Flickr / Mark

Waar is l’art pour l’art?

Toen recensent Robert Hughes in 2004 de balans van de moderne kunst opmaakte, concludeerde hij dat de enige zinvolle taak die kunst nog heeft, is om mooi te zijn.  De belofte was dat de zuivere esthetica van l’art pour l’art zou triomferen over alle mediagenieke ‘instant art’ en obscure conceptuele verkenningen. Maar op de Biënnale van Venetië lijkt schoonheid over het algemeen niet de eerste prioriteit. Er is zoveel inhoud dat de vorm naar de achtergrond verdwijnt. Wat is er met de belofte van pure schoonheid gebeurd?

Wie op de Biënnale zoekt naar l’art pour l’art in de traditie van Charles Baudelaire en Oscar Wilde (‘all art is quite useless’) in het achterhoofd komt bekocht uit. Er lijkt echter een moderne vorm van l’art pour l’art te zijn ontwikkeld, waarin niet de esthetische waarde van het werk en niet het perspectief van de toeschouwer centraal staan, maar het proces van schepping zelf.

Op de Biënnale is zoveel inhoud dat de vorm naar de achtergrond verdwijnt.

In de populaire cultuur is deze verheerlijking van pure schepping misschien het best zichtbaar in de recente films van David Lynch. Zonder van tevoren bedacht plan of intentie volgt hij bij het regisseren alleen zijn intuïtie. Inland Empire kwam bijvoorbeeld tot stand door al doende invallen, ideetjes en toevallige gebeurtenissen aan elkaar te knopen. Het resultaat is vaak onbegrijpelijk, maar niet minder fascinerend.

Werk van dit type vinden we op de Biënnale in overvloed. Met name in het centrale paviljoen is obsessieve en compulsieve schepping een belangrijk thema. De enorme collectie plakboeken van Japanse muzikant/schilder Shinro Ohtake bijvoorbeeld doen denken aan het werk van Lynch door de groezeligheid en onoverzichtelijkheid van de chaotische collectie beelden, teksten en objecten, bijeengebracht in door de artiest zelf gebonden plakboeken, en vaak met fluorescerende verf gedecoreerd. Ook Sergey Zarva’s werk is verwant aan de donkere camera en witte ruis van Lynch. Hij schilderde over oude covers van het Sovjet-weekblad Ogoniok heen, waardoor de geïdealiseerde communistische utopie van het blad eruit komt te zien als een groteske wereld van vlees en bederf.

In contrast met de duistere verzamelingen van Ohtake en Zarva staat de kinderlijke naïviteit van Peter Fischli en David Weiss. Dit duo is vooral bekend om Die Lauf der Dinge, een film van een monumentale Rube Goldberg-machine waarin autobanden, hefbomen, en brandende chemicaliën een enorme kettingreactie vormen. In Venetië is een hele zaal van het centrale paviljoen gewijd aan Suddenly This Overview, een verzameling van meer dan tweehonderd kleine sculpturen van ongebakken klei. De bewust wat onbeholpen stijl en het materiaal doen denken aan de producten van een handvaardigheidles, en de onderwerpen zijn niet minder speels. We vinden bijvoorbeeld een boze Repelsteeltje, kinderen op een trampoline, de Rialtobrug en een baksteen; maar ook ‘historische gebeurtenissen’: de toekomstige ouders van Einstein in bed na het verwekken van hun geniale zoon, Jacques Lacan als baby voor de spiegel, Pythagoras die zijn stelling bedenkt, en Livingstone die de Livingstone-watervallen ontdekt. Dit werk is ondanks zijn luchtige inslag één van de hoogtepunten van de Biënnale – er staat regelmatig een rij voor deze zaal waar je uren kunt doorbrengen.

Niet de esthetische waarde van het werk of het perspectief van de toeschouwer staan centraal, maar het proces van schepping zelf.

De nadruk op pure, intuïtieve schepping komt ook terug in de aanwezigheid van het surrealisme. De ingang naar de eerste zaal leidt langs een gestileerd portret van André Breton, grondlegger van het surrealisme; even verderop ligt de verzameling mineralen van de afvallige surrealist Roger Caillois uitgestald. De surrealisten, met hun liefde voor de verbeeldingskracht, maakten een l’art pour l’art waarbij de expressie van het onderbewuste voorop stond en de toeschouwer minder belangrijk was.

Misschien het meest opvallende onderdeel van de Biënnale van dit jaar is de grote vertegenwoordiging van outsider art: werk van kunstenaars die buiten het establishment opereren – vaak patiënten in psychiatrische inrichtingen of gevangenen, maar ook simpelweg ongetrainde kunstenaars. We vinden bijvoorbeeld drie doeken van Augustin Lesage, een mijnwerker die rond het jaar 1910 stemmen begon te horen die hem opdroegen te schilderen. Hij maakte meer dan achthonderd werken in dezelfde hypnotiserende stijl: symmetrische patronen die doen denken aan Byzantijns mozaïek of Navajokunst, ingelegd met afbeeldingen van heiligen, goden en totemdieren.

Andere voorbeelden van outsiders zijn de Braziliaan Arthur Bispo de Rosário, die na een visioen van de Dag des Oordeels tapijten, textiele poppen en kleren ging maken om zich voor te bereiden of de 250 tekeningen die Evgenji Kozlov in zijn tienerjaren maakte van erotische fantasieën met zijn buurmeisjes in een communistische flat in Leningrad.

Deze outsider art toont hoe de productie van beelden een primaire menselijke drift is.

Deze outsider art toont, net als de sculpturen van Fischli en Weiss, net als het surrealisme, en de plakboeken van Ohtaku, hoe de productie van beelden een primaire menselijke drift is, hoe deze koortsachtige scheppingsdrang te vinden is van Brazilië tot Japan, van mijnwerkers tot avant-gardisten. Daarmee past het perfect in de research exhibition, waarin al deze werken samen een overtuigend bewijs vormen voor de kracht van de verbeelding.

Maar hoe zit het met de belofte van Robert Hughes van een kunst die alleen nog maar schoonheid hoeft te presenteren? Het lijkt misschien of de nadruk op de gebeurtenis van scheppen, de nadruk op creativiteit, betekent dat de schoonheid van het product irrelevant is. Maar misschien is schepping, als expressie van de artiest, als emancipatie van de outsider, als vervreemding van de toeschouwer, wel de hoogste schoonheid. Het gaat niet om één mooi object, maar om het feit dat schoonheid overal kan ontstaan. We horen een echo van Oscar Wilde, fanatieke profeet van l’art pour l’art: ‘we are all in the gutter, but some of us are looking at the stars.’

Dit artikel is deel 3 van een drieluik van Rik Peters over de Biënnale van Venetië. Hier vind je deel 1 en deel 2.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven