Flickr // Theophilos Papadopoulos

Waar is Europa's culturele identiteit?

De fut is uit Europese Unie, zij heeft de harten van haar burgers niet voor zich kunnen winnen. We zijn meer Nederlander, Belg of Italiaan dan Europeaan; regeringen kijken met groeiend wantrouwen naar inmenging vanuit Brussel en verschillende populistische bewegingen proberen hun landen te bewegen tot het verlaten van de EU. Het zich steeds sterker aftekenende probleem is dat het huidige Europa meer gebaseerd is op zakelijke verhoudingen dan op een gemeenschappelijke ‘Europeesheid’: het berust op samenwerken, en niet op samenzijn. Het gevolg hiervan is dat de EU slaagt als economische en politieke successen worden behaald, maar wanneer deze uitblijven verliest het Europese project haar legitimiteit. Anders gezegd: als het samenwerken niet werkt, verliest Europa haar deelnemers, met de naderende Brexit als meest prangende voorbeeld. Het nationale navelstaren belemmert de hele Europese gemeenschap in de zoektocht naar oplossingen voor globale problemen op economisch, ecologisch en demografisch vlak en verzwakt de positie van Europa op het wereldtoneel.

In de geschiedenis van het idee van Europa zijn er substantiële voorgangers die sterker gestoeld waren op een gedeelde cultuur dan op een gemeenschappelijk beleid, een benadering die we pas in de twintigste eeuw zijn intrede deed. Volgens hoogleraar Europese Cultuurgeschiedenis Pim den Boer (1950) zijn er in de geschiedenis van het idee Europa drie hoofdfases te onderscheiden: Europese vereenzelviging met vrijheid, christendom en beschaving. Het eerste idee – vrijheid – is meer incidenteel dan structureel en vindt zijn oorsprong in Griekenland in de vijfde eeuw voor Christus. In de oorlog met het Perzische Rijk onderscheidden de Grieken zich middels hun ‘vrijheid’ van de despotie van de Perzen. Europa bleef in de eeuwen daarna vooral een geografische aanduiding van het continent.

Het nationale navelstaren belemmert heel Europa

Het tweede idee van Europa kreeg vorm in de vijftiende eeuw, waarbij Europa vereenzelvigd werd met het christendom. Het merendeel van de bewoners van het continent was in deze tijd aanhanger van een variant van het christelijke geloof en ook de missionarissen droegen bij aan het beeld van een christelijk Europa.

Van de Verlichting tot de Eerste Wereldoorlog werd Europa beschouwd als het continent van beschaving, democratie en vooruitgang. Vanaf het revolutiejaar 1848 werd Europa enerzijds steeds meer met democratische idealen verbonden, terwijl anderzijds het idee van Europa als eenheid verzwakte door nationalistische sentimenten. Een Europees superioriteitsgevoel bleef springlevend in de overtuiging dat de Europese cultuur hét toonbeeld was van vooruitgang.

De Europese zelfverheerlijking eindigde in 1914 met de Eerste Wereldoorlog. Het beeld van Europa als plek van vooruitgang en beschaving werd vervangen door het idee van achteruitgang en neergang. De Europese cultuur kondigde haar zwanenzwang aan en alleen het verleden kon nog als verheven en gemeenschappelijk worden voorgesteld. Tijdens het interbellum mocht er sprake zijn van een sterk cultuurpessimisme, de Europese arrogantie tegenover de buitenwereld bleef paradoxaal genoeg in stand. Toch moest Europa intern op zoek naar een nieuwe identiteit, een nieuwe manier om over zichzelf als eenheid na te denken. Hieruit ontstond het idee van Europa als praktisch politiek-economisch programma, waarmee de gemene deler van cultuur steeds verder naar de achtergrond verdween.

In de tweede helft van de twintigste eeuw ontwikkelde de Europese Unie zich tot een supranationaal orgaan verantwoordelijk voor onder andere veiligheid en handel. Binnen de EU zien we dat er drie opvattingen rondom het doel en de functie zijn ontstaan: Europa als markt, superstaat of experiment. Bij het eerste idee van Europa als markt klinken vooral de economische verhoudingen door. De hoofdgedachte is daarbij dat de afzonderlijke economieën meer profijt hebben van een supranationale organisatie. Wanneer Europa gezien wordt als ‘superstaat’ ligt de focus op de politiek-militaire macht, waarbij de gemeenschappelijke buitenlandse politiek centraal staat. De derde identificatie van Europa als experiment komt voort uit zowel idealisme als pragmatisme. Enerzijds de idealen van een gedeelde Europese cultuur, die ondanks alle oorlogswonden en het eroderen van het beschaafde zelfbeeld in de twintigste eeuw, bij enkelen in stand zijn gebleven. Anderzijds de vergrote mogelijkheden die de samenwerking biedt in de globaliserende wereld, waarbij Europa door samenwerking kan blijven meepraten op het wereldtoneel.

Europa is niet gebaat bij louter pragmatisme

Hoewel dit idealisme in het taalgebruik wel terug te vinden is, blijft het pragmatisme de boventoon voeren. Of zoals EU-president Donald Tusk recentelijk stelde: ‘weg van de utopieën, op weg naar de praktische zaken.’ Geen burger zit te wachten op een idealistisch verhaal over een gedeelde cultuur of ‘Europeesheid’. Maar door onze blik hiervan af te keren verliezen we onze capaciteit om samen problemen te lijf te gaan. Clichés daargelaten, staan we samen sterker. Maar in plaats van hoofd te bieden aan de werkelijke problemen, verliezen de lidstaten hun energie aan het betwijfelen of ze lid willen zijn van de EU of niet.

Een gedeelde culturele identiteit is wat Europa nu, wellicht meer dan ooit, nodig heeft. Het is niet iets waar we nog naargeestig naar op zoek moeten, want er liggen al eeuwen betekenisvolle verbintenissen achter ons. Ik wil daarbij niet pleiten voor een homogenisering van de cultuur, of voor een terugkeer van het superioriteitsdenken. Maar laten we alsjeblieft inzien dat Europa niet gebaat is bij louter politiek pragmatisme en kijken naar wat ons één maakt  - en verder brengt.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven