Flickr / André P. Meyer-Vitali

Wie is er nog bang voor Wilders?

Toen ik in 2012 als hoofdredacteur van deFusie begon, was ik net afgestudeerd. Hoe vaak overkomt het een filosofiestudent dat z’n scriptie actueel wordt? Ik had me voor mijn onderzoek diep in de politiek-ideologische logica van het populisme gegraven – sommige mensen vonden dat een beetje banaal. Populisme was fout, er was niet zoveel raadselachtigs aan. Tot het kabinet viel. Pers en publiek waren met stomheid geslagen toen Geert Wilders zijn duur uit onderhandelde macht in de ‘gedoogcoalitie’ zonder blikken of blozen over boord gooide. Waarom deed hij dat? Wat drijft de populist?

Om populisme van andere politieke fenomenen te onderscheiden werken veel politicologen met ongeveer de volgende definitie: “populisme is een ideologie die de samenleving verdeelt in twee homogene groepen, het deugdzame volk en de corrupte elite”. En dat is een heel mooie definitie, maar het wekt de indruk dat iedereen die iets doet uit naam van het volk, en iedereen die zich afzet tegen een elite — corrupt of anderzijds ongewenst — een populist is. Volgens die redenering was Occupy ook een populistische beweging en was zelfs Gandhi een populist. Als je er op die manier naar kijkt wordt ‘populisme’ een te brede en diffuse term, die op zoveel fenomenen van toepassing is dat het bijna geen werkbare betekenis kán hebben. Het specifiek populistische karakter van populisme wordt eigenlijk niet bepaald door de namen ‘volk’ en ‘elite’. Niet iedereen die ‘volk’ roept, is af.

Niet iedereen die ‘volk’ roept, is af

Het zwaartepunt van deze definitie ligt veel meer in de termen ‘deugdzaam’ en ‘corrupt’. Populisten operen namens mensen die per definitie deugdzaam zijn, tegen mensen die per definitie corrupt zijn. Dit komt het best tot uiting in de manier waarop er altijd een groot, bijna onnoembaar, gevaar en een dreigende crisis opgevoerd moet worden, voordat er politiek bedreven wordt. Populisten spreken nooit namens zomaar een deel van het land over zomaar een politiek probleem. De problemen die door populisten aangekaart worden, zijn altijd heel bijzonder. Het gaat niet over overlast, maar over straatterreur. Het gaat niet over een toename van immigranten die niet gedragen kan worden door onze instituties, maar om een ‘tsunami’ en heuse ‘islamisering’ of een gecoördineerde poging tot het vestigen van een wereldkalifaat. Deze ‘grote boze dreiging’ betreft niet alleen immigranten – het gevaar kan ook uit de gevestigde elite komen. Pim Fortuyn kwam al naar Den Haag om een hele ‘Nieuwe Politiek’ te vestigen. Rita Verdonk heeft ooit een debat lang volgehouden ‘dat de wet de wet was’. Dat lijkt dommig en tautologisch, en heeft schijnbaar evenveel betekenis als de opmerking dat een giraffe een giraffe is – maar Verdonk impliceert ermee dat haar politieke tegenstanders van plan waren de wet te negeren. Verdonk, kortom, was Neerlands laatste hoop in een tijd waarin politici moedwillig de wet poogden te overtreden om een leugenachtige Somalische collega aan een paspoort te helpen. Bij welhaast iedere populist kan men een grote morele crisis aantreffen waarin hij of zij het opneemt voor het deugdzame en kwetsbare volk.

De Grote Morele Crisis is een prettig politiek instrument. Een Morele Crisis is altijd ernstiger dan een politieke crisis. Een politieke crisis kan opgelost worden door politici, bij een Morele Crisis worden alle politici plotseling onbetrouwbaar. Feitelijk functioneert de Grote Morele Crisis als een soort troefkaart. Het stelt de populistische politicus in staat om zijn of haar tegenstanders op ieder gegeven moment volledig de mond te snoeren. Een populist presenteert zichzelf als moreel gelegitimeerd om vragen van (collega)parlementariërs simpelweg niet te beantwoorden, net zoals een populist moreel gelegitimeerd is om geen vragen van kritische media te beantwoorden. De strijd van populisten is altijd groter dan het parlement en altijd groter dan wat zo’n vastgeroeste politiek journalist kan bevatten. De Nederlandse handelsbelangen in Turkije vallen in het niets bij de ‘islamo-fascistische’ ambities van president Güls AK partij. Een scherper voorbeeld van de troefkaartlogica kan men vinden in een interview dat Sven Kockelmann ooit met Marine Le Pen ondernam. Daarin bevroeg hij haar over het feit dat er leden van het oude Vichy regime lid zijn van het Front National. Ze wierp tegen dat het FN ook leden had uit het verzet. Kockelmann wees haar er rustig op dat je verzetsleden niet tegen Nazi’s kan wegstrepen, en dat Nazi’s in je partij hoe dan ook een probleem zijn. Waarop ze plechtig sprak ‘Ik kan me niet druk maken over een paar partijleden, meneer, ik heb een land te redden.’ De Grote Morele Strijd die populisten voeren, ligt in termen van omvang, betekenis en legitimiteit altijd ver voorbij het gebruikelijke politieke domein en de gebruikelijke politieke mores.

Er bestaat een duidelijk begrip om dit soort politiek — politiek  in tijden van (morele) crisis — aan te duiden. En dat is ‘de noodtoestand’. De noodtoestand is de politieke logica waaronder het populisme opereert. Alle gebruikelijke procedures, ieder parlementair fatsoen mag afgewezen worden, want ‘ik heb een land te redden.’ Fortuyn had de hele Nederlandse politiek te redden van de achterkamertjes en Wilders heeft het op zich genomen om heel de Joods-Christelijke beschaving voor de ondergang te behoeden. In dat geval is het meer dan logisch dat men de pers niet te woord staat in meer dan 140 leestekens, of dat men wegloopt uit een debat.

Ik heb een land te redden

Maar in tegenstelling tot dictatoriale regimes als die van Hosni Mubarak en de Birmese junta, hebben Europese populisten, die altijd optreden binnen de lijnen van de democratie, niet de mogelijkheid zo’n noodtoestand per executief besluit op te leggen. De populistische Grote Morele Crisis en de logica van de noodtoestand kunnen alleen maar tot stand komen via dominantie in de media en heel hard geschreeuw. En om je collega-parlementariërs op hun achterste benen te krijgen, om de voorpagina’s en de openingsitems te halen, moet je iedere keer weer een nieuwe crisis, een nieuwe grote boze dreiging vinden.

(Dit is een ingekorte versie van het originele artikel, dat hier te vinden is)

Na drie jaar is dit stuk misschien wel achterhaald. Wie is er in vredesnaam nog bang voor het populisme? De PVV boekt geen grote verkiezingswinsten meer, en Wilders’ paniekerige plaat is langzaam grijsgedraaid. Bovendien had Wilders misschien wel een beetje gelijk: Jihadisten in Irak en Syrië hebben inmiddels daadwerkelijk een kalifaat gesticht, en het gaat nog steeds veel te ver om de AK partij van Erdogan en Gül ‘islamo-facistisch’ te noemen, maar democratisch en rechtstatelijk is de Turkse regering ook allang niet meer.

Tegelijkertijd vraag ik me af: is de politiek van de Grote Morele Crisis niet langzaamaan gemeengoed geworden? De gretigheid waarmee veiligheidsmaatregelen en privacyschendende wetten worden aangenomen en uitgevoerd is schrikbarend. We hebben inmiddels een minister van Veiligheid (en Justitie), waarbij je kan vragen: waar beschermt die man ons tegen? Niet tegen de staat, zeker niet tegen afluisterende geheime diensten en ook niet tegen politieknuppels.

Al is die noot te somber om op af te sluiten.

Ik wil mijn laatste stuk als hoofdredacteur van deFusie eindigen met het uitspreken van mijn dank aan alle redacteuren, alle auteurs en alle lezers die de afgelopen jaren hebben bijgedragen aan dit platform. Met het groeiende publiek, optredens in de Amsterdamse Stadsschouwburg, essaywedstrijden en schrijvers die via ons hun eerste stappen zetten in de journalistiek denk ik dat de missie van deFusie slaagt. DeFusie is ophanden!

Gerelateerde artikelen
Reacties
2 Reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven