Foto: genue.luben

De vrouw die goud baarde

Negen maanden lang beeldde ik me in hoe het zou gaan zijn. Hoe Arnold en ik uit het ziekenhuis zouden komen lopen met een prachtig testament van onze liefde en hoe iedereen vol verbijstering zou staren naar ons kleine wonder. We droomden allebei van een grote villa aan het water, met drie slaapkamers en een enorme serre, maar namen genoegen met een karakteristiek huis in een woonwijk. Ik koos zorgvuldig het behang van de kinderkamer en bij elk bezoek stonden de dokters om me heen om te vertellen wat voor perfect kindje er in me groeide. En toen was het moment daar. Ik had me voorbereid op de veldslag die altijd aan die zoete vrede vooraf gaat maar ik was na één keer persen al klaar. Er landde een klein gouden ei op het bed.

We wilden onze zoon Leo Mathesius noemen, naar Arnolds broer en mijn opa.

De eerste paar minuten was het doodstil. De dokters zeiden niks want ze wachtten allemaal op wat ik zou gaan zeggen. Maar ik kon niks uitbrengen. Ik legde het gouden ei op mijn borst. Het was zo klein als een kippenei maar van puur glanzend goud, en er groeide één zirkonia bovenop. Ik keek. En wachtte. Ik wachtte op die eerste golf van ultieme liefde waar al die moeders het telkens over hadden in hun verhalen. Die kwam niet.

Familieleden stormden binnen en ze vroegen hoe ik me voelde. 'Fantastisch,' zei ik. Maar ik voelde me doodsbang. Alsof de grond onder mijn voeten was weggeslagen. Ze begonnen over de bevalling en ik loog dat het zwaar was. Ze keken me vol begrip aan en dat deed pijn.

Toen ze hem zagen deden ze allemaal hun best. 'Wat een prachtige kleur,' zeiden ze, en ze hadden gelijk. 'Wat een mooie vorm,' zeiden ze, en ze hadden gelijk. 'Wat een wonder,' zeiden ze, en ze hadden gelijk.

Ik herinner me amper meer iets van de tijd die volgde. Ik huilde niet, ik mopperde niet en ik sprak niet. Ik hield ons kleine wonder tegen me aan, keek en wachtte, terwijl het enige wat er door m’n hoofd ging was: Waar is mijn kindje? Wie heeft mijn kindje gestolen?

Het kraambezoek was optimistisch. 'Misschien duurt het gewoon iets langer?' zeiden ze. 'Misschien breekt hij over een week of twee wel uit zijn schaal?' Ik lachte dan mijn tanden bloot maar durfde niet te hopen. Ik schonk koffie, serveerde beschuit met muisjes en vroeg of ze misschien nog wat wilden drinken. Er hingen slingers door heel het huis maar die zag ik niet. Ik kon alleen maar bedenken dat het kindje dat ik negen maanden bij me had gedragen als sneeuw voor de zon was verdwenen.

Elke avond sliep hij naast me. Dan droomde ik dat hij een écht jongetje was, met haartjes en lipjes en voetjes en armpjes en een lachje. Sommige nachten droomde ik dat hij niet wilde stoppen met huilen en dan lag ik uren wakker. Maar hij huilde nooit. Hij gaf geen kik. Arnold grapte soms dat we geluk hadden met zo’n rustige baby, maar daar kon ik niet om lachen.

Elke avond sliep hij naast me. Dan droomde ik dat hij een écht jongetje was, met haartjes en lipjes en voetjes en armpjes en een lachje.

Arnold las elk boek dat er te lezen viel en spendeerde nachten op het internet. We zagen samen elke specialist die er rondliep, maar niemand kon ons helpen vinden wat we zochten. Leo was een gouden ei en zo uniek als hij was, zo uniek waren wij als zijn ouders.

De eerste ochtend dat Arnold weer aan het werk moest stond ik samen met hem op. Ik liet Leo liggen tussen de dekens en vertelde Arnold aan de keukentafel dat het een misverstand was. Een foutje. Dit ei was ons kindje niet en dat moesten we maar accepteren. Ik zat uren in de keuken te snikken en Arnold zat naast me en snikte met me mee. En elke keer als ik te luid was, fluisterde Arnold 'ssshhh,' want we wilden niet dat Leo ons zou horen. Nee, ons kindje mocht niet weten dat we om hem moesten huilen.

We besloten hem op de schoorsteenmantel te zetten, en ik haakte een dekentje en een kussensloopje. Soms zaten we op de bank naar hem te staren. Dan zag ik naast me hoe trots Arnold keek terwijl ik in gedachten maar lijstjes bleef maken. Lijstjes met de dingen die ik nooit met Leo zou kunnen doen en lijstjes met alles wat hij nooit zou kunnen worden.

Op de dagen dat Arnold aan het werk was hield ik de gordijnen dicht en keek ik uren naar mijn zoon. Soms snelde ik naar de badkamer en jankte ik in stilte. Soms schreeuwde ik minutenlang in mijn kussen of wikkelde ik theekopjes in een theedoek en smeet ik die tegen de muren. Arnold zei nooit iets als hij zag dat er weer een kopje van zijn moeders peperdure serviesset miste.

Het duurde niet lang voordat ons allebei begon op te vallen dat Leo’s kleur steeds minder fel werd. Ik liet de gordijnen voortaan maar open en gaf hem elke avond een kus en ook al scheen dat iets te helpen, hij begon te krimpen, daar op die schoorsteenmantel.

'Misschien heeft hij gewoon honger,' bleef Arnold zeggen maar we konden niet verzinnen wat we daaraan konden veranderen.

Ik zette hem aan mijn borst maar er gebeurde niks. We smeerden boterhammen en legden die voor hem neer maar hij verroerde geen vin. Pas toen Arnold hem in een bak rijstepap zette kleurde hij beetje bij beetje weer op. We sprongen een gat in de lucht van verbazing. Ons kindje kon eten. Ons kindje was echt. Ons kindje leefde!

We sprongen een gat in de lucht van verbazing. Ons kindje kon eten. Ons kindje was echt. Ons kindje leefde!

We kochten een luxe chromen eetbak voor hem en elke avond kookte ik de meest smakelijke vloeibare gerechten die ik kon verzinnen. Broodpudding in de ochtend, mijn moeders recept voor aardappelsoep in de avond met appelmoes na. Leo absorbeerde alles en groeide als kool. Binnen drie weken was hij twee keer zo groot als bij zijn geboorte en na amper twee maanden paste hij zelfs niet meer op de schoorsteenmantel.

Vanaf dat moment begon ik elke middag met de kinderwagen door de stad te lopen, maar ik vermeed de speeltuinen en de parkjes. Ik leerde stukjes natuur kennen die ik nooit eerder had gezien. We gingen waar het stil was, waar geen mens ooit kwam. Aan het water, tussen springende kikkers en tjirpende vogels. En dan zat ik trots met m’n gouden ei op schoot en keken we samen naar de horizon.

Leo groeide in rap tempo maar de nachten werden heftiger. Elke nacht brak hij in mijn dromen weer uit zijn schaal. Onze Leo, een gouden kindje. Met gouden haartjes en gouden oogjes en een gouden lachje. Maar elke ochtend lag er toch gewoon weer een gouden ei tussen de lakens. Ik huilde haast elke avond tijdens het avondeten terwijl Arnold naast me zat. Ik huilde nooit bij Leo in de buurt want geen enkel kind verdient het om zijn moeder te zien huilen om wie hij is.

Ik werd jaloerser en jaloerser. Ik begon een pesthekel te krijgen aan al die moeders en vooral aan al die kinderen. In de supermarkt stierf ik wel duizend doden als er een kleuter langs kwam rennen en ik verfoeide zwangere vrouwen als ik ze zag op tv of door het raam. En toen op een zomernacht, na zes maanden gewacht te hebben, was ik het beu.

Ik stapte uit bed, deed niet eens het licht aan, pakte Leo blind uit zijn bedje, liep de deur uit op mijn blote voeten en smeet hem zo hard als ik kon op de kiezels. Bats. En ik keek, de zomerse donkerte verlicht door één straatlantaarn. Niks. Geen barstje te zien. Ik pakte hem op en gooide nog eens. Niks. Ik begon te schreeuwen. Zo hard als ik kon. Ik rende op dat weerloze omhulsel af, hield hem zo hoog mogelijk boven me en smeet hem opnieuw met al mijn kracht op de grond. Maar mijn Leo had een schaal van puur goud die niet kapot te krijgen was. Er knipten lichtjes aan in de huizen en alle buren keken toe hoe die hysterische vrouw in haar witte nachtjapon krijsend een gouden ei op de grond bleef smijten. Ze schudden hun hoofden maar het kon me niks schelen. Het waren dezelfde buren die ik tijdens het kraambezoek heus wel vreemd had zien staren naar mijn gouden jochie.

Arnold rende naar beneden en ving me op, precies toen ik hysterisch op het grindpad in elkaar plofte. Ik huilde niet en hij kuste me op m’n voorhoofd. 'Kom maar naar binnen, schat,' zei hij.

Leo stopte niet met groeien. Langzamerhand begonnen er zich steeds meer blinkende edelstenen op zijn schaal te vormen. Ik leende een boek uit de bibliotheek en het onderwerp begon me te fascineren. Mijn jongen groeide een topaas, een onyx en na een paar maanden een robijn op zijn rug. Hij droeg het meest edele materiaal op zich en ik was zo trots als een pauw.

Arnold ontmoette een man op zijn avondcursus die net zo hield van edeljuwelen als wij en zijn vrouw en ik konden ook goed met elkaar opschieten. Ze hadden nooit kinderen kunnen krijgen dus soms kon ik uren met haar praten over die gevoelens. Dan zei ze niks en luisterde ze naar me en dan zei ik niks en luisterde ik naar haar. We gingen met z’n allen op fietsvakantie en namen Leo mee in het mandje.

En hoe meer edelstenen er op hem begonnen te groeien hoe meer mensen te pas en te onpas op ons af kwamen. Soms zeiden ze iets vervelends maar dan luisterde ik niet want ik wist heus wel dat ze jaloers waren. Dat geen enkele moeder zo’n speciaal kind had als ik.

Het leven ging door. Arnold maakte promotie en Leo en ik brachten haast elke dag samen door. Ik voedde hem, waste hem, gaf hem liefde en veel van mijn energie. Ik keek soms uren naar zijn pracht en we gingen samen winkelen en wandelen. Toch bleef ik stiekem hopen. Af en toe klopte ik op de schaal en legde ik m’n oren te luisteren maar dan hoorde ik niks en had ik opnieuw maar vrede met wie ik gebaard had. Met wie Leo was.

Na drie jaar werd ik opnieuw zwanger. Per ongeluk. Elke avond schreeuwde ik tegen Arnold dat ik niet wilde. Niet nog een keer. Elke avond schreeuwde ik, terwijl de tranen over m’n wangen rolden, dat het weer fout zou gaan en dan zei Arnold: 'Vertel maar.' Dan schreven we samen op wat het allemaal zou kunnen worden. Wat er dit keer in me aan het groeien was. Een draak of een vogeltje, een diamant of een puppy. En dan huilde ik, soms niet alleen tranen van verdriet, want elke zwangerschap blijft een wonder. En toen, negen maanden later baarde ik tot onze grootste verbazing een gezond menselijk kindje.

Elke avond schreven we samen op wat het allemaal zou kunnen worden. Wat er dit keer in me aan het groeien was. Een draak of een vogeltje, een diamant of een puppy.

Het was alsof ikzélf opnieuw geboren werd. De dokters reageerden gelukkig precies zoals we verwacht hadden, net als vrienden en familie. Ik kon mijn geluk niet op maar schaamde me ook. Hoe ik zo had kunnen klagen terwijl ik eigenlijk alleen maar geluk gehad had. We noemde haar Eugenia en ze sliep elke avond bij Leo in bed. Nog anderhalf jaar later werd Jeanne geboren en was ons gezinnetje compleet.

De twee meisjes waren dol op Leo en speelden elke dag met hem, in uiterste voorzichtigheid. Ik wist natuurlijk allang dat zijn schaal niet zomaar zou breken, maar hun zorg en liefde roerde me elke keer weer tot tranen. Als Leo een nieuw steentje ontwikkelde zagen de twee meisjes het als eerste en in plaats van met hun poppen te spelen deden ze om de beurt alsof ze Leo’s moeder waren. Ze waren dol op hun grote broer. Ze namen hem mee naar kinderfeestjes, gaven spreekbeurten over hem op school en elk jaar gingen we met z’n allen op vakantie.

Leo bleef groeien en op een gegeven moment kon je hem alleen nog maar in een kruiwagen rondrijden. Soms waren Arnold en ik bang voor de toekomst, maar zelfs in de puberteit schaamden de meisjes zich niet voor hem. Ze namen het altijd voor hun grote broer op wanneer school- of buurtgenoten nare dingen over hem riepen.

Toen Eugenia trouwde met de jongen die ze op haar derde reis naar India had leren kennen, zaten Arnold, Jeanne, ik en Leo op de eerste rij. Wij glommen allemaal van trots maar niemand glom zo fel als Leo.

De meisjes gingen uit huis en Arnold en ik hadden Leo weer voor ons alleen. Met z’n drietjes reisden we de hele wereld over. Portugal, Italië, Australië en Nieuw-Zeeland; overal waren plekjes in de natuur te vinden waar we het bestaan nog niet van af wisten. En dan zat ik trots met m’n gouden ei op schoot en keken we met z’n drieën naar de horizon. Ik huilde slechts af en toe nog. We hadden immers niks om verdrietig over te zijn want we hielden van onze jongen. Zielsveel.

Toen Arnold stierf was Leo er ook bij in het ziekenhuis. Eén van de artsen herkende hem zelfs en noemde hem ‘de wonderbaby van toen’. Dat was een prachtig cadeau. Die nacht moest ik alleen met Leo naar huis en de meisjes hielpen me hem te dragen want ik kon toen al geen kruiwagen meer tillen.

Leo en ik bleven samen in het grote huis wonen. Ik voerde en waste hem elke dag en we keken samen naar de vogeltjes in de bomen en de mensen op de televisie.

En toen, jaren later kwam alsnog de klap. Heel gek. In één keer, op een gewone zomeravond in juli. Mijn Leo zat bij me op schoot en ik hield hem dicht tegen me aan. Ik keek naar de schoorsteenmantel en begon uit het niets als een klein kind te janken. Voor het eerst waar Leo bij was. Het voelde alsof ik een kraan had opengezet en ik vervloekte de persoon die me er ooit van had overtuigd dat ik die kraan dicht had moeten houden.

Eén van mijn tranen landde op zijn gouden schaal en ik hoorde licht gekraak. Ik schrok op maar kon amper iets zien omdat mijn ogen troebel waren van de tranen. Wat ik al jaren niet meer voor mogelijk had gehouden was aan het gebeuren. Er ontstond een barst en die barst werd groter en groter bij elke traan die hem raakte. Ik bleef huilen. Tranen van geluk en van verdriet. Geen tranen van geluk omdat ik nog verwachtte dat er een gouden kind uit zou komen kruipen maar omdat het een mijlpaal was voor mijn jongen. Ieder ei hoort ooit te breken. En toen, na bijna veertig jaar een gouden ei te zijn, kwam mijn lieve Leo uit.

Ik was niet meer gewend om alleen te zijn en wist met mezelf amper raad. Mijn gouden ei was nu slechts gouden scherven. Eugenia bleef twee weken bij me logeren en de familie was optimistisch. 'Je moet zijn schaal verkopen,' zeiden ze. 'Je hebt een fijn pensioen verdiend, lieve schat!' Maar dat kon ik toch helemaal niet. Hoe meer ze me kwamen vertellen hoeveel hij waard zou zijn, hoe meer ik wist dat mijn Leo’s waarde niet in goud te meten was. Ik stuurde Jeanne één van Leo’s amethisten en een saffier per post en gaf er Eugenia twee mee naar huis. Ik legde een maansteen op Arnolds graf en wikkelde zijn gouden schaal en de rest van de edelstenen in een deken en verstopte wat er van mijn Leo over was op zolder.

Af en toe zoek ik hem nog op. Dan wikkel ik de oude deken open en ga ik daar met mijn krakende botten op de krakende zoldervloer zitten, drink ik een kop thee en puzzel ik Leo’s schaal bij elkaar.

 

 

 

 

In samenwerking met Uitgeverij Lebowski publiceert deFusie om de twee weken een kort verhaal van aanstormend talentHeb je zelf een goed kort verhaal? Stuur dan een e-mail dan naar redactie@defusie.net. Lees hier de Lebowski Blog.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven