekken en ik besloot in tussentijd het centrum op te zoeken. Het was rustig en verlaten, het park dat ik doorkruiste was groen en kaal. In het midden stond een kasteel van respectabel formaat, met aan de linkerflank een stevige toren, die eruit zag zoals elk kind ooit een vierkante toren zou tekenen. Ik herkende het gebouw onmiddellijk als de Toren. De vochtige middaglucht werd zwaar met betekenis.

Als ik maar genoeg verbanden bleef leggen tussen obscure theorieën, zou ik met een verhaal komen waarbinnen elke luisteraar te druk zou zijn met het onthouden van de afzonderlijke elementen om het geheel kritisch te kunnen benaderen. Mijn fascinatie voor de rariteiten die sommige occultisten debiteren zou ervoor zorgen dat ik door zou blijven zoeken. Uit nieuwsgierigheid zou ik doorlezen en mijn hoofd ongemerkt vullen met niet te duiden waarheden. Ik zou uit alle tradities precies die dingen pakken die met elkaar overlappen en zo een narratief scheppen waarbinnen iedereen zich aangesproken voelt. Alle toevalligheden zouden samenkomen tot een betekenisvol geheel waardoor ook jij je begrepen voelt, waarbinnen de eindeloze reeks toevalligheden die ervoor heeft gezorgd dat ik dit heb geschreven en jij dit nu leest onvermijdelijk is geworden.

Afbeelding door Mart van de Wiel.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven