Joe Lodge / Flickr

Vluchtgedrag

Ik hoop dat de angst mijn zintuigen zal overweldigen. Dat ik niet bij bewustzijn ben wanneer het toestel te pletter slaat. Maar voorlopig mag het niet zo zijn. Mijn hoofd is helder. Mijn gedachten zitten vast in een lus. Ik wist dat dit ging gebeuren. Ik wist het. Ik probeer de aandacht van mijn vrouw te trekken maar de doodsangst heeft haar doen verstarren. Ik zie in haar ogen dat ik haar niet meer zal bereiken. Ik huil en schreeuw dat ik van haar hou. Ze reageert niet. Haar blik is ver weg. Een crucifix steekt omhoog uit haar gevouwen handen.

De temperatuur in de cabine stijgt. Iemand valt schreeuwend door het gangpad. Molenwiekende armen, wijd geopende mond. De schreeuw wordt abrupt afgekapt. Opeens een stoot hete lucht in mijn gezicht alsof iemand vlak voor me een ovendeur heeft geopend. Iets raakt mijn hoofd met een holle bonk. Ik schud mijn hoofd en bloed spat in het rond. Vaag ben ik me bewust van pijn. Bloedspatten verschijnen in het haar en op het gezicht van mijn vrouw. Haar benen netjes naast elkaar. Het kruis in haar verkrampte vuisten. Alleen haar lippen bewegen.

Tijdens mijn leven, in de jeugd van mijn dood als het ware, voelde ik soms een enorme beklemming bij het idee dat ik alleen dit lichaam had om in te leven, en nooit een ander. Binnen deze begrenzingen zouden mijn leven en denken zich altijd afspelen. De cabine van het vliegtuig is nu dat lichaam. Ik wil rondrennen en uitgangen uitproberen. Misschien dat ik achter een van die deuren een nieuw, veilig cabinelichaam vind.

Misschien dat ik achter een van de deuren een nieuw, veilig cabinelichaam vind

Maar zelfs in deze laatste minuten blijf ik vasthouden aan regels en beschaving. Ik blijf zitten, naast mijn vrouw die strak voor zich uitstaart en bidt. Ik voel afgunst om haar toewijding. Ik voel woede om haar blinde vertrouwen. Over een paar minuten, misschien sneller nog, zijn onze lichamen houtskool. Daar helpt niets aan. Het verschil tussen mijn vrouw en mij: ook al crashen we, dan nog gelooft zij in een goede afloop. Ik geloof alleen in een afloop.

Ik kijk langs het gangpad. De stewardessen zijn niet te zien; zij zullen in de ruimte vlak voor de cockpit zitten, vergeefs vastgegord aan hun stoelen. Het gangpad wordt geblokkeerd door twee lichamen. Een bloedvlek tussen twee ramen. Langs het raam schieten wolkenflarden, of misschien is het rook. Overal klinkt gegil. Een glazen oog stuitert langs de stoelen en wordt verbrijzeld door een koffer die uit een bagagevak valt.

Ik moet iets doen. Ik kan niets doen. Ik trek mijn gordel strakker en ik lach, het is absurd, dit kan niet gebeuren. Mijn hele leven ben ik bang geweest om te vliegen. Ik ben die persoon die iedere vlucht opnieuw door het personeel gerustgesteld moet worden. Meneer Koeleman, vliegen is absoluut de veiligste vorm van vervoer. Statistisch gezien is het gevaarlijker om door Amsterdam te fietsen. Natuurlijk, op een rationeel niveau begrijp ik dat. Maar als tien kilometer boven de grond de boel het begeeft kan de piloot het toestel niet even op de vluchtstrook zetten. Statistisch gezien is de kans misschien klein dat er iets gebeurt, maar áls er iets gebeurt is de kans dat je het overleeft statistisch gezien niet al te best. En godverdomme, er is iets aan het gebeuren.

Een gezette man met wit haar als spinrag staat op. Hij houdt zich met één hand vast aan de hoofdsteun van een stoel, met de andere houdt hij een boek omhoog. Hij staat met zijn benen uit elkaar om zijn evenwicht te behouden. ‘Lieve mensen!’ schreeuwt hij. Ik hoor hysterisch stijgend gekrijs van motoren. Ergens breekt glas. Gekreun van metaal als een kolossaal stervend dier. ‘God roept ons! Laat ons bidden!’ Het toestel zwenkt kort naar rechts, dan naar links. Dan dalen we. Ik voel het in mijn maag. Het moeten vele honderden meters zijn. Instinctief schreeuw ik. De man met de bijbel valt voorover het gangpad in. Het boek vliegt uit zijn hand. De vliesdunne pagina’s wapperen.

Plotseling wind en felle kou. Opnieuw het geluid van metaal onder intense druk. Mijn vrouw kijkt over haar schouder en dat geeft me moed. Ik doe hetzelfde. We kijken recht de lucht in. Een deel van het toestel is afgebroken en verdwenen. Terwijl ik kijk maakt een stoel met daarin een oude vrouw zich los van de vloer en stijgt op. Dit lijkt in stilte te gebeuren. De bijbelman klampt zich vast aan mijn stoelleuning. Hij probeert zich overeind te trekken. Achter hem wordt een man tegen het dak gelanceerd. Zijn nek breekt met een krak. Zijn gezicht van paniek naar een leeg staren.

Ik kijk naar de nutteloze handen in mijn schoot. Wat wil ik in deze laatste momenten? Moet ik mijn leven overdenken? Heeft dat zin? Nee, het heeft geen zin om te bedenken of iets zin heeft. Trouwens, zou mijn leven eigenlijk niet als een soort film aan me voorbij moeten trekken?

De man met de bijbel trekt aan mijn schouder en wanneer ik mijn blik naar hem toe wend zie ik nog net hoe het lichaam van een vrouw hem in de rug raakt. Zijn gezicht wordt naar voren geduwd. Zijn gebit breekt op mijn armleuning. Dan valt er een koffer uit een van de bagagerekken. Een groot deel van zijn voorhoofd wordt weggevaagd.

Het heeft geen zin om te bedenken of iets zin heeft

Een monitor raakt los van de wand en raakt mijn gezicht. Mijn neus breekt en warm bloed stroomt over mijn lippen. Ik kan niet meer zo goed ademen, denk ik. Ik voel alleen verbazing, geen angst. Dat alleen al zou mijn angst moeten aanwakkeren. Maar nee. Voor angst is energie nodig. Ik heb alleen nog een klein beetje bewustzijn. Mijn laatste wens is bijna vervuld.

De bijbelman ligt breeduit in het gangpad. Zijn ledematen kruisvormig uitgespreid. Mijn blik verliest scherpte. Ik knipper bloed weg en ik zie hoe het overhemd van de man opensplijt. Ter hoogte van zijn schouderbladen scheurt de zoom. Wit bot wordt naar buiten gedrukt. Met korte intense krakjes, alsof iemand zijn vingers knakt, ontstaan kleine, steeds complexere vertakkingen. Veren ontspruiten aan de beenderen. Poederachtige wolkjes stijgen op en verdwijnen terwijl de constructie groeit en zich ontvouwt en mijn hele blikveld vult. Met een lome, haast onverschillige vleugelslag wordt het lichaam van de cabinevloer getild. Het verdwijnt uit mijn zicht.

In de laatste seconde, voordat ik word overgeleverd aan het oneindige moment, denk ik: (maar ik denk niet echt meer, mijn hoofd en de stem in mijn hoofd zijn al op verschillende plekken, dus het is beter om te zeggen: ik lijk te denken) Maar goed dat ik sterf. Anders had ik dat nog moeten geloven.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven