Paul Buckley / @pdebebe

Vluchtgedrag

Emilie zat in haar sandwichbord geklemd. Bij elke stap die ze zette, bonsde het eerst tegen haar knieschijven, om haar vervolgens met een beuk in de knieholten haast onderuit te gooien. Zoekend naar de andere vrijwilligers van ‘Een warm welkom voor Syrië’ liep ze rondjes in de stationshal. Halverwege kwamen een paar Arabische jongens voorbij die naar haar wezen en lachten. Misschien had de kebabverkoper toch geen ‘welkom’ op haar bord geschreven, zoals ze had gevraagd. Hun gegrijns zorgde er in elk geval voor dat ze de tram terug naar huis wilde nemen. Gewoon in haar eentje, zonder logeervluchteling. Ineens leek niets knusser dan alleen in zo’n zachtgeel verlichte wagon te zitten, onderweg naar een leven dat exact hetzelfde was als toen ze een uur geleden vertrok.

‘Ben je er klaar voor?’ Yvonne dook naast haar op.

‘Natuurlijk.’ Het had zelfverzekerd moeten klinken.

Hun borden klepperden tegen elkaar toen Yvonne haar handen op haar schouders legde. ‘Wij zijn er voor je.’ Ze kneep zachtjes. ‘Goed onthouden, hè?’

Voor ze kon antwoorden kwamen de anderen aan. Terwijl ze haar meevoerden naar het perron, probeerde ze de handen, de glimlach en de toon te onthouden als middelen om haar vluchteling op haar gemak te stellen. Zelf had ze zich nooit beschouwd als ‘goed met mensen’. Als zij zich bij een begroeting naar voren boog voor drie zoenen, wilde de ander een hand geven, en als ze een sarcastische opmerking maakte, nam haar gesprekspartner die altijd serieus. Vanaf vandaag zou dat anders zijn. Ze was misschien niet de allerbeste met sociale codes, maar die van Nederland kende ze vast beter dan een vluchteling. Bovendien leerde je van uitleggen ook veel.

Ze had zichzelf nooit beschouwd als ‘goed met mensen’.

De mistige herfstlucht had een laagje vocht afgezet op haar wangen toen de trein eindelijk binnenkwam. Een ogenblik zag ze hoe verdwaasd kijkende mensen uit de achterste wagon kwamen, toen schoot de groep op hen af. De sandwichborden sloten zich als een Romeins legioen voordat Emilie zich kon aansluiten. Ze probeerde zich ertussen te werken, maar geen van de vrijwilligers deed een stap opzij. Na twee rondjes rondom de groep gaf ze het op. Het maakt niet uit, suste ze zichzelf. Er was al besloten wie bij wie zou gaan wonen. Dit keer zou ze niet over het hoofd worden gezien.

Tegen het glazen wachthok geleund keek ze hoe Yvonne steeds twee namen riep, waarna de koppeltjes zich losmaakten uit de kring en verderop gingen staan. Naast het sandwichbord leek de vluchteling altijd de meest geïntegreerde van de twee.

‘Emilie en Neelofar.’ Het was alsof ze opkwam in een grote spelshow. De blokkade van borden opende zich en iedereen klapte. Vanaf de andere kant van de kring kwam een meisje op haar af. Hand, glimlach, toon, dacht ze. Ze begroette Neelofar breed lachend, pakte haar bij haar elleboog en voerde haar naar de andere setjes. Net voordat ze er waren, voelde ze zacht getrek. Naar links, en nog een beetje, tot ze naast een vrijwilligster terechtkwamen van wie ze de naam niet kende. Haar vluchteling had ongeveer Neelofars leeftijd.

‘Welkom in Amsterdam,’ zei ze. ‘Ik ben Meike.’

Neelofar stelde zich voor. De andere vluchteling riep iets in het Arabisch. Neelofar lachte. ‘Yusra en ik waren samen in het azc. Het is fijn samen hier te zijn,’ zei ze. Ze sprak haast accentloos. Emilie dacht aan de memoblaadjes die ze overal in huis had gehangen. Een gele met ‘stoel’ op de eetkamerstoel, een blauwe met ‘lamp’ aan de lamp. Alleen de afzuigkap en het secretaire hadden niets: te lang en te moeilijk. Ze moest ze weghalen voor Neelofar ze zag.

‘Fijn dat jullie elkaar hebben.’ Ze klonk bijna alsof ze de situatie in de hand had.

Neelofar knikte. ‘En Amsterdam. Amsterdam wilden wij graag. Toch?’

Ze draaide zich naar Yusra, die breed lachte. ‘Rijksmuseum.’

‘Misschien kunnen we daar binnenkort een keertje naartoe,’ zei Emilie, maar ze werd overstemd door een langsdenderende trein. Toen die voorbij was, ging het gesprek alweer over de andere musea in Amsterdam, waar zij nooit kwam, en de leukste cafés van de stad, waarvan ze had gedacht dat vrouwelijke vluchtelingen er niet kwamen. In de vrijwilligersgroep op Facebook was het alleen gegaan over hulp aan strenggelovige vluchtelingen die nog geen woord Nederlands spraken. Niemand had het gehad over meisjes die op haar leken.

‘Ik ga zelf graag naar Noord, tegenwoordig,’ zei Meike. ‘Dat vinden jullie ook leuk, meiden. Daar zie je zoveel verschillende culturen.’

Voor Emilie stak een duif het perron over, zijn kreupele poot onhandig achter zich aan slepend. ‘Kijk,’ zei ze tegen Neelofar. ‘Dat is echt Amsterdams. Ik heb nog nooit een hele duif gezien.’

Neelofar wierp een blik op de vogel, lachte beleefd en draaide zich weer naar Meike. ‘Gezellig,’ zei ze met haar vet aangezette g’s. ‘Zin in.’

‘Ik hoor het al, jullie zijn helemaal ingeburgerd.’ Meike knipoogde naar Neelofar en boog zich zo ver naar haar over dat Emilie met haar sandwichbord tegen haar aan moest botsen om in de groep te blijven.

‘Pas op,’ zei ze nog, maar Meike drong alleen maar verder naar voren. ‘Jullie voelen je vast zo thuis. Dat geloof ik echt,’ zei ze, terwijl ze voor Emilie ging staan en de handen van de meisjes greep. Toen ze zich naar voren boog om ze te omhelzen, raakte haar bord dat van Emilie. Heel langzaam, maar heel gestaag werd ze weggedrukt, tot ze een stap naar achteren moest doen. Ineens snapte ze wat het probleem was: er waren hier te veel Nederlanders. Ze had niet voor niets activiteiten voor haar en Neelofar uitgezocht die bestemd waren voor twee personen. Buiten de groep zou het vast beter gaan.

Hand, toon, glimlach. Vanaf achteren pakte ze Neelofars schouders vast. ‘Kom je mee?’ Haar grijns was te breed, haar toon te hoog, haar greep misschien te fors. Neelofar helde naar achteren, struikelde bijna over een omhoogstekend tegelrandje. Ze klemde zich vast aan Yusra, schreeuwde iets wat Emilie niet verstond. Om hen heen bleven mensen staan.

Haar grijns was te breed, haar toon te hoog, haar greep misschien te fors.

‘Wat gebeurt er?’ zei Meike geschrokken.

‘Ik...’ Neelofar maakte een omklappend gebaar.

‘Och meisje toch, gaat het? Ga anders even zitten.’ Meike sloeg haar arm om Neelofar. Met Yusra op haar hielen voerde ze haar naar het bankje verderop. Niemand zag dat Emilie achterbleef.

Om de hoek van de Kiosk was het rustig. Ze duwde tegen de schouderbanden van het bord, maar de groep raadde niet voor niets aan om iemand te laten helpen bij het aan- en uittrekken: het was te zwaar om over haar hoofd te tillen. Vanochtend had ze het op twee stoelen gezet en was ze er vanaf onderen in gekropen. Nu zakte ze op haar hurken tot de voor- en achterkant op het perron stonden. Ze trok haar schouders in, draaide een kwartslag en kroop op handen en voeten achteruit. Zonder nog iets tegen de anderen te zeggen, ging ze de roltrap af. Ze zette het bord naast een prullenbak, en stapte de tram in. Toen ze wegreden, zag ze nog net de groep de stationshal uit komen. Het leek er veel fijner dan in de tram.

 

 

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net. Lees hier de Lebowski Blog. 

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven