Wikimedia Commons

Wie weet hoe wetenschap werkt?

Er is crisis. Het kabinet is gevallen, de euro wankelt, het weer is in de war, en ga zo maar door. Maar ook de wetenschap kampt nog met een crisis. En ik doel niet op de ‘crisis’ ingezet door Diederik Stapel die volgens mij geen crisis is. Ik doel hier op de vertrouwens-/gezagscrisis van de wetenschap, zoals die onder andere wordt geconstateerd door scheidend KNAW-president Dijkgraaf en RIVM’er Coutinho. Ik betoog dat deze crisis zijn oorzaak vindt in onbegrip; de kennis over hoe wetenschap werkt is gering, en onbekend maakt onbemind. De boer weet te weinig van wetenschap om het te lusten. Een analyse van wat er misgaat.

Wat wordt er dan eigenlijk niet begrepen? Dat is de vorm en taal waarin er door wetenschappers gesproken wordt, gevoed door de wetenschappelijke concurrentie. De gewone man heeft behoefte aan waarheid, maar de wetenschap kan deze eigenlijk helemaal niet verschaffen, hoewel ze pretendeert van wel. Die pretentie zit vooral in de vorm en taal van de wetenschap.

Een wetenschapper spreekt in zekerheden, terwijl de wetenschap gefundeerd is op onzekerheid.

Net als alle vakgebieden heeft de wetenschap een eigen jargon. Een jargon in woorden, maar ook een vakeigen toon. Woorden die buiten de muren van de universiteit nauwelijks wordt begrepen: standaarddeviatie, IRL, confirmatieve factoranalyse. Een toon die het best te beschrijven is aan de hand van Plato’s koning-filosoof: De koning-filosoof ontkomt er niet aan om in waarheden te spreken, omdat een twijfelende koning minder macht heeft op zijn volk. Een onzekere koning kan makkelijker worden afgezet, en dus bezigt de koning een toon en vocabulaire die waarheid, en daarmee zekerheid, veinst. Een wetenschapper spreekt in zekerheden, terwijl de wetenschap gefundeerd is op onzekerheid. Deze discrepantie is de oorzaak waarom wetenschap wordt misbegrepen.

Laat mij dit verder toelichten. Een onderzoeksresultaat met te veel reserve is niet geloofwaardig genoeg. Dit platoonse idee vind zijn vervolg bij de hedendaagse filosoof Latour. Volgens hem zijn wetenschappers niet alleen bezig met het ‘maken van waarheden’, maar ook met het verkopen van hun theorie. In zijn sociaal-constructivisme is de theorie met de meeste medestanders het meest waar – een relatieve benadering van het concept waarheid. In die interpretatie zou het aanhalen van Latour bijdragen aan de waarheid van Latours theorie. Overigens is dit niet zo Machiavellistisch als het op een eerste aanzicht doet vermoeden. Empirische bevindingen - en dus gelijkenis met de Natuur - zijn een belangrijkere medestander voor een theorie en dragen dus bij aan de waarheid van een theorie. Maar een theorie moet wel meerdere medestanders vinden om ‘waar’ te worden, volgens Latour – die moeten worden geworven. Ook zonder Latour kunnen we stellen dat een wetenschapper zijn resultaten moet verkopen. ‘Misschien waar’ is niet interessant voor wetenschappelijke tijdschriften, laat staan voor een interview bij De Wereld Draait Door.

Het probleem is echter niet dat het zo werkt, maar dat hier weinig helderheid over bestaat. Dit voedt het onbegrip. Een verkooppraatje – “Zo zit het en niet anders” – kan worden gezien als een oneerlijke voorstelling van zaken, en kan leiden tot wantrouwen in de verkoper. Dit kan twee onafhankelijke en mogelijk tegelijkertijd optredende oorzaken hebben, namelijk wanneer een eerder onderzoekresultaat achterhaald (of op een andere manier niet-kloppend) blijkt en wanneer andere wetenschappers een tegengesteld verhaal verkondigen. Beide oorzaken hebben te maken met de noodzakelijkheid van wetenschappelijke waarheid en zijn inherent aan het wetenschappelijke bedrijf.

  1. In alle wetenschapsfilosofische visies, van klassiek tot postmodern, zijn wetenschappelijke bevindingen niet in elke mogelijke wereld waar. Met andere woorden, er zijn werelden denkbaar wanneer de bevinding achterhaald blijkt. Wetenschappelijke kennis is dus niet noodzakelijk waar, maar waar op dit moment, in deze context.
  2. Dat verschillende wetenschappers verschillende waarheden verkondigen is ook inherent aan wetenschap; immers twijfel – en dus onenigheid – is de belangrijkste bouwsteen van wetenschap. Dat er dogmatische wetenschappelijke twijfel is logisch en noodzakelijk, maar dat betekent niet dat alle resultaten en argumenten evenveel waarde hebben. Het tegenwicht van de scepticus heeft onterecht evenveel waarde (en waarheid) gekregen als het gemeengoed. Op het moment dat de leek er niet in slaagt scepsis van gemeengoed te onderscheiden lijkt het of wetenschappelijke kennis futiel is. Begrijpelijk in mijn optiek. We zien hier duidelijk dat een gebrek aan kennis over de wetenschap leidt tot miskennis.

Het probleem is echter niet dat het zo werkt, maar dat hier weinig helderheid over bestaat.

Kortom: in de praktijk presenteren wetenschappers een waarheid die niet per se waar is. Onvermijdelijk leidt dit, bij gebrek aan kennis over het karakter en de presentatievorm van wetenschap, tot wantrouwen. De mogelijkheid van voortschrijdend inzicht en de inherente onenigheid betekenen dat de wetenschap een imperfect systeem is.

Hoe dit op te lossen? Door het jargon van wetenschap te veranderen, antwoordt de naïeveling. Ondanks dat dit de kern van het wantrouwen is, is het schier onmogelijk om zo’n grote cultuurverandering teweeg te kunnen brengen van bovenaf. Daarentegen denk ik dat voorlichting over wetenschap veel onbegrip en wantrouwen weg zou kunnen nemen. Denk aan een wetenschappelijke bijsluiter die u vertelt op wat voor gronden bepaalde bevindingen worden aangenomen als (tijdelijke) waarheid. De wetenschap kan pas volledig op waarde worden geschat als men zich bewust is van de karaktereigenschappen, en dan kan de wetenschap ook weer gewaardeerd en vertrouwd worden.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven