Wikimedia Commons

VUseren

Wat al jaren in de lucht hing en met veel moeite tegen werd gehouden, komt er nu toch van: de UvA en de VU gaan integreren – een eufemisme voor fuseren. Om te beginnen wordt een aantal kleine instituten samengevoegd, maar de echte inspanning begint bij het ineenschuiven van de drie bètafaculteiten van de VU (2 stuks) en UvA (1 stuk) in een Amsterdam Academic Alliance. Dit prille samenlevingscontract moet op termijn tot een algeheel huwelijk leiden, alhoewel dit niet hardop uitgesproken wordt. Zoals vaker ligt deze beslissing op ministerieel en bestuurlijk niveau mijlenver voor op wat bij de organisatie bekend is en dus begint onder de medewerkers het gissen naar de motieven.

Natuurlijk zijn er (levens)vatbare argumenten om samenwerking te bevorderen tussen universiteiten, opleidingen en binnen onderzoeksgebieden. Ook het delen van een sportcentrum en dergelijke faciliteiten kan gunstig zijn voor beide partijen. De fusie in kwestie gaat echter gebukt onder een hoop grote woorden en loze beloften die ver van de werkelijkheid, aan mahoniehouten bureaus worden bedacht. Kenmerkend voor de integratieplannen is de blinde productiviteitsvisie waarmee gewerkt wordt, en het grote gebrek aan het oog voor de organisatie en haar medewerkers zelf.

Of een dergelijk megalomaan project uiteindelijk werkelijk besparend werkt en echt een mooie synergie smeedt is even een secundaire zorg.

De intensieve menshouderij
Het is moeilijk te bevechten dat de universiteiten samen meer kans maken op (internationale) subsidies voor onderzoek en onderwijs. Het lukt immers met enige regelmaat om samen een groot Europees subsidiefonds binnen te halen voor natuurkundig onderzoek of gasbelgelden aan te wenden voor een Amsterdam University College. Dit geeft echter geen enkele garantie dat dit principe oneindig geldig is. De grenzen aan wat mogelijk is komen schrijnend in beeld wanneer de UvA en de VU gezamenlijk een bachelor Scheikunde aanbieden in ruil voor een potje bètageld: het eerste jaar wordt aan de UvA gevolgd, het tweede jaar aan de VU.

Wat doelbewust over het hoofd gezien wordt is dat het samenvoegen van grote (en kleine) opleidingen alleen op de korte termijn kostenbesparend is. Je komt er al snel achter dat je de grote groepen studenten nergens fatsoenlijk in een collegezaal kwijt kunt en dat deze studenten binnen de kortste tijd – terecht – ontevreden zijn over het gebrek aan persoonlijke aandacht. Groepen van honderden studenten vergen juist enorme investeringen in practicumruimte en persoonlijke begeleiding. Ook zij willen stage lopen, wat na het onvermijdelijke bezuinigen op onderzoeksgroepen al snel verleden tijd is.

Natuurlijk is het voor carrièregerichte bestuurders slim om te luisteren naar de ‘daadkrachtige’ minister die ver wil gaan om van deze fusie zijn geesteskind te maken. De aandeelhouders, het volk, laten zich ondertussen graag aanpraten dat fusies bureaucratie en geldverspilling verminderen. Of een dergelijk megalomaan project uiteindelijk werkelijk besparend werkt en echt een mooie synergie smeedt is even een secundaire zorg.

Academici zijn juist gaan werken op een openbare instelling om ‘targetgericht werken’ en ‘prestatie-indicatorgestuurd’ beleid te vermijden.

Reorganisatiemoeheid
Misschien is het meest fnuikende bezwaar om voorlopig niet te beginnen aan dit project wel dat de medewerkers van de bètafaculteit na jaren reorganiseren simpelweg uitgeput zijn: reorganisatiemoeheid. Dit managementjargon is niet zomaar een hyperbool, maar een tastbaar verschijnsel dat zich in steeds meer organisaties voordoet. Het samenvoegen van de oude UvA-faculteiten (biologie, natuurkunde, wiskunde, scheikunde en informatica) in één nieuwe megafaculteit heeft naar het gevoel van velen weinig opgeleverd. Het condenseren van de onderwijsbalies in één Servicedesk, het invoeren van een nieuw roostersysteem en het inhuizen in een futuristisch – doch ongastvrij gebouw – hebben veel frustraties opgeleverd en het onderwijs en onderzoek de afgelopen jaren enorm in de weg gezeten.

Om nu opnieuw te beginnen aan een ronde loopgravenoorlog over zwaartepunten, synchronisatie van administratiesystemen en harmonisering van bekostigingsmodellen is bepaald niet aantrekkelijk. Want bedenk je wat voor vlees je in de kuip hebt! Academici zijn juist gaan werken op een openbare instelling om ‘targetgericht werken’ en ‘prestatie-indicatorgestuurd’ beleid te vermijden. Hoogleraren en vakgroepleiders zijn niet opgeleid voor management van grote organisaties en hebben er een broertje dood aan om verteld te worden wat te doen. Toch moet het hoger onderwijs mee in het nutsdenken van de overheid. De champagne knalt dan ook als de Amsterdamse consultancy- en interimbureaus horen dat de universiteiten gaan fuseren: dat wordt binnenlopen!

Natuurlijk zijn er voordelen van verdere samenwerking te bedenken, maar het wordt gevaarlijk wanneer het belang van de betrokken partijen dergelijk sterk uitloopt. Een vrijwillig opgezochte samenwerking op inhoud heeft zeker toekomst en meerwaarde. In de huidige constructie voeren het rendementsdenken en financieel opportunisme echter de boventoon. Dit gaat ten koste van studenten, onderzoekers en medewerkers – samen ook wel eens de academische gemeenschap genoemd.

Voor wie meer wil weten over dit onderwerp:

  • Jaap Peters en Judith Pouw (2005). De intensieve Menshouderij, hoe Kwaliteit oplost in rationaliteit.
Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven