Flickr / Steve Greer

Het vruchtbare drijfzand van Cusk en Didion

The White AlbumJoan Didion1979
OutlineRachel Cusk2014
TransitRachel Cusk2017

Faye, het hoofdpersonage in Rachel Cusks twee boeken Outline (2014) en Transit (2017), is een schrijver in crisis. In een gesprek met een man die ze tegenkomt in een vliegtuig naar Griekenland, waar ze een schrijfcursus gaat geven, vertelt ze: ‘I found appearances more bewondering and tormented than at any previous point in my life. It was as if I had lost some special capacity to filter my own perceptions.’ Het verlies van het vermogen om beleving om te zetten in betekenis, in een verhaal, valt samen met een persoonlijke crisis. Faye komt net uit een scheiding en is gedwongen om met haar twee zoons haar leven opnieuw in te richten. De twee rollen die haar leven vormgaven, die van moeder en echtgenote, zijn er plots uit weggevallen, maar iets nieuws kwam er nog niet voor in de plaats.

De staat van verhaalloosheid die Cusk aan Faye toebedeelt, lijkt op de toestand die Joan Didion beschrijft in het titelessay van The White Album (1979). Didion stelt er dat wij verhalen gebruiken om grip te krijgen op en betekenis te geven aan alles wat wij ervaren, een stelling die wordt samengevat en gesimplificeerd in de wereldberoemde zin: ‘We tell ourselves stories in order to live.’ Aan het einde van de jaren zestig had Didion, zo beschrijft ze, een paar jaar lang het gevoel dat al de verhalen die ze zichzelf vertelde, die haar een (be)grip van/op haar leven gaven, op losse schroeven stonden. Ze beschrijft hoe dit niet per se veel veranderde aan de buitenkant. Ze was, net als Faye, die door de Cusks boeken heen een ogenschijnlijk normaal leven leidt, nog steeds een ‘competent enough member’ van de maatschappij. Toch lukte het haar niet om haar leven als méér dan een door de tijd aaneengeschakelde opeenvolging van impressies te zien.

Zowel Cusk als Didion laat zien dat betekenisgeving niet vanzelfsprekend is

Zowel Cusk als Didion laat zien dat betekenisgeving door verhalen te vertellen over het eigen leven niet altijd vanzelfsprekend is. Didions persoonlijke ‘crisis van betekenis’ speelt zich af tegen een achtergrond van breed gedeeld geloof in revolutie, heersend onder de verschillende Amerikaanse studentenbewegingen in de jaren 60. Didion beschrijft hoe het collectief, waarmee zij zich tot haar eigen verdriet niet wist te identificeren, werd samengehouden door een ‘shared jargon, a shared sense of moment’; Didions eigen verhaalloosheid vormde daarmee een des te schrijnender contrast. Een soortgelijk contrast komt naar voren in de boeken van Cusk. In Cusks geval gaat het niet om het ontheemde individu vs. het collectief met een gedeeld doel, maar om het individu dat geen verhaal over zichzelf meer kan vertellen vs. de mensen om haar heen die niets anders lijken te doen dan zichzelf uit te leggen.

Het zijn zelfverklaringen, verhalen van mensen die hun eigen verleden en heden proberen te vatten en vorm te geven, die centraal staan in Outline en Transit. Faye voert hier niet het woord; haar gesprekspartners des te vaker. Ze vertellen haar over heimwee, onontkoombare veroudering, verhuizen naar een andere stad, het krijgen van kinderen en een scala aan andere gebeurtenissen die voor veranderingen zorgen. Deze veranderingen moeten verklaard worden, moeten op een of andere manier in het beeld dat wij van onszelf hebben, worden geïntegreerd. Faye is een ontvanger, soms zelfs een katalysator, van deze verhalen, maar speelt er niet in mee. Integendeel: haar eigen verhaalloosheid infecteert de verhalen om haar heen, brengt de instabiliteit van deze verhalen naar de oppervlakte.

Cusk stuurt aan op het bewustzijn dat we op vruchtbaar drijfzand staan

Cusk benadrukt zo dat elk verhaal een hachelijke relatie onderhoudt met de werkelijkheid die we ervaren: de grip die een verhaal ons lijkt te bieden, blijkt telkens tijdelijk te zijn. Ze schrijft deze getuigenissen zo dat ze continu richting een ‘crisis van betekenis’ lijken te bewegen, alsof een kleine verschuiving van perspectief of een onverwachte gebeurtenis de verbinding tussen het individu en zijn levensverhaal (i.e. zijn grip op het verleden, het heden en de toekomst) zouden kunnen verbreken. Maar Cusks focus op instabiliteit komt niet voort uit een vergevorderd cynisme, waarbij elke vorm van zelfverklaring en van communicatie ‘phony’ zou zijn omdat de werkelijkheid geen recht zou worden aangedaan. Cusk is niet cynisch; ze stuurt in haar boeken eerder aan op het bewustzijn dat verhalen en daarmee wijzelf op drijfzand staan, op vruchtbaar drijfzand weliswaar.

De twee door Cusk uitgelichte toestanden, die van ‘verhaalloosheid’ en die van willekeurige ‘zelf-uitvinding’, worden door de boeken heen namelijk nooit simpele tegenpolen, maar verkeren in een constante staat van intieme verstrengeling. In een eerder, meer uitgesproken biografisch boek over haar scheiding (Aftermath uit 2012) beschrijft ze deze verbinding door te verwijzen naar haar oude geschiedenislerares die een fascinatie had voor het vroege Angelsaksische Engeland. De lerares zag de chaos en duisternis van deze beschaving, die op de ruïnes van het goed georganiseerde Romeinse rijk leefde, niet als ‘mere negation, mere absence’, maar als ‘both aftermath and prelude’. De onvoorspelbare potentie van fragmentatie, het vermogen tot (weder)opbouw dat het bevat, zou een banaliteit worden - de feniks die oprijst uit de as - als Cusk niet tegelijkertijd de zelfdestructie die al nestelt in eenwording benadrukte. De een bevat de ander, en andersom geldt hetzelfde.

Zingeving is alleen waardevol omdat haar tegenpool óók bestaat

Beide schrijvers geven ons een inkijkje in deze wisselwerking. Ze maken ons duidelijk dat de periodes waarin het ons wel lukt om betekenis te vinden, om een verhaal te vertellen over ons leven, wezenlijk instabiel zijn - op een kalme zee is het immers makkelijk te vergeten dat het ook kan stormen. Tegelijk zorgt hun nadruk op de onvanzelfsprekendheid juist voor een accent op de uitzonderlijkheid van deze momenten. Zingeving, zo wordt ons getoond, is alleen waardevol omdat haar tegenpool óók bestaat. Je kan jezelf daarnaast afvragen of het verwerken van deze periode in een verhaal niet al een daad van rehabilitatie op zichzelf is; er wordt recht in een zwart gat gekeken, maar in plaats van erin te verdwijnen, wordt er kunst van gemaakt. Dit betekent niet dat hun verhalen een remedie zijn tegen de betekenisloosheid die de moderne mens ervaart, maar ze plaatsen deze wel in perspectief. Ze benadrukken dat betekenisloosheid tijdelijk is, dat zij een punt is op een golfbeweging.

De laatste alinea van Transit lijkt een verandering aan te kondigen, een transitie van chaos naar iets nieuws. Hier schrijft Cusk: ‘I felt change far beneath me, moving deep beneath the surface of things, like the plates of the earth blindly moving in their black traces.’ Er wordt weer gebouwd. Ook Didion schrijft over haar ervaring alsof er een einde aan zit, ze kijkt er immers op terug, maar wat ze beiden proberen te voorkomen is kijken met de bril van stabiliteit. Voor Didion geldt dat ze nog steeds geen grip heeft op de chaos van  de jaren zestig, zelfs niet nu ze relatief koeltjes kan terugkijken. De slotzin van het essay luidt: ‘Writing has not yet helped me to see what it means.’ Geschreven hebben deze twee vrouwen desalniettemin.  Zonder het verlangen naar een simpel narratief moraal of een eenstemmigheid die niet bestaat, maar met het idee dat de afwezigheid van betekenis en de schaduw van instabiliteit die dit werpt over alle pogingen tot betekenisgeving, juist maakt dat deze pogingen waardevol kunnen zijn.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven