Waarom je alles mag zeggen (maar dat niet per se hoeft)

Drie jaar. Zolang is het geleden dat de uitspraak ‘De pen is machtiger dan het zwaard’ een wat bittere nasmaak zou krijgen. Misschien is de pen machtiger dan het zwaard, maar op 7 januari 2015 blijkbaar niet machtiger dan de Kalashnikov. En helaas is de dreiging nog niet voorbij. In een recent interview met de Belgische krant Het Laatste Nieuws vertelde Charlie Hebdo-baas Laurent ‘Riss’ Sourisseau maar liefst 15.000 magazines per week te moeten verkopen om alleen al aan de beveiligingskosten te kunnen voldoen. Dat is, op zijn zachtst gezegd, toch best wrang. Toegegeven: het blad had vermoedelijk niet eens meer bestaan zonder de aanslag van januari 2015 (de oplages liepen immers al jaren terug), maar moet Charlie Hebdo werkelijk miljoenen per jaar betalen voor de eigen veiligheid?

Tegen de achtergrond van drama’s als Charlie lijkt er een allergie te zijn ontstaan voor kritiek op iemands woordkeus. De aanslag op Charlie Hebdo zou mede zijn gefaciliteerd door een algehele sfeer van slap wegkijkgedrag. We staan niet meer pal voor de uitingsvrijheid. We stellen steeds meer eisen aan welk taalgebruik wel en niet gepast is. ‘Laagopgeleid’ wordt ‘praktisch geschoold’, ‘negerzoen’ wordt ‘zoen’, ‘dames en heren’ wordt ‘beste reizigers’. En, zo waarschuwt premier Rutte, de kerstdagen dreigen tot ‘feestdagen’ te worden omgedoopt. Verwordt Nederland dan wellicht langzaam tot een zelfhatend en zelfcensurerend land? Heeft het laatste uur van onze liberale democratie geslagen nu we niet meer kunnen zeggen wat we willen?

Toegespitst op deze laatste specifieke gevallen: nee, niet direct. Moeten vrezen voor je leven – zoals Charlie Hebdo, Geert Wilders en recentelijk Sylvana Simons – is wel iets anders dan vrezen voor een verontwaardigde blik als je ‘dames en heren’ in plaats van ‘personen’ zegt. En er is niets mis met het zuinig zijn met lompe uitdrukkingen als ‘kutmarokkaan’, zelfs als die zuinigheid deels wordt ingegeven door sociale druk. Desalniettemin: wat vaak ‘politieke correctheid’ genoemd wordt schuurt ergens wel degelijk met het ideaal van uitingsvrijheid. Een moraalpolitie die actief controleert of iedereen bijvoorbeeld wel ‘wit’ in plaats van ‘blank’ zegt, kan beknellend aanvoelen. Maar wat is er eigenlijk mis mee een beetje op je woorden te moeten letten? Dat blijkt in de praktijk vaak moeilijk uit te leggen.

‘Politieke correctheid’ schuurt ergens wel degelijk met het ideaal van uitingsvrijheid.

Een traditioneel verhaal dat vaak de revue passeert als het gaat over de vrijheid van meningsuiting is dat van John Stuart Mills On Liberty. Het hebben van opinies en overtuigingen is mensenwerk, zo gaat het argument. Het is dus altijd mogelijk dat we het bij het verkeerde eind hebben, en dat een ander ons iets te vertellen heeft wat wij nog niet bedacht hadden. Daarom moeten we zorgen dat alles wordt gezegd, opdat de beste opvattingen door discussie als vanzelf boven komen drijven. In de befaamde woorden van Engelse schrijver John Milton: ‘[Let Truth] and Falsehood grapple; who ever knew Truth put to the worse, in a free and open encounter?’

Mill en Milton hebben natuurlijk gelijk. In een wereld waarin we nooit van te voren weten welke stelling juist en welke onjuist is, kunnen we beter álle zijden van het verhaal een kans geven. Audi alteram partem. Maar dat argument wordt vrij zwak zodra het gaat om bewust beledigende provocaties of politieke opruiingen. Als een humorist impliceert dat Erdogan een ‘geitenneuker’ is, is dat nauwelijks op te vatten als een claim op de waarheid. Expressievrijheid kan dan ook niet altijd op die manier gerechtvaardigd worden. We zullen dus creatiever moeten zijn. Misschien gaat het er eerder om dat in open discussie alles gezegd moet kunnen worden?

Een voorbeeld. Toen acteur Benedict Cumberbatch enkele jaren geleden opriep ‘colored actors’ meer kansen te geven binnen het Verenigd Koninkrijk, kwam hem dat op een vlaag van kritiek te staan. Hij had ‘actors of color’ moeten zeggen. Het moet niet onderschat worden hoe ontmoedigend dit soort veroordelingen op basis van semantiek kunnen werken. De volgende keer bedenkt Cumberbatch zich wel twee keer voordat hij bijdraagt aan een gevoelig debat zoals dat over ras. Zoals de Zwitserse psychoanalyticus Carlo Strenger afgelopen 29 december in Trouw verwoordde: de ‘cultuur van intellectuele vrijheid’ staat op het spel.

Het is een sterk punt: een open discussie veronderstelt de vrijheid om onbevreesd te spreken, en daarmee ook om niet uitgejoeld te worden als we een woord ‘verkeerd’ kiezen. Toch kent zelfs dit laatste argument zijn grenzen. Inderdaad, hete aardappels moeten geen mijnenvelden worden, maar kunnen we niet in ieder geval proberen anderen in hun waarde te laten? Je zwarte medemensen ‘Bokito’ of ‘jankneger’ noemen als ze voor hun rechten opkomen is geen moedige eigenzinnigheid, maar goedkoop naar beneden trappen. Een cultuur waarin mensen dusdanig worden vernederd zodra zij racisme aan de kaak stellen is niet ‘intellectueel vrij’. Het zou goed zijn op te houden het als zodanig te verkopen.

Maar kunnen we niet in ieder geval proberen anderen in hun waarde te laten?

Geen recht om te beledigen erkennen dan maar? Jawel, maar om een andere reden dan voorheen genoemd: uit respect voor de menselijke autonomie. Zowat elke uiting is een getuigenis van het ‘ik’. Zij vertelt iets over hoe de uiter in het leven staat. Als iemand vaak termen als ‘racist’ of ‘fascist’ gebruikt, zegt dat iets over zijn of haar visie op politiek en samenleving. Afgeven op ‘linkse huilebalken’, anderzijds, weerspiegelt een heel ander moreel sentiment. Hier is het punt: in een liberale democratie moeten beide levensovertuigingen in waardigheid naast elkaar kunnen bestaan. Dat betekent dat mensen elkaar moeten kunnen aanvallen, corrigeren, en zelfs verachten. Maar er mag geen publieke sfeer ontstaan waarin het gewoonte is onwelgevallige perspectieven te verketteren – zelfs niet als die zelf intolerant zijn. Dan worden die perspectieven namelijk publiekelijk als ‘fout’ bestempeld, en worden uitdragers ervan als paria’s door het collectief veroordeeld. Dat mag een democratie niet doen.

In de kern is het punt vrij simpel: ook al hebben we de morele plicht sommige dingen niet te zeggen, er is maar één persoon die uiteindelijk moet beslissen: de spreker zelf. Als dat argument nu eens wat vaker naar voren werd gebracht en onderzocht, zou het Nederlandse uitingsdebat misschien eindelijk waarlijk interessant kunnen worden. Maar tot nu toe hebben we het helaas nog zonder moeten doen. Zonde, want het is hoog tijd wat beter te gaan nadenken over de kerntaak van het liberalisme: het creëren van een publieke ruimte van pluralisme en tolerantie.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven