Flickr / Rookuzz

Vervreemde fiscalisten in een belastingoase

De mens is volgens Marx van nature een creatief, fantasierijk en sociaal wezen. Het verlies van die natuurlijke vermogens door werk noemt Marx in de Parijse manuscripten 'vervreemding'. Dit begrip is veelzijdig te gebruiken: Ook belastingconsultancy kan vervreemdend zijn.

Lopendebandwerk geldt meestal als toonbeeld van vervreemde arbeid. Een arbeider gaat ‘s ochtends naar zijn werk, vervult daar de hele dag een eentonige en stupide werkzaamheid en gaat naar huis om televisie te kijken. In de eentonigheid van het productieproces is hij volgens Marx van zijn eigen optimale toestand, zijn Gattungswesen, vervreemd.

Het marxistische begrip van ‘vervreemding’ wordt soms begrepen als een gevoel van controleverlies of bevreemding. Voor Marx heeft vervreemding echter een objectieve strekking; iemand hoeft zich niet vervreemd te voelen om vervreemd te zijn. De vervreemding is het verlies van specifieke menselijke vermogens door de rol van het individu binnen het arbeidsproces.

Eentonig, geestdodend werk is zeker niet uitgestorven: In de geprivatiseerde schoonmaakbranche werken mensen die niet eens zelf mogen bepalen in hoeveel seconden ze een WC schoonmaken. Toch wil ik naar een heel ander deel van de Nederlandse arbeidsmarkt kijken:  Mensen die ‘s ochtends in een dure auto, naar een duur kantoorpand van Deloitte, Ernst & Young, KPMG of PWC rijden, daar in een niet al te eentonige omgeving verblijven en op enig moment weer naar huis gaan. Ewald Engelen schrijft over deze mensen:

Vervreemding is het verlies van specifieke menselijke vermogens door de rol van het individu binnen het arbeidsproces.

'De pakweg 24.000 brievenbusmaatschappijen die een handvol Amsterdamse adressen telt, sluizen op jaarbasis 12.000 miljard euro door, twintig keer ons bruto binnenlands product. Wij verdienen daar een helersfooi van 1,5 miljard euro aan, die wordt binnengeharkt door ongeveer duizend moreel gelobotomiseerde advocaten en fiscalisten.' (Parool, 16 Februari 2013)

Het werk dat deze mensen doen lijkt inderdaad niet erg lovenswaardig. Ze faciliteren belastingontwijking voor de allergrootste en rijkste internationale ondernemingen. Ze benadelen zo niet alleen overheden en burgers maar ook kleinere ondernemingen die niet dezelfde mogelijkheden hebben om belasting te ontwijken. Daarmee dragen ze in sterke mate bij aan toenemende onrechtvaardige inkomensverdeling, maatschappelijke instabiliteit en verschraling van publieke middelen in de zorg, het onderwijs en de sociale zekerheid. Dit doen ze niet alleen voor Nederland, maar wereldwijd.

Toch denk ik dat de uitdrukking 'morele lobotomie' niet zo goed gekozen is. Deze suggereert dat morele vermogens bij werknemers in de financiële industrie geheel ontbreken. Vergelijkbare suggesties, polemisch bedoeld of niet, komen vaker terug. Joris Luyendijk probeert de bankencrisis eveneens te duiden in termen van een pathologisch gebrek aan moraal. Kan dit echt volledig ontbreken? Onder ‘moraal’ versta ik het vermogen van individuen om na te denken over wat ze doen en daar naar te handelen. Hoe verschijnt een mens zonder enig moreel vermogen elke dag op tijd op zijn werk? Zo'n alledaags moreel vermogen moeten we, voor een realistische voorstelling van zaken, aan fiscalisten blijven toeschrijven.

Het begrip 'vervreemding', zoals Marx dit gebruikt, lijkt mij daarom veel beter geschikt om de toestand van deze beroepsgroep te beschrijven.

Ook als de morele vermogens van fiscale dienstverleners niet chirurgisch verwijderd zijn, is hun toestand immers wel zorgwekkend. Het lijkt mij moeilijk om 's avonds naar huis te rijden en te denken: ‘God, wat heb ik een waardevolle bijdrage geleverd aan de samenleving’. Andere dingen weet ik minder zeker: Zouden ze zich weleens generen? Vertellen ze op feestjes vol trots over de vruchten van hun arbeid? Hebben ze voor zichzelf ingewikkelde theorieën ontwikkeld over het belang van hun werk voor het functioneren van de economie?

Onder ‘moraal’ versta ik het vermogen van individuen om na te denken over wat ze doen en daar naar te handelen.

Wie het even probeert merkt al snel hoe moeilijk het is om vóór dit type belastingontwijking te argumenteren. Opinieartikelen die het proberen zijn niet erg overtuigend. De redenen daarvoor zijn structureel. Moreel denken is het afwegen van verschillende belangen. Een rechtvaardiging van de bestaande belastingpraktijken is echter alleen mogelijk door je op een deel van de gevolgen te richten: Je kunt bijvoorbeeld iets zeggen over het belang dat bedrijven, sommige werknemers of de Nederlandse schatkist bij deze praktijken hebben. Wie op die belangen een argumentatie wil baseren moet de overweldigende negatieve gevolgen van belastingontwijking ofwel vergeten, ofwel minder belangrijk vinden. Het is dus wel mogelijk voor belastingontwijking te argumenteren, maar het vereist enige gedachte-acrobatiek: Enkel door abstractie voor belastingontwijking zijn is het morele equivalent van denken dat mensen de grootste zoogdieren zijn, omdat je olifanten of walvissen even vergeet of minder groot vindt. Voortdurend zulke denkstappen maken is niet de optimale toestand van het morele vermogen.

Zo bezien kan werk in de financiële dienstverlening morele vermogens aantasten, net zoals fulltime aan een lopende band werken andere menselijke vermogens aantast. Als moreel denken bij het menselijke Gattungswesen hoort, wat ik denk, dan is die aantasting een vorm van vervreemding.

Termen als ‘morele lobotomie’ of ‘psychopaat’ vind ik minder geschikt. Ze zijn meer beledigend dan descriptief en bieden ook geen uitzicht op een oplossing. Luyendijk stelt ergens anders voor om medelijden met de financiële industrie te hebben. Ook dit lijkt mij maar deels terecht. Voor zover vervreemding enkel een objectieve strekking heeft, kunnen betrokkenen zich immers best goed voelen over wat ze doen. Luyendijk's wonderlijke interviews in The City tonen volgens mij meer morele vervreemding dan psychopathologie of emotioneel lijden.

Het begrip 'vervreemding' biedt dus nog altijd een waardevol uitgangspunt voor sociale kritiek. In de Parijse manuscripten belooft Marx dat hij iets zal gaan zeggen over de vervreemding van de kapitalist. Deze passages zijn echter niet geschreven of niet overgeleverd. Hoe dan ook, zijn notie van vervreemding kan wel zo gebruikt worden. Dit biedt een genuanceerder perspectief dan een vulgair-marxistische analyse die de financiële sector eenzijdig wegzet als een vijandig, kapitalistisch zombieleger. Die nuance is ook belangrijk bij het nadenken over oplossingen.

Publieke verontwaardiging kan niet de enige motor zijn achter verbetering van financiële en economische misstanden. Voor het afschaffen van de Nederlandse belastingzwendel, maar ook andere uitwassen van het financiële systeem, zal steun van direct betrokkenen nodig zijn: Economen, financieel advocaten maar ook verantwoordelijke ambtenaren en lakse toezichthouders. Zij kennen de weg in de internationale financiële doolhoven, een basale voorwaarde om de wereldeconomie op een sociale en ecologisch duurzame koers te brengen. Daarvoor moet de vervreemding van hun morele vermogens eerst overwonnen worden, uiteraard. Zolang deze morele vermogens niet geheel afwezig zijn is er nog hoop.

De grote vraag is hoe we die mensen bij dat proces kunnen helpen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven