Flickr / ConvenienceStoreGourmet

Wie houdt nou niet van muziek?

Het festivalseizoen is begonnen en de wereld lijkt er meer dan ooit om te draaien. Evenementen zonder muzikale begeleiding zijn bijna ondenkbaar en het is in de bewoonde wereld praktisch onmogelijk om er ook maar een dag aan te ontkomen. Vrij naar de woorden van Herman van Veen: ‘Op elke steiger klinkt een lied’. En dat is lastig als je niet van muziek houdt.

Is het mogelijk om niet van muziek te houden? Uit Kritiek van het Oordeelsvermogen (1790) van Immanuel Kant (1724-1804) blijkt van wel. Kants spaarzame verwijzingen schetsen een duidelijk beeld: dat van een man met een hekel aan muziek.

Het Ding an Sich is een belangrijke term die aan de basis van Kants (muziek-)esthetiek ligt en betekent zoiets als ‘het wezen van de dingen’, wat een onderscheid suggereert tussen de wereld zoals die ons toeschijnt en de wereld zoals deze in wezen is. Wij kunnen het Ding an Sich niet kennen, omdat wij alleen kennis vergaren uit verschijningsvormen die wij waarnemen via onze zintuigen: de fenomenen. Wel schijnt de natuur ons – geheel ten onrechte - toe verklaarbaar te zijn, vanwege de structuur van ons kenvermogen. Deze zorgt ervoor dat wij de natuur zien als een mechanisch systeem waaraan a priori principes ten grondslag liggen.

Dat muziek slechts een spel is van de emoties, is voor Kant reden om haar te beschouwen als de laagste kunstvorm in de rangorde der schone kunsten.

Kant stelt dat schone kunst in zoverre kunst is, dat deze tegelijkertijd natuur lijkt te zijn. Maar, zegt hij, kunst onderscheidt zich van de natuur, doordat deze ‘maakt’ in plaats van ‘voortstuwt’, zoals de natuur dat doet. Dit ‘maken’ wordt in gang gezet door een vrije wilsact. Kant maakt namelijk onderscheid tussen de wil en het sentiment: De wil is een reden tot handelen, terwijl het sentiment geen verband heeft met de rede. Omdat Kant de wil aan de rede koppelt, is de rede de basis van de kunsten en niet het sentiment.

Maar hoe verhoudt muziek zich dan tot de schone kunsten? Kant vergelijkt muziek met spraak en noemt haar de taal van de affekten: in plaats van concrete uitspraken te doen, spreekt zij slechts gemoedstoestanden. Muziek ‘spreekt’ affekten die door ons geassocieerd worden met bepaalde esthetische ideeën, die universeel worden verstaan. Zij geeft uitdrukking aan sentimenten en deze kunnen nooit ten grondslag liggen aan onze mechanische wereld (want daaraan liggen redenen ten grondslag).

Een kunstwerk moet tot de verbeelding spreken door onze gedachten in gang te zetten. Muziek doet dit echter op de verkeerde manier: zij beweegt onze gedachten louter met affekten en stimuleert daardoor ons cognitieve oordeelsvermogen niet. Dat muziek, zo gezien, slechts een spel is van de emoties, is voor Kant een reden om haar te beschouwen als de laagste kunstvorm in de rangorde der schone kunsten.

Een andere reden komt voort uit het onderscheid dat Kant maakt tussen het schone en het aangename. Hij beschouwt het aangename als de bevrediging van een bepaald verlangen: het bewerkstelligt lichamelijk genot. Schoonheid daarentegen wordt ervaren als een kwaliteit. Daar heeft het gevoel geroerd te zijn niets mee te maken, want gevoelens kunnen niet ten grondslag liggen aan een esthetisch oordeel. Bovendien moet een schone kunst een permanent product zijn om überhaupt het intellect aan te kunnen spreken.

Muziek geeft uitdrukking aan sentimenten en deze kunnen nooit ten grondslag liggen aan onze mechanische wereld.

Voor Kant is muziek eerder een aangename dan een schone kunst. Zij is namelijk geen permanent product en ontroert mensen eerder dan dat zij het intellect aanspreekt. En eerlijk is eerlijk: het gemiddelde muziekfestival aanschouwend is hier weinig tegenin te brengen. En omdat Kant stelt dat emoties nooit ten grondslag liggen aan de ervaring van schoonheid, is muziek alleen als schone kunst te beschouwen in het zeer zeldzame en onwaarschijnlijke geval, dat zij noot voor noot ontvangen wordt, als een vrij spel van emoties.

Op deze manier kan de ontvanger zich bewust zijn van de getalsverhoudingen die eraan ten grondslag liggen. Het is opvallend dat Kant hier niet spreekt over de onontkoombare getalsverhoudingen die ten grondslag liggen aan het melodische, ritmische of harmonische verloop van elk muziekwerk, maar alleen over de getalsverhoudingen binnen de noten op zich. Gelukkig maakt Kant deze tekortkoming ruimschoots goed met de volgende passage:

'(…) music has a certain lack of urbanity about it. For owing chiefly to the character of its instruments, it scatters its influence abroad to an uncalled-for extent (through the neighbourhood), and thus, as it were, becomes obtrusive and deprives others, outside the musical circle, of their freedom. (…) The case is almost on a par with the practice of regaling oneself with a perfume that exhales its odours far and wide. The man who pulls his perfumed handkerchief from his pocket treats all around to it whether they like it or not, and compels them, if they want to breathe at all, to be parties to the enjoyment, and so the habit has gone out of fashion.’

Het moge duidelijk zijn: als het aan Kant lag, was muziek allang uit de mode. Gelukkig kreeg hij ongelijk.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven