Studentendemonstratie Malieveld 2011 / Flickr

Wat er mis is met de zesjescultuur

‘Waarom genoegen nemen met een zesje? Waarom kunnen niet meer Nederlandse studenten cum laude afstuderen?’ Acht jaar, drie ministers van onderwijs en talloze onderwijshervormingen later lijkt de roemruchte aanklacht van Jan-Peter Balkenende eindelijk gehoor te vinden.

De afgelopen weken brachten enkele masteropleidingen namelijk het nieuws dat zij een ingangseis van een zeven gemiddeld gaan hanteren. De aankondiging leidde tot verontwaardigde reacties. Twan Stoffels schreef op Vice dat hij ‘niet goed begrijpt wat er mis is met de zesjescultuur’ en Julius de Hond pleitte op deze site voor verscheidenheid in de collegezaal.

Deze ‘kwaliteitsmaatregel’ riekt inderdaad naar gemakzucht: de kwaliteit van onderwijs hangt niet alleen af van het niveau van de studenten, maar minstens evenzeer van de competentie van docenten. Een werkelijke kwaliteitsimpuls vraagt dus niet alleen om strengere selectie, maar ook om investeringen. Maar aan deze interessante discussie komen De Hond en Stoffels amper toe: zij verzanden in een pleidooi voor het recht op academische middelmaat.

Tegenstanders van de ingangseis pleiten voor het recht op academische middelmaat

Zo schrijft Stoffels dat ‘lang niet iedereen studeren als voornaamste bezigheid ziet in zijn of haar jongvolwassen bestaan.’ Bovendien ‘begint een heel groot gedeelte [van de studenten] aan het eind van de zomervakantie aan een studie waarvan ze absoluut niet weten of het wel de goede is.’ Daarbij vraagt de auteur zich af: ‘Waarom is dat minder goed dan iemand dit wel weet? (sic)’ Ook vindt Stoffels het belangrijk dat jonge studenten de kans hebben om zelf te beslissen over ‘de verhouding tussen studeren en andere dingen als – ik noem maar wat – uitzoeken wat je echt belangrijk vindt.’

Anno 2015 lijken de meeste mensen er wel van doordrongen dat de universiteit een prachtig maar prijzig instituut is, deels gefinancierd door publiek geld. Als Nederlandse student betaal je nog steeds maar een klein deel van de werkelijke kosten van je opleiding; de rest komt voor de rekening van de belastingbetaler. De daaruit volgende toegankelijkheid, die de laatste jaren helaas steeds meer afbrokkelt, is een groot goed. Maar tegelijkertijd schept publieke financiering ook verplichtingen. Studeren kost de maatschappij geld, dus als je niet weet wat je wil studeren, en eigenlijk zelfs niet of je überhaupt wil studeren, dan kun je het beter (nog) niet doen.

Het feit dat het in Nederland lange tijd wél mogelijk geweest is om jarenlang ingeschreven te staan als student zonder veel te studeren – getuige de studieduur van een aantal vooraanstaande politici – betekent natuurlijk nog niet dat dit een grondrecht is, of zelfs maar een goede zaak. Studeren is een voorrecht: je krijgt de vrijheid om je vier of vijf jaar lang te verdiepen in een onderwerp van jouw keuze, onder begeleiding van experts op dat gebied.

Als je studeren ziet als bijzaak en excuus om ondertussen ‘uit te zoeken wat je echt belangrijk vindt’, ontbreekt duidelijk elke vorm van academische interesse. Dat is niet erg, maar wel een belangrijke reden om niet te gaan studeren. Je kunt namelijk ook heel goed nadenken over wat je echt belangrijk vindt zonder ingeschreven te staan aan een universiteit.

Het is opvallend dat beide bovengenoemde critici de ‘topstudent’ Marin Licina, die zich uitsprak vóór de zeven-maatregel, afschilderen als een enigszins verdachte en overambitieuze streber. De Hond schetst een schrikbeeld van ‘homogene collegezalen vol competitieve carrièretijgers à la Marin Licina’ en aan Stoffels ontgaat ‘het echte voordeel dat je in je latere leven hebt aan het halen van zeer hoge cijfers (…) Tenzij je graag het leven tegemoet wil treden met een Harvard-diploma in je binnenzak.’

Het lijkt niet in de auteurs op te komen dat Licina misschien niet alleen vanwege zijn CV aan Harvard heeft gestudeerd, maar vooral omdat hij daar samen kon werken met toonaangevende experts in de frontlinie van zijn vakgebied. Sommige mensen studeren hard uit bevlogenheid, om uiteindelijk op hoog wetenschappelijk niveau onderzoek te kunnen doen. Een student die met zesjes door zijn studie heen rolt, zal dit niveau waarschijnlijk nooit kunnen bereiken.

Dat geeft niets: we hoeven niet allemaal toponderzoekers te worden en iedereen is vrij in het stellen van prioriteiten. Maar ambitieuze en gepassioneerde studenten diskwalificeren als arrogante snobs is de omgekeerde wereld en symptomatisch voor een kleingeestige Nederlandse mentaliteit: ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’

Je kunt heel goed nadenken over wat je echt belangrijk vindt zonder ingeschreven te staan aan een universiteit

De universiteit is de hoogst aangeschreven vorm van onderwijs in Nederland en de master is daarbinnen weer de hoogst haalbare opleiding. Het is dus helemaal niet zo vreemd dat sommige van deze masters aanvullende eisen stellen aan de inkomende studenten. Ook is het logisch dat minstens één van die eisen met cijfers te maken heeft, omdat die een redelijk beeld geven van een belangrijk kenmerk van een student: academische capaciteiten.

Kijken naar cijfers is geen perfecte methode en zegt niet altijd alles, maar het is nu eenmaal de beste graadmeter die we hebben. Natuurlijk zouden daarnaast motivatiebrieven, referenties en toelatingsgesprekken dit beeld compleet moeten maken en waar nodig nuanceren, om écht weloverwogen te kunnen kiezen.

Het is geen rare eis dat studenten die de hoogst mogelijke kwalificatie willen behalen aan een instituut dat volledig draait om studie en onderzoek, blijk moeten geven van academische interesse en competentie. Student zijn draait niet uitsluitend om zelfontplooiing en uitvinden wat je leuk of belangrijk vindt. Het draait in de eerste plaats om studeren.

Gerelateerde artikelen
Reacties
3 Reacties
  • Wat in dit debat iedereen vergeet of vergeten lijkt te zijn, is dat het afronden van een bachelor opleiding toegang zou moeten kunnen geven tot een aansluitende master, althans zo was het systeem ooit opgezet.
    Dat kennelijk het zijn van een 'zesjesstudent' niet voldoende aansluiting zou bieden bij een master betekent in mijn ogen dat een 'zesje' te makkelijk te behalen is. Dit houdt dus in dat een universitaire opleiding studenten laat afstuderen terwijl ze een te laag niveau hebben voor een master, en dat er dus iets mis is met de kwaliteit van de bacheloropleidingen, of met de beoordelingscriteria die zij hanteren.
    Misschien ligt daar het werkelijke probleem, het is niet het probleem dat er studenten zijn die studeren als bijzaak zien of een beetje lui door hun studie wapperen, maar het is een probleem dat universiteiten de prestaties van deze studenten nog steeds als voldoende (6) kwalificeren.

  • Arjen Noordhof,

    Ik ben universitair docent aan de UvA en ik heb het hier enorm mee oneens. Als de normen die wij stellen te laag zijn moeten we strenger worden en dus meer onvoldoendes geven, maar een 6 is voldoende. Als je de grens bij 7 stelt, wordt 7 het nieuwe voldoende. Over een paar jaar begint men dan te klagen over de zeventjes-cultuur. Zinloze inflatie.

  • Gelukkig lijkt het bij ons niet op te komen dat dit artikel niet alleen vanwege haar CV is geschreven, maar vooral omdat ze daardoor samen kon werken met toonaangevende experts in de frontlinie van haar vakgebied.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven