Flickr / DigitalEpicness

Want dit is mijn alvleesklier

De dag dat de paster ons uit zijn kerk verjoeg verkeerde zij in barensnood. De ecclesiast tekende drie meter ontsluiting op, een krappe doorgang, net breed en rekbaar genoeg om er een prachtige kleine kapel uit te persen – neogotisch, in tegenstelling tot haar romaanse moeder. Dit veroorzaakte enige verwarring in de kerkgemeenschap, maar de ecclesiast verklaarde hen dat bouwstijlen vaak een generatie overslaan en dat er dus geen reden was tot paniek of aantijgingen van overspel. Om hem te bedanken voor het begeleiden van de verlossing gaf de paster de ecclesiast wat wijn te drinken, die hij afsloeg met een beleefd gebaar.

Wij hielden ons erbuiten, keken toe vanaf een afstand, in het puin van de nageboorte. We sliepen al maanden in de biechtstoelen en zouden die avond dakloos zijn, wisten we, tenzij we voor het vallen van de nacht een ander onderkomen vonden. De paster, die dronken was van zijn eigen bloedwijn, probeerde ons nog de weg te wijzen naar een asiel aan de overzijde van het park.

De dag dat de paster ons uit zijn kerk verjoeg verkeerde zij in barensnood

Begrepen we zijn aanwijzingen verkeerd, of raakten we de weg kwijt, ergens halverwege het veld van sumakstruiken? Ik weet het niet. Wel weet ik dat we nergens asiel aantroffen, en dat het lastig slapen is op de harde koude grond, omgeven door struiken die giftige wolkjes gas uitademen. Misschien bestond het asiel alleen in de fantasie van de bezopen paster, en wilde hij ons straffen voor al die dagen en nachten dat we zijn biechtstoelen bezet hielden, waardoor er een overschot aan ongebiechte, onvergeven zonden in de harten van zijn parochianen was gaan branden.

We aten niets en dronken water uit de regenpoelen en leden honger. We sliepen zo veel we konden.
Algauw hervielen we in oude gewoontes. De trucs en methodes die we, met de handen op de houten bijbel van de paster, plechtig hadden afgezworen.

We aten aas, we stalen lichamen.

Roek doorzocht de kruidgewassen aan de rand van de visvijver en vond er een half opgegeten broodje met ei. Hij zoog het speeksel op dat rondom de tandafdrukken in het brood getrokken was en sliep die nacht in het bed van een welgestelde bankier met een voorliefde voor snoek en baars. Er was niet genoeg speeksel voor een tweede nacht. Het effect ebde langzaam weg. De volgende dag nam de bankier zijn plaats weer in en legde Roek zich weer te slapen in de struiken, tussen mij en Kauw in. Hij hield van de warmte, zei hij, en snurkte luid.

Elke zaterdag keerde de bankier terug naar de visvijver, maar hij at geen broodjes meer. Geen broodjes, geen speeksel, en dus geen bed.

Ik trok samen met Kauw op pad, diep het hart van het park in. We observeerden twee vrijers die op het hoogtepunt van hun gedeelde passie in een blauw-met-groen picknickdeken verstrikt waren geraakt en zich niet meer konden verroeren. Snel, voor ze zich hadden kunnen bevrijden, plukten we elk een handvol van hun lange haren uit. De zijne waren blond, de hare rood – maar alle haar smaakt hetzelfde, wisten we.

We werden weer wakker als onszelf, in onze eigen tot aan de naad uitgetrokken ouwezakkenlijven

We wikkelden de haren om twijgjes die we hadden laten drogen in de zon, staken de uiteinden aan met een zwakke vlam, en rookten. Drie dagen lang leefden we weer als jonge vrijers, ik als het meisje met het rode haar, hij als haar blonde minnaar. Onze lichamen waren jong en strak en we konden de verleiding van elkaar niet weerstaan – drie dagen lang waren we in elkaar verstrengeld, en de vierde werden we weer wakker als onszelf, in onze eigen tot aan de naad uitgetrokken ouwezakkenlijven, zowel teleurgesteld als opgelucht te zien dat onze genitaliën niet langer in elkaar pasten.

Kauw, Roek en ik aten alles wat we konden vinden. We aten de afgescheurde teennagels van een langeafstandsloper en renden onvermoeibaar de lengte van het park op en neer, snoven de afgedwarrelde huidschilfers van een slonzige advocate en bepleitten de onschuld van een jonge soortgenoot, zogen op een eenzame koude teen die verborgen lag in het hoge gras en sliepen een namiddag in het graf van zijn verminkte eigenaar. We aten ons te barsten en stalen lichamen, zoals we altijd al gedaan hadden, voor de paster ons had laten zweren op zijn houten bijbel, voor hij ons excommuniceerde uit zijn drachtige kerk, gebouwd op de fundamenten van een moederhuis.

Roek werd als eerste gevat. Hij werd betrapt op het verorberen van een bloederige zakdoek en naar een Instituut gebracht. We bezochten hem zo vaak we konden, ook al wierp de Decaan ons zijn giftigste blikken toe. In ons zag hij de slechte invloeden die Roek op het verkeerde pad hadden gebracht, ook al was het eerder omgekeerd gebeurd, en was het Roek die ons de geneugten van het aaseten had bijgebracht. De Decaan leek hem te herkennen, als uit een vorig leven, en behandelde hem eerder als gast dan als gevangene. Algauw werden Kauw en ik de toegang tot het Instituut ontzegd en werden onze bezoekrechten opgeheven. We keerden terug naar het park, meer konden we niet doen.

Kauw werd opgepakt door een dolende patrouille, een handvol agenten die na de werkdag keet schopten in de nabijheid van het park, die slapende zwervers met weiwater besprenkelden en met de lichten van hun knuppellampen recht in de opengepelde ogen van verslaafden schenen. Ze rekenden hem in onder verscheidene, elkaar tegensprekende voorwendsels, en sloten hem op in een kluis die ze rigoureus van alle organische resten hadden ontdaan – uren, en daarna dagen, zocht Kauw tevergeefs naar de vette vingerafdrukken en grijze haren van de vorige gevangenen en bewoners van de kluis, in de hoop zijn lichaam een vluchtig moment in te kunnen wisselen voor het hunne. Ze voederden hem twee keer per dag, werd mij verzekerd, maar aan hun snerende grijns zag ik dat ze mij belogen zonder schaamte.

Ik was alleen, voor het eerst in jaren, en had honger, dorst en jeuk. Als je maar lang genoeg buiten slaapt, zonder een dak boven het hoofd, voelen die drie hetzelfde aan, gewoon in verschillende delen van het lichaam.

Snoven de afgedwarrelde huidschilfers van een slonzige advocate

Radeloos zocht ik onderdak in de pasgeboren kapel, die als een mensenkind door de gewelven van haar moeder werd omhelsd. Drie maanden oud was ze toen, en nog in volle groei; de kandelaars waren nog vormloos, de kaarsen nog niet ontvlamd, en de ogen van het beeld van de heilige maagd hadden zich nog niet geopend. De muren waren kil en nat. Wankelend van vermoeidheid zocht ik steun tegen de grofkorrelige bakstenen, maar mijn handen zonken er diep in weg. Toen ik ze er weer uit trok glansden ze van het moedervocht, de laatste herinnering aan de vruchtwaterzak.

Het werd winter, en de paster vond me rillend van de vrieskou ondergedoken tussen de heiligenbeelden en lijkgrauwe kaarsen. Ik vermoed dat hij een medelijden voor me voelde dat hij nooit voor mij gevoeld had toen ik nog in het gezelschap was van Roek en Kauw, want hij verjoeg me niet onmiddellijk. Hij stond toe dat ik enkele maanden bleef, tot de ergste kou noordwaarts weggetrokken was, en bracht me dekens, voedsel en vuur. Hij vroeg me naar Roek en Kauw, en ik vertelde hem wat er gebeurd was, over het Instituut en de kluis.

Af en toe maakten we samen een lange wandeling door het park, of door de stad, en één keer nam hij me zelfs mee naar het Instituut, dat, zo vertelde hij me, gebouwd was op de grondvesten van een operagebouw dat vernield was geraakt in de oorlog, en dus van de geïnterneerden een jaarlijkse opvoering van een klassiek stuk verwachtte. Tot mijn verbazing zag ik hoe Roek plechtstatig het podium opkwam en zijn longen tot het uiterste dreef en pijnigde, en hoorde ik voor het eerst zijn prachtige sopranenstem. De hele opvoering lang voelde ik de loden blik van de Decaan op mijn gezicht drukken. Ik deed mijn best om hem geen aandacht te schenken en faalde.

De paster boog zich naar me toe en fluisterde me in het oor dat wat Roek daar op het podium deed in het geheel niets met kunst te maken had. Iedereen had een plukje haar aan een geroemde operaster kunnen ontfutselen, of enkele milliliters speeksel. Meer was er niet voor nodig, wist hij. Maar nee, ik moest hem tegenspreken – dit was Roeks eigen stem, een aangeboren talent waar hij zelfs zijn enige kameraden nooit over verteld had. Hij had zijn uiterlijk behouden, en dus de bijhorende strot. De paster knikte ongelovig, niet bereid om Roek te aanvaarden voor wat hij klaarblijkelijk al die tijd geweest was, zij het in stilte – een genie.

De winter waaide over en van de paster mocht ik niet langer in de kapel verblijven. Voor de tweede keer door de kerk verbannen dwaalde ik door de straten van de stad, tot het kleurrijk overschilderde portaal van het Staatsmausoleum mijn aandacht trok. Het bleek bijzonder eenvoudig te kraken. Er ontbrak slechts één element om mijn plan te doen slagen, en zelfs dat was maar een kwestie van centiliters.

Daarom bracht ik een bezoek aan de sportschool aan de noordzijde van het park, waar ik postvatte aan een drukbezochte klimmuur. Ik zocht de meest atletisch uitziende klimmer uit, wachtte tot hij zijn bezwete shirt uittrok en griste het toen uit zijn eeltige handen, om het verscholen achter een frisdrankautomaat boven mijn geopende mond uit te wringen. In het lichaam van de klimmer sloeg ik erin het Staatsmausoleum langs een geopend raam op de derde verdieping binnen te glippen.

Een overschot aan ongebiechte, onvergeven zonden was in de harten van zijn parochianen gaan branden

Die nacht opende ik de sarcofaag van een oude heerser en likte ik zijn dodenmasker schoon. Zijn perkamenten huid kleefde droog aan het zuiver glanzende, groen gelakte goud. Ik brak glas en bevrijde een met middeleeuws bloed bevlekte morgenster uit zijn duizendjarige hechtenis. Het bloed smaakte roestig, tintelend op mijn tongpunt. Ik onderzocht de vijfpuntige hoed van een keizer en vond een enkele grijze haar, waar ik urenlang op zoog. Ik opende de tombe van een ontdekkingsreiziger en inhaleerde de droge huidschilfers van de slaven die samen met hem begraven waren. Ik dronk heilig bloed uit een zilveren cilinder.

Ik legde mezelf te slapen in een urne die bedoeld was voor de as van een legendarische reus, en droomde over mijn vele levens. Ik droeg de kompassen en sextanten van de ontdekkingsreiziger over hoge pieken, verblind door de mist die over de kust aan kwam rollen, van mijn zinnen beroofd door hallucinogene bekerplanten. Ik struikelde over een gevallen broeder en ontweek de stekels van de morgenster terwijl ik mijn rijk ten onder zag gaan aan overzeese barbaren. Men nam mij gevangen en voerde mij naar de leider van het vijandige volk, die mijn gezicht droeg. Ik weigerde te knielen en werd onthoofd.

Toen ik weer bij zinnen kwam werd ik aangesproken door de Mausoleumgarde, hun hellebaarden en paternosters dreigend naar mij uitgestoken. Nog diezelfde dag brachten ze me naar het Instituut, zoals ik gehoopt had.

De Decaan, zo zag ik onmiddellijk, was zichzelf niet. Het geronnen bloed dat aan zijn vette onderlip kleefde verraadde hem. Hij verwelkomde me als een oude vriend, en ik wist dat hij Kauw was, en de echte Decaan reeds volledig verteerd.

Ik weigerde te knielen en werd onthoofd

Nu hij over de manschappen van het Instituut beschikte, vertelde hij me, stond niets de bevrijding van Kauw nog in de weg. Die avond zou hij, met zijn honderden dienaren in zijn zog, het bureau bestormen en de kluis kraken. Alsof hij dacht dat het me zou plezieren stelde hij me aan als rechterhand. Ik weigerde zijn aanbod, hoe aanlokkelijk hij ook dacht dat het moest lijken.

Hongerig, alweer, sloot ik mezelf op in de isoleercel in de kelderverdieping. Ik wist dat er die nacht bloed zou vloeien, dat ik mezelf niet onder controle zou kunnen houden en me tegoed zou doen aan de resten van de gevallen agenten. Voor het eerst walgde ik bij de gedachte aan aaseterij. Slechts een halve nacht had ik in het Mausoleum doorgebracht, maar dat was genoeg. Mijn maag was verzwakt door het eten van doden, het zuur steeg me naar de keel en verbrandde mijn luchtpijp, mijn stembanden. Mijn hoofd werd almaar lichter, mijn ruggengraat almaar zwaarder.

Ik had genoeg van andermans vlees, en begon aan mezelf.

Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven