Flickr / Insomnia Cured Here

Waarom we verhalen vertellen

The Seven Basic Plots: Why We Tell StoriesChristopher Booker2004
On the Origin of Stories: Evolution, Cognition, and FictionBrian Boyd2009

Je kent het plaatje wel: daar zit opa, in zijn krakende schommelstoel. Zijn blik dwaalt naar buiten, over een bedauwd weiland en hij trekt nog wat bedachtzaam aan zijn pijp. Hij kijkt wel, maar hij ziet niet echt: in plaats van de prachtige polder, met bloemen en vlinders en helderblauwe hemels met majestueuze witte wolkenpartijen ziet hij het grijze, grauwe verleden. Hij steunt en kreunt wat en begint: “vroeger….vroeger was alles beter”.

Christopher Booker is die oude man, en zijn baksteen van een boek, The Seven Basic Plots: Why We tell Stories, is zijn meer dan zevenhonderd pagina’s tellende klaagzang over hoe vroeger alles  beter was. En net als elke bejaarde elegie bevat het fascinerende verhalen van vroeger, de dwaasheden van eerdere generaties en kleine kiezels van wijsheid.

Bookers samenvattingen en besprekingen van twee-en-een-half millennia aan de beste verhalen uit de westerse verteltraditie zijn fascinerend. Al in de eerste paragrafen van de inleiding vertoont hij zijn leukste circustruc: hij vertelt eerst het verhaal van de film Jaws, waarna hij het klassieke Oudengelse Beowulf in exact dezelfde woorden en zinsneden vertelt: ‘een kwaadaardig monster bedreigt een nietsvermoedende groep mensen….’ Het hele boek door herhaalt Booker dit waarmee hij je herinnert aan de tsunami van klassieke en moderne verhalen die je gelezen hebt – of die je gelezen zou willen hebben. De menselijke geschiedenis stroomt over van de prachtige verhalen en Bookers kennis ervan biedt een lichtend baken zodat je er niet in verzuipt.

The Seven Basic Plots: Why We tell Stories, is een meer dan zevenhonderd pagina’s tellende klaagzang over hoe vroeger alles  beter was.

De dwaasheden van vroegere generaties laten zich samenvatten als ‘slordige Jungiaanse psychoanalyse’. In de eerste helft bouwt Booker een Jungiaans raamwerk in drie intellectuele stappen. Ten eerste observeert hij dat er telkens terugkerende plots zijn in verhalen - de zeven basisplots uit de titel. Ten tweede stelt hij dat er ‘archetypes’ zijn: in onze hersenen ingebakken opvattingen over ‘het kerngezin’ met een strenge doch rechtvaardige vader, een liefhebbende en verzorgende moeder, een koene held die zelf een gezin wil stichten en een aantrekkelijke doch dienstbare heldin. Dan gooit hij deze twee stappen bij elkaar en goochelt de derde stap uit zijn hoge hoed. Tadaa! Alle plots zijn reduceerbaar tot een bepaalde constellatie van dat kerngezin: de jonge man die het ouderlijk nest verlaat is ‘The Quest’ of ‘Voyage and Return’, de koene held die de heldin huwt is ‘The Comedy’, et cetera.

Booker laat hier na te doen wat bijvoorbeeld Brian Boyd in The Origin of Stories wel doet: uitleggen waar archetypes (nu gedefinieerd als standaardstructuren in menselijke cognitie) vandaan komen en hoe ze zijn ingebakken in ons brein. Boyd gebruikt hiervoor de modernste neuro- en evolutionair wetenschappelijke inzichten, die empirisch hebben aangetoond dat onze evolutie als sociaal dier ons een brein heeft opgeleverd dat daadwerkelijk gemaakt is om verhalen te vertellen. In plaats hiervan veronderstelt Booker de Jungiaanse psychoanalyse als wetenschappelijk feit. Maar er is een reden waarom psychologen en psychiaters DSM V doorworstelen in plaats van Jungs Herinneringen, Dromen, Gedachten: Jungiaanse psychoanalyse is geen wetenschappelijk feit, iets wat Booker zelf per ongeluk duidelijk maakt in de tweede helft van zijn boek door een aantal slordigheden te begaan.

Een eerste slordigheid betreft de normatieve aard van het archetypische kerngezin. Booker neemt aan dat als die opvattingen in ons brein zijn ingebakken, ze daarmee normatief zijn. Dit betekent dat Booker vindt dat elk verhaal dat er uiteindelijk niet toe leidt dat de held een heldin huwt (of past bij één van de andere zeven plots) een slecht verhaal is – slecht in zowel de esthetische als ethische zin. Verhalen die afwijken van één van de zeven structuren noemt hij 'dark' of 'sentimental'. Dit betekent dat er dus eigenlijk geen zeven, maar veertien, 21 of zelfs meer verschillende basisplots zijn, maar dat de 'dark' en 'sentimental' versies inherent iets slechts hebben. Maar Booker verklaart deze andere plotvarianten dus eigenlijk tot misbaksels van het ‘lichte’ archetype, en zodoende kan hij vasthouden aan dat getal ‘zeven’.

Een tweede slordigheid: Booker gelooft dat de verhalen die schrijvers vertellen onbewust symbool staan voor hun eigen psyche. Hij maakt deze aanname al vroeg, wanneer hij Stendhals Le Rouge et le Noir bediscussieert. Booker vindt de hoofdpersoon egocentrisch en verwijt het verhaal een ‘infantiele anima’ te hebben, en dus, concludeert Booker, gaat dit verhaal over de ‘weak, vain, ‘mother-fixated’ Stendhal himself’ (p. 351). Met deze psychologie-van-de-koude-grond-diagnose vertelt hij ons niets nieuws over het boek zelf.

Nadat hij Stendhal afserveert met een Oedipuscomplex, gaat hij Mary Shelley’s Frankenstein te lijf. Frankenstein gaat volgens Booker niet over de gevaren van moderne wetenschap, zoals de ondertitel The Modern Prometheus misschien zou doen vermoeden, maar staat  symbool voor iemands gestoorde persoonlijkheid met een ‘anima’ die oplost in een ‘Dark Mother’, een onderontwikkeld ‘zelf’ in de vorm van het monster en een duister, fragiel ego in de vorm van de hoofdpersoon die zijn ‘lichte’ alter ego doodt en daarmee elke hoop op psychologische genezing definitief vergooit. Maar wiens duistere, fragiele ego dan, aangezien Mary Shelley zelf nog een artistiek productief (zij het ietwat ongelukkig) leven had nadat ze ’s werelds eerste science-fictionroman op haar negentiende schreef? Booker weet het zeker: de roman Frankenstein is een symbolisch vehikel voor de moeilijke persoonlijkheid van haar man, Percy Bysshe Shelley.

Opa Booker klaagt, piept en steunt dat we leven in een maatschappij die op de afgrond afstevent.

Blijkbaar gelooft Booker dat de verhalen die schrijvers vertellen onbewust symbool staan voor hun eigen psyche, tenzij de schrijver een vrouw is. Een vrouwelijke schrijver is blijkbaar niets dan de aantrekkelijke doch dienstbare anima van het ego van haar man, en de verhalen die zij vertelt staan dus onbewust symbool voor de psyche van haar man.

Booker vervolgt de tweede helft van zijn boek langs deze lijn en psychodiagnosticeert er lustig op los: Opa Booker klaagt, piept en steunt dat wij moderne mensen allemaal gebroken persoonlijkheden hebben met onderontwikkelde Zelven, zieke anima’s en ruggengraatloze Helden, dat we leven in een maatschappij die op de afgrond afstevent, en dat weet hij omdat de verhalen die we elkaar vertellen allemaal ‘dark’ of ‘sentimental’ zijn.

Bevat dit boek dan ook enkele kleine kiezels van wijsheid? Ja, maar je moet hard zoeken. De zeven plots zijn een handig instrument voor schrijvers, verhalenvertellers en critici: die kunnen het gebruiken om hun eigen verhalen vlot te trekken door hetzij een basisplot te volgen of de conventie juist bewust op zijn kop te zetten. Bookers encyclopedische kennis is adembenemend: hij heeft veel gelezen en kan daar bij vlagen boeiend over schrijven. Maar uiteindelijk is de lezer er beter mee gediend om de opgedroogde oude haven van Opa Booker achter zich te laten om zelf het verwelkomende ruime sop van verhalen te kiezen.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven