Flickr / IAEA Imagebank

Wetenschappers aan de lopende band

Iedereen die op een universitaire bèta-onderzoeksafdeling heeft rondgelopen kent ze: Aziatische promovendi, soms gekscherend 'labchinezen' genoemd. De meeste mensen hebben er in elk geval één gezien op televisie. Xiao Wang, promovendus in Groningen, deelnemer aan Holland’s got talent waar hij onheus werd bejegend door Gordon. Nummertje 39. De opmerking zorgde voor een kleine nationale rel. Er zijn in Nederland honderden Aziatische promovendi als Xiao Wang, wie zijn deze wetenschappers en waarom komen ze naar Nederland?

China verschaft goede studenten een kans een buitenlandse promotieplek te bemachtigen door een beurs aan te bieden die de salariskosten van deze studenten dekt. Soortgelijke beurzen bestaan ook voor goede studenten uit andere Aziatische landen, zoals Pakistan en Iran. De Aziaten die naar Nederland en andere Westerse landen komen voor hun promotie behoren dus tot een selecte groep goede studenten. Ze dragen bij aan het wetenschappelijk onderzoek in Nederland en het cliché dat Aziaten hard en lang werken blijkt ook vaak waar. Onze kenniseconomie geholpen en de buitenlandse promovendi doen waardevolle ervaring op. Een klassiek gevalletje 'win-winsituatie'.

Buitenlandse promovendi brengen geld in het laatje.

Buitenlandse promovendi worden graag en veel binnengehaald, niet in de laatste plaats omdat deze wetenschappers geld opleveren. Iedere promovendus die zijn doctoraat ontvangt, levert de onderzoeksafdeling een bedrag van ongeveer 93.000 Euro op. Een perverse prikkel. Het is al langer duidelijk dat dit soort beloningen een verkeerd effect sorteren, wat er in dit geval toe leidt dat het promotietraject wordt uitgehold. Promovendi moeten sneller en in grotere getale worden afgeleverd en dit gaat ten koste van de kwaliteit. Deze prikkel geldt natuurlijk voor alle promovendi, maar buitenlandse promovendi nemen zelf hun geld mee, waardoor onderzoeksgroepen nauwelijks hoeven te investeren – dubbele winst! De promovendus gaat terug naar het land van herkomst met een papiertje van een respectabele universiteit, de betreffende universiteit heeft een forse premie binnen en er is weer wat wetenschappelijk werk verzet.

De flinke influx van buitenlandse promovendi brengt echter grote problemen met zich mee. Zo is er vaak een grote taalbarrière. Engels wordt soms alleen op papier beheerst en (zeer) slecht gesproken en verstaan. Iedere bètawetenschapper kent wel een situatie waarbij de gesprekspartner, of erger nog de presentator van een werkbespreking of seminar, niet verder komt dan verloren grijnzen. Helaas wordt het taalprobleem lang niet altijd ingelopen tijdens het promotietraject. Omdat buitenlandse promovendi, in tegenstelling tot de meeste van hun Nederlandse collega’s, geen onderwijsverplichting hebben, hebben ze ook geen sterke prikkel om de Engelse, laat staan de Nederlandse, taal te leren. Deze taalachterstand beperkt vanzelfsprekend samenwerking met andere wetenschappers en het vermogen om scherp wetenschappelijk te discussiëren.

Aziatische promovendi zijn veelal gewend dat hun professoren de dienst uitmaken. Een relatief vlakke hiërarchie zoals wij die kennen in Nederland is voor hen dan ook een flinke omslag. Het is lastig voor hen zich kritisch te uiten tegen bijvoorbeeld een promotor, laat staan dat te doen in een taal die slechts half wordt beheerst. Deze factoren kunnen leiden tot een situatie waarin de Aziatische promovendus een veel beperkter promotietraject doorloopt dan Europese collega’s. In plaats van een gedegen onderzoeker, die zijn werk en dat van anderen kritisch kan bespreken en beschrijven, promoveert er iemand die braaf gedaan heeft wat hem of haar verteld is.

Door de taalbarrière en de onmondigheid bestaat het gevaar dat de verhouding tussen promotor en promovendus doorslaat in het nadeel van de laatstgenoemde. Dat kan in extremis leiden tot een situatie waarin een buitenlandse promovendus wordt ingezet als 'labslaaf' waarbij de orders van de professor netjes en zonder kritiek worden opgevolgd. De uiteindelijke thesis moet geschreven worden door iemand die het Engels beperkt machtig is. In het ergste geval schrijft de promotor zelf een deel van het proefschrift van zijn promovendus.

De professor geeft orders, de 'labslaaf' voert ze uit.

Het op papier schitterende ‘een-tweetje’ waarin onze kenniseconomie profiteert van buitenlands talent en dit talent op zijn beurt waardevolle kennis opdoet, is dus wellicht utopischer dan het in eerste instantie lijkt. Diploma’s leveren enkel winst op de korte termijn: een bul voor de promovendus en een smak geld voor de afdeling. Op de lange termijn is deze constellatie een slechte zaak: de investering van de overheid in onderzoek gaat ten dele verloren, het onderzoek wordt immers uitgevoerd door iemand die niet de ontwikkeling doormaakt die gewenst is. De directe output van het werk kan dan minder zijn, maar ook het potentieel en toekomstperspectief van de promovendus lijdt daaronder. Een groot deel van de ‘opbrengst’ van een goede PhD is immers de waarde die hij toevoegt in het vervolg van zijn of haar loopbaan. Verder ontstaat bij een dalende standaard voor (sommige) buitenlandse promovendi het risico dat de lat omlaag gaat voor alle promovendi. De eisen voor proefschriften zijn al minder hoog dan vroeger, toen de tijdsdruk en het aantal promovendi beiden stukken lager lagen.

Los van de wetenschappelijke kwaliteit is er nog een ander probleem. Aziatische promovendi ontvangen een aanzienlijk lagere vergoeding dan hun Europese collega’s. Chinezen en Pakistanen krijgen een maandelijks bedrag om te voorzien in hun levensonderhoud dat onderdeel is van hun beurs uit het thuisland. Respectievelijk krijgen zij netto ongeveer twee derde en iets meer dan de helft van wat een promovendus verdient die met Nederlands geld is aangesteld. Van dit geld moeten soms ook nog de partner of zelfs een kind worden onderhouden. Dikwijls wordt deze vergoeding aangevuld vanuit het ontvangende instituut, maar dit is geen algemene regel. Er zijn aanzienlijke aantallen promovendi die moeten rondkomen van een, naar Nederlandse maatstaven, zeer karig inkomen. Dit heeft er al toe geleid dat Chinese promovendi een beroep moesten doen op voedselbanken. De vele uren die de hardwerkende buitenlandse promovendus op zijn werk doorbrengt zijn dus waarschijnlijk niet alleen te verklaren door het arbeidsethos, maar ook omdat er simpelweg geen geld is voor andere activiteiten en het kantoor of lab meer comfort biedt dan het te kleine appartement dat met te velen wordt gedeeld.

Om bovenstaande situaties te voorkomen zijn er veranderingen in het universitaire systeem nodig. Buitenlandse promovendi zouden hetzelfde betaald moeten krijgen als Nederlandse, waarbij de onderzoeksgroep de beurs van de buitenlandse promovendus aanvult. Gelijke monniken, gelijke kappen. Dit zorgt ook voor een grotere betrokkenheid van de onderzoeksgroep aan de promovendus, in plaats van: 'Beurs mee? Kom maar!'. Verder zou er voor promovendi een verplichting moeten komen tot het beheersen van de (Engelse) taal. Zonder degelijke beheersing van de taal kun je simpelweg niet goed genoeg functioneren in een wetenschappelijke setting. Hier zijn goede internationale standaarden voor en een simpel intakegesprek zou de geclaimde niveaus kunnen staven. Deze suggesties zouden in elk geval potentiële verschillen tussen promovendi kunnen verkleinen, het grootste probleem, de promotiebonus, wordt hiermee echter niet aangepakt.

Buitenlandse promovendi zouden hetzelfde betaald moeten krijgen als hun Nederlandse collega's.

Een cynische politieke toekomstvisie: al jaren steekt de discussie over het invoeren van een bursalenstelsel voor promovendi zo nu en dan de kop op. Promovendi worden een soort veredelde studenten en het traject een jaar ingekort. Even kort door de bocht: universiteiten en de overheid willen wel, want de kosten worden gedrukt. Onderzoekers zijn over het algemeen tegen, omdat promoveren voor mensen mogelijk financieel onhaalbaar wordt en het traject wordt uitgehold.

Het moedwillig laten bestaan of creëren van onbalansen in het huidige systeem, kunnen uiteindelijk dienen als de benodigde rechtvaardiging om het huidige promotietraject om zeep te helpen. De zwakke positie van Aziatische, maar op termijn wellicht alle promovendi zou dan zowel op individueel als op systeem niveau tot wetenschappelijke inflatie leiden, door het uiteindelijk afschaffen van de vierjarige promotie.

Zolang meer promovendi worden afgeleverd en de prikkel van financieel gewin blijft bestaan, lopen we het risico dat het promotietraject, dat dient op te leiden tot kritische en zelfstandige wetenschappers, afglijdt en verwordt tot een fabrieksmatig systeem waarin weinig ruimte is voor eigen inbreng en creativiteit. Dit probleem is het meest tastbaar bij sommige kwetsbare buitenlandse promovendi, maar is in essentie een gevaar voor alle promovendi. We moeten uitkijken dat uiteindelijk, afgezien van hun nationaliteit, promovendi niet dreigen te worden gevormd tot, je kunt het oneerbiedige, stereotyperende cliché al voelen aankomen, 'labchinezen. Nummertje 39'.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie
  • Die flinke smak geld voor de afdeling valt nogal tegen: meestal worden de bursalen maar voor 3 jaar gefinancierd, met geen of minimaal budget voor experimenten, en is de promotiebonus dus al vooraf begroot om de proeven en het 4e jaar te financieren. Neemt de perverse prikkel niet weg, maar laat zien dat de nood nog hoger is.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven