Coconino National Forest / Flickr

Waar ergens het hart

Eerst brandde alles af, daarna kwam regen. Resten die we konden hergebruiken werden huizen en meubels, we zaten aan tafels gemaakt uit onaangetaste stukken van planken, we lagen op smallere bedden. Een deel van de bomen buiten het geraakte gebied werd omgezaagd. Het voelt vreemd, hoe vlug leven zich weer met je wereld mengt, het dringt niet tot je door – omdat je het zelf bent, misschien, omdat het voor je uitgaat in je hand als je iets pakt, in hoe je instinctief beweegt. Dat je na slechte nachten ook weer wakker wordt.

Maas gaf me kleding. Een grijze trui, een zwart overhemd voor eronder. Ik zei dat ik ze terug zou geven wanneer alles weer normaler werd, maar tegen die tijd zou hij zelf wel nieuw hebben. Zijn vrienden vergisten zich de eerste paar dagen, riepen naar me met zijn naam.
Twee plaatsen hadden wonderbaarlijk genoeg nog televisie, grote groepen mensen stonden zwijgend rond de schermen. Autoriteiten zeiden nog dagen na het vuur dat het gebied gevaar liep. We wisten niet hoe ze dat wisten en vroegen het ons niet af, langzaamaan wachtten we niet meer op hulp en begonnen we zelf aan heropbouw. Sommige gezinnen geloofden het, dat het nog niet veilig was, en vertrokken, lopend, naar het oosten.
Maas voelde het eerder dan ik, misschien – hoe groot dit was, hoe het om zich heen zou grijpen, nog jaren, ons leven in; dat we nergens zouden kunnen kijken zonder het in dit licht te zien. Al die verdwenen mensen die we zouden missen, en de doden, ze zouden ons bij sommige gebaren weer te binnen schieten en teruggrijpen naar hier.
Toen er hulp kwam, noemden ze ons afgestompt. Dat klopte niet, dacht ik, ze kwamen alleen veel te laat voor onze eerste reacties, ze begrepen niet dat we het al wilden laten slijten, dat het uit onze hoofd en hoogstens in onze botten moest. Niets geeft de tijd om al te lang stil te kunnen staan.
Een cameraploeg interviewde een oude man, die een Bijbelvers citeerde, maar dat begrepen ze niet.

Niets geeft de tijd om al te lang stil te kunnen staan

Het regende lang, weken, soms harder, soms zachter. Als het nu miezert voelt mijn gezicht als toen, het moment als daar. Toen het de eerste keer opklaarde gingen Maas en ik op pad, we liepen tot aan het strand, waar we ook hadden gestaan toen het nog stormde, nu sneed de zee vlak als een glasplaat de horizon. We liepen langs de kust.
Maas wees en vroeg wat dat was – in de verte stak iets uit de grond, zo leek het. Toen we eraan kwamen zagen we de gigantische ribbenkast, een walvis misschien, op zijn wervels in het zand. De botten stonden ver uit elkaar, je kon ertussendoor, ze waren door de regen schoongespoeld tot een mat wit.
Ik liep naar waar ergens het hart moest hebben gezeten, keek er om me heen. Rechts het water, links de duinen, beide achter een tralie van ribben. Hoe komt dit hier, vroeg ik – aangespoeld, maar hoe. Maas zei niets, we vroegen ons even later af of we het iemand moesten gaan vertellen – maar wie.
Het binnenste van een dier, maar zichtbaar, en aan te raken. Geleegd van alles eromheen, van alles wat zat waar wij nu konden lopen.
Die rode maan, Maas, die zit nog op mijn netvlies. Een hitte nog in me.
We trokken met elkaar op, vanaf toen – het vreemdste, misschien, dat zoiets een aanleiding kan zijn voor vriendschap. Huisgenoten in een pand boven een kringloopwinkel. Alle nieuwe mensen bleven op een afstand, ze hadden er wel van gehoord, natuurlijk, iedereen kende het, maar ik kon er niet bij hoe het ze niet had veranderd. Ik zei het tegen Maas, en hij knikte, en zei dat we gewoon verschilden. Ik wist niet of ik dat wilde.
Het werd van ons alleen. Tussen de anderen een gebeurtenis die ons eigen maakte, zoals vast iedereen die had, een kanteling, ergens, van anderen vandaan. Dat waar wij aan denken als we staren. Al het oudere licht dat je nog ziet. We doen niets echt anders dan anderen, maar er is een vuur in ons, tussen ons in, dat met elke adem bijna oplaait.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven