Hans Braxmeier

Wat vinden we eigenlijk het verdedigen waard?

De wereld heeft een onstuimige zomer achter de rug – door sommigen al ‘the summer of war’ genoemd. Een zomer die inmiddels omgeslagen is in een gespannen herfst vol onzekerheid over wat komen gaat. Een zomer die acute vragen oproept: over onze rol in de conflicten, over hoe wij het beste kunnen anticiperen op het gebeuren, over wat het zou kunnen betekenen voor de toekomst. Stuk voor stuk belangrijke vragen. Een andere vraag die we ons nu zouden moeten stellen, maar die zelden wordt gesteld, is echter minstens zo belangrijk: Wat vinden we eigenlijk de moeite van het verdedigen waard?

Voor vrijwel iedereen kwamen de ontwikkelingen van afgelopen zomer als een verrassing. Dat gold ook voor mij. Vorig jaar maakte ik rond deze tijd een lange reis ‘langs de randen van Europa’ die inmiddels niet meer verantwoord zou zijn. In een landrover reed ik met een vriend van Turkije, door Iran, de Kaukasus en Rusland naar de Poolcirkel. Ik heb me destijds, op een enkele heikele grenssituatie na, zelden onveilig gevoeld. De reis liep onder andere door of langs de  Turks-Syrische grens (nabij Kobani), Iraans Koerdistan (nabij Erbil), de Armeens-Azerbeidjaanse grens (nabij Nagorno-Karabach) en de Russisch-Oekraïense grens (van Volgograd naar Moskou). Inmiddels worden Kobani en Erbil belegerd door IS, is het geweld in Nagorno-Karabach opnieuw opgelaaid  (wat vanwege alle aandacht voor IS en Oekraïne amper het nieuws heeft gehaald) en behoeft de situatie in Oekraïne amper nog verdere uitleg.  Een ongekende destabilisering, in zo’n korte tijd.

Ook in het 'kristallen paleis' Europa lijken de eerste barstjes te zijn geslagen

Lange tijd konden we denken: zolang die conflicten buiten de grenzen van Europa plaatshebben, is er toch niets aan de hand? Al zo lang er mensen leven, woeden de oorlogen – zo af en toe heviger dan anders – maar ‘wij’ op het oude continent leven toch (op enkele kleine smetjes na) sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zonder grootschalig geweld. Toch lijken ook in het ‘kristallen paleis’ Europa – vol welvaart, vrede en veiligheid – deze zomer de eerste barstjes te zijn geslagen. Niet langer verkeren we in de illusie dat we onbezorgd over oorlogsgebieden naar exotische bestemmingen kunnen vliegen, Nederlandse Syrië-gangers roepen op tot ‘een sterke daad tegen uw overheid’ en een toenemende vluchtelingenstroom drukt zwaar op Europa.

Vijf jaar geleden schreef Luuk van Middelaar (speechschrijver van Herman van Rompuy) dat het vredesproject Europa zijn langste tijd wel had gehad [1]. Indien Europa haar invloed in de wereld wilde behouden, was het volgens hem tijd om het vredesproject, dat draaide om idealisme en verzoeningsbereidheid, om te vormen tot een machtsproject. Een politieke daad die vraagt om een herdefiniëring van het eigenbelang. Volgens van Middelaar waren het niet zozeer de onderlinge verdragen, maar vooral de schokken van buiten geweest – de Suezcrisis, de val van de muur, 9/11 – die wezenlijk waren voor de vorming van Europa als machtsproject. Afgelopen zomer kende vele schokken die dat machtsproject wellicht vooruit zouden kunnen helpen.

Is introspectie niet minstens zo belangrijk als een blik op de wereld en de vraag naar hoe we ons daarin willen manifesteren?

Maar mag macht wel een doel op zich zijn? Zou zij niet altijd in dienst van iets anders, intrinsiek waardevols, moeten staan? Anders dan een (natuurlijk belangrijke) herbezinning op de rol van defensie en hoe die te organiseren zou ik daarom een andere – minstens zo belangrijke – vraag op willen werpen: wat vinden wij het verdedigen waard? Waarvoor zouden we offers willen plegen? Wat is er precies in het geding? Alleen onze veiligheid en welvaart? Alleen de bekoorlijke glinstering van ons kristallen paleis? Of is het meer dan dat? Is er ook een beschavingsideaal en een mensvisie in het geding? Een verzameling van culturele en morele waarden die ook van binnenuit een voortdurend zoeken, een permanente toewijding en bekrachtiging behoeft? Is, met andere woorden, een zekere introspectie niet minstens zo belangrijk als een blik op de wereld en de vraag naar hoe we ons daarin willen manifesteren? En zou het niet zo kunnen zijn dat de beantwoording van de vraag naar wat voor ons van waarde is, ons veel zwaarder valt – en we die vraag daarom zelden stellen – dan de beantwoording van de vraag naar de inrichting van ons buitenlandbeleid? Dat we precies daarom altijd maar weer afhankelijk zijn van de door van Middelaar genoemde ‘schokken van buitenaf’ om vooruit te kunnen komen?

Het definitieve antwoord op die vragen heb ik niet, maar ik denk wel dat het belangrijk is om ze te stellen. Want misschien heeft het pas als we helder krijgen wat er voor ons daadwerkelijk van waarde is, zin om ons – Luceberts beroemde zin indachtig dat alles van waarde weerloos is – af te vragen of en hoe we die waarde(n) willen verdedigen.

Dit is een bewerking van een column die de auteur op 27 oktober uitsprak op politiek café de Libertijn (over ‘The Summer of War’) in Amsterdam.



[1] Luuk van Middelaar: ‘Vredesproject Europa heeft langste tijd gehad’ in: CDV, Krachtproef Europa, Jaargang 2009, No. 3, 80-88.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven