The extended mind / Flickr - Aung Photography

Weg met wiskunde en geschiedenis?

Waarom leren we onze kinderen nog wiskunde en geschiedenis als we rekenmachientjes en Google hebben? De discussie over de digitalisering van het onderwijs kreeg een nieuwe impuls toen begin dit jaar Platform Onderwijs2032 haar toekomstadvies presenteerde. Op initiatief van staatssecretaris Sander Dekker heeft het Platform uitgezocht welke kennis en vaardigheden leerlingen van nu nodig hebben om in 2032 goed aan hun volwassen en werkende leven te beginnen. De vraag of vakken als wiskunde en geschiedenis nog steeds ‘nodig’ zijn stond centraal in de daaropvolgende discussie.

Als we deze kwestie benaderen vanuit de cognitiefilosofie blijken er echter belangrijke aannames mee te spelen over de aard van ons denken en, in het verlengde daarvan, de aard van intelligentie.

Waar stopt ons denken en begint de rest van de wereld?

In het artikel The Extended Mind, uit 1998, vragen filosofen Andy Clark en David Chalmers zich af ‘waar ons denken stopt en de rest van de wereld begint’. Het intuïtieve antwoord is dat ons denken stopt bij de grenzen van ons brein. Tenzij je gelooft in een immateriële ziel lijkt het voor de hand te liggen dat ‘denken’ uitsluitend daar plaatsvindt. Clark en Chalmers zetten vraagtekens bij deze intuïtie en verkennen het idee dat mentale toestanden en processen, zoals “denken” en “herinneren”, fenomenen zijn die niet louter in ons hoofd plaatsvinden. Ter illustratie geven ze het hypothetische voorbeeld van Otto en Inga die beiden het museum willen bezoeken. Inga denkt even na en herinnert zich dat het museum gelegen is op 53rd street – en wandelt ernaartoe. Otto daarentegen lijdt aan de ziekte van Alzheimer en heeft daarom problemen met zijn geheugen. Om hiermee om te gaan heeft Otto de volgende oplossing: hij schrijft allerlei informatie die hij niet goed kan onthouden in een klein notitieboekje dat hij altijd bij zich heeft. Zodra hij naar het museum wil maar even niet meer zeker weet waar dat ook alweer is, kijkt hij in zijn notitieboekje, waarin keurig “53rd street” staat genoteerd – en wandelt ernaartoe.

Volgens Clark en Chalmers is het enige verschil tussen Inga en Otto dat Inga’s geheugen ‘intern’ is gelokaliseerd (dat wil zeggen, in haar brein) en Otto’s geheugen deels ‘extern’. In andere woorden, wat men traditioneel onder geheugen zou scharen is in Otto’s geval uitgebreid (extended) door middel van een notitieboekje. Clark en Chalmers stellen vervolgens dat niet alleen ons geheugen maar tal van mentale processen extended zijn, waardoor het beter is om te spreken over van een extended mind.

Terug naar het schoolcurriculum. Speelt een rekenmachine niet een zelfde rol in ons denken als het notitieboekje bij Otto? Waarom zou een interne berekening van een wiskundesom (=’uit het hoofd’) ‘beter’ zijn dan een externe (=’via een rekenmachine’). En waarom zou iemand bij een geschiedenisles jaartallen uit haar hoofd moeten leren terwijl er een enorm extern geheugen (internet) bestaat dat tegenwoordig vrij en direct toegankelijk is? Als we het idee van een extended mind accepteren zijn dit terechte en kritische vragen over de invulling van het schoolcurriculum.

Waarom zou iemand jaartallen uit haar hoofd moeten leren als er een enorm extern geheugen bestaat?

Maar wacht eens even – willen aanhangers van de extended mind theorie dat we leerlingen opleiden die alleen nog maar kunnen googelen? Wordt de volgende generatie dan geen passieve en domme bende?

Ja en nee. Een voorstander van de extended mind-benadering zou kunnen wijzen op de ambiguïteit van de term intelligentie – wat betekent die eigenlijk? Indien we intelligentie definiëren in termen van processen die zich in ons hoofd afspelen dan zijn de toekomstige scholieren inderdaad minder intelligent. Maar het idee dat we intelligentie moeten zien als iets interns is precies datgene wat de theorie over extended mind in twijfel trekt. Wat is intelligentie dan wel? Bij een IQ-test wordt intelligentie zodanig gekarakteriseerd dat een hoge score impliceert dat je goed functioneert in onze maatschappij. Een extended mind-aanhanger zou vervolgens kunnen beargumenteren dat men tegenwoordig inderdaad intelligenter is (c.q. beter kan functioneren) naarmate iemand meer externe bronnen van cognitie kan aanwenden (zoals smartphones, rekenmachientjes en internet). Iemand die goed met internet om kan gaan is in dat opzicht ‘intelligenter’ dan een internationaal schaakmeester die digibeet is.

Dienen we dan toe te geven dat sommige onderdelen van het schoolcurriculum inderdaad overbodig zijn? Die conclusie is wat voorbarig. Allereerst zijn potentieel overbodige vakken zoals geschiedenis niet alleen bedoeld om feiten bij te brengen. Het Platform Onderwijs2032 noemt, naast kennisoverdracht, ook ‘maatschappelijke toerusting’ en ‘persoonsvorming’ als belangrijke kerntaken van onderwijs. Vakken zoals geschiedenis spelen hierin een belangrijke rol, en het is niet duidelijk hoe deze andere kerntaken samenhangen met de extended mind.

Een groter probleem betreft de vraag of er geen ‘interne’ intelligentie vereist is om onze mind extended te maken? Oftewel: moet je wiskundig inzicht hebben om überhaupt een rekenmachine te kunnen bedienen? Een aanhanger van de extended mind-hypothese zou hier op kunnen reageren dat ook wiskundig inzicht niet ‘in ons’ hoeft te zitten en dat een werkelijk intelligent persoon een tutorial op Youtube kan vinden wanneer het even niet wil lukken met de rekenmachine.

Toch brengt deze ‘oplossing’ nieuwe problemen met zich mee. De externe bronnen die beschikbaar zijn, zoals de informatie op internet, zijn nagenoeg onbeperkt. De vraag is hoe iemand in staat zou zijn om de juiste bronnen op de juiste momenten te herkennen en aan te wenden – dit lijkt bepaalde kennis en vaardigheden te impliceren. De intuïtie van veel mensen is waarschijnlijk dat er toch bepaalde interne vormen van intelligentie nodig zijn om met externe bronnen om te gaan.

In de huidige context is daarom de belangrijkste vraag welke interne vormen dat zijn (in relatie tot welke externe bronnen) en, in het verlengde daarvan, of het schoolcurriculum aansluit bij deze verschillende maar allebei legitieme noties van intelligentie.

Het idee van de extended mind biedt een nieuwe manier van kijken. Die moet, ondanks een tegen-intuïtief idee van onze mind, serieus genomen worden maar vereist vooral nader onderzoek. Het idee levert interessante inzichten op: de extended mind zet het denken over denken op z’n kop - of beter: uit het hoofd.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven