Flickr / mimax

Wie ben ‘ik’ nog in deze tijd?

In zijn meesterwerk Zijn en Tijd gaat de Duitse filosoof Martin Heidegger in op de belangrijkste vraag die een mens zich in zijn leven kan stellen: de vraag naar het zijn. In deze tijd is er, in mijn ogen, geen andere vraag zo van belang als deze. Wat is dan deze tijd? Deze tijd is de tijd van het meisje in de trein wier scherm haar leven vult. Het is ook mijn tijd als ik voor het slapen gaan mijn mail nog eens bekijk en diverse profielen langs scrol. Het is de kracht van de alledaagse wereld die je kortstondige verlangens vervult. Die wereld die je enerzijds zo vertrouwd is en geruststelling biedt, maar je anderzijds zo sterk kan beïnvloeden dat je jezelf verliest.

In Zijn en Tijd zet Heidegger deze kracht van de alledaagse wereld uiteen in zijn notie van het men. Je bent, zo stelt Heidegger, niet zomaar de gegeven ‘ik’ in de wereld. Je bent, in de gewone dagelijkse wereld, ook niet zozeer jezelf, maar veeleer de anderen. Je bent continu samen en je wordt door die anderen continu zo beïnvloedt dat je niet langer kunt spreken van een op zichzelf staand ‘ik’. In je leven ben je, bewust of onbewust, telkens bezig met deze verhouding; hoe sta ik in verhouding tot mijn mede-mens? De vragen: Welke sneakers zijn hip? Welke muziek luister ik? etc. zijn vragen die je stelt over jezelf, maar die eigenlijk vragen: wat vinden de anderen? Deze relatie tot de anderen kan je duidelijk voor ogen staan, maar kan ook onopvallend en complex zijn. ‘Hoe onopvallender de zijnswijze van het alledaagse erzijn zelf is, des te hardnekkiger en oorspronkelijker is haar werking.’ (169) Het alledaagse typeert zo de wereld van de anderen om je heen die je in je macht kan hebben en die ook macht op jou uitoefent. Wie de anderen zijn is onbepaald, zelf behoor je er ook toe. ‘Het “wie” is het neutrum, het men.’ (170) Dit men, waar eenieder deel van uitmaakt, ontplooit zich onopvallend, maar met een ontegenzeggelijke kracht: het dicteert de zijnswijze van het individu.

We genieten en amuseren ons zoals men geniet; we lezen, zien en oordelen over literatuur en kunst zoals men ziet en oordeelt; maar we trekken ons ook terug uit de ‘grote massa’ zoals men zich terugtrekt; we vinden ‘aanstootgevend’ wat men aanstootgevend vindt.’(170)

Je zult niet uit deze wereld kunnen komen. Je bent allereerst, als onderdeel van het men, op deze oneigenlijke manier in de wereld. Het men is nog nooit zo dichtbij gekomen als nu, met de smartphone continu op zak is de ander doorgedrongen tot elke seconde van de dag. Het men heeft je zo in een soort houdgreep. Het men dat je niet kunt afdoen als de anderen, waar je zelf los van staat; je maakt er zelf ook, met alles wat je doet, deel van uit. Natuurlijk is dit niet in alle opzichten een doemscenario, de mens is van nature een groepsdier. Wel de verhouding tussen jezelf en de anderen er één waarbij je continu stil moet staan en waar je op moet reflecteren om je keuzes welbewust te maken. Een volgende stap die Heidegger zet in de vraag naar het zijn is de vraag hoe je je ‘ware’ zelf weer kunt terugvinden uit dit massale zijn: de mens draagt de mogelijkheid te existeren tot zijn eigenlijke zijn. Dat vereist moed. Moed om uit de vertrouwde en veilige wereld van het men te treden en jezelf, als enkeling, onder ogen te zien.

Meer zien over dit onderwerp:

Get Adobe Flash PlayerAls het niet mogelijk is Flash te installeren kunt u de video bekijken via deze link.

Gerelateerde artikelen
Reacties
1 Reactie

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven