Zep de Bruyn

Witgoed

Een verhaal in vier perspectieven – de jongen, de vrouw, de eigenaar en de man – op één gebeurtenis in een wasserette. Klik op onderstaande wasmachines voor telkens een nieuwe blik op de barst in het raampje van een van de machines.

Inleiding
In de wasserette is deze week een nieuwe wasmachine geleverd. ‘Een mooi tweedehands ding,’ had de verkoper gezegd, terwijl hij er een paar stevige kloppen op gaf. Eerder dit jaar was bij een van de wasmachines een barst in het raampje gekomen nadat de eigenaar van de wasserette met zijn voorhoofd tegen het deurtje viel.

Er zit een barst in meneer, is dat wel veilig?

‘Niets aan de hand!’ verkondigde hij luidkeels tijdens het opstaan, op zijn gezicht een pijnlijke grijns. Na sluitingstijd had hij het ruitje nauwkeurig onderzocht en geconcludeerd dat er nog prima in gewassen kon worden. Sindsdien stellen de klanten soms vragen voordat ze hun was aan de machine toevertrouwen. Er zit een barst in meneer, is dat wel veilig? Zij zien het al misgaan, hun schone was door het gebroken ruitje de vloer op. ‘Tuurlijk, tuurlijk,’ zegt de eigenaar dan, ‘die ster zit er al jaren en dat glas is dikker dan mijn buik,’ waarna hij hard lacht, zijn pens vastpakt en hem een paar keer goed heen en weer schudt. Of de klanten overtuigd zijn of zo snel mogelijk van de aanblik van zijn zwabberende buik af willen is niet duidelijk, maar ze nemen het voor lief. Het scheurtje wordt met de tijd groter: waar het eerst alleen in het midden van het ruitje zat, begint de barst zich nu langzaam naar beide kanten uit te breiden, richting de bolling van het raampje. De kleding die zich met elke omwenteling van de trommel tegen het glas werpt en de constante druk van het water zorgen dat de barst zich met elke wasbeurt een miniem stukje uitbreidt. Het afpoeieren van klanten die hier iets over zeggen is zo’n automatisme geworden, dat de eigenaar het ruitje niet eens meer bekijkt.

Het is januari. Met elke binnenkomende klant komt een vlaag ijzige tocht mee. Binnen is het niet al te koud, want de wasmachines verspreiden wat warmte door het soms sneller, soms langzamer omwentelen van de trommels. Ook staat de kachel aan, maar niet te hoog want het is hier geen restaurant, vindt de eigenaar. In de hoek staat een plastic kerstboom met gele en rode lampjes, twee slierten engelenhaar en een piek die te zwaar is voor de slappe kruin. De boom zal er nog staan tot medio maart. Ernaast zit een vrouw te wachten. Haar ene been is over het andere geslagen en ze leest een van de verouderde tijdschriften uit de bak. Ze is netjes gekleed en straalt elegantie uit. Om de zoveel tijd kijkt ze kort naar de klok aan de wand. Ze ziet er niet uit als iemand die haar was doet in een wasserette, denkt de eigenaar. Hij weet niet dat de vrouw hier slechts op doorreis is en dat ze morgen weer zal vertrekken. Voor haar baan vliegt ze de hele wereld over. Soms woont ze ergens een paar jaar, soms een paar maanden, maar vier jaar is het maximum. Korte relaties scheppen weinig verplichtingen, en zo ziet ze het het liefst.

Met elke binnenkomende klant komt een vlaag ijzige tocht mee

Twee stoelen naast haar zit een jongen, hij wacht ook. De eigenaar weet niet of hij hem als jongen of als man zou bestempelen, hij schat hem zo rond de eenentwintig. De laatste paar weken komt hij regelmatig in de wasserette. Hij is net in deze stad gaan wonen en heeft nog geen wasmachine in huis. Hij leunt achterover, vouwt zijn handen achter zijn hoofd en rekt zich uit. ‘Hnnnng,’ klinkt het, nauwelijks verstaanbaar over het gebrom van de machines. De jongen leunt weer voorover, zijn ellebogen op zijn knieën, zijn kin in zijn handen. Naast hem leest de vrouw nog altijd het tijdschrift. Na enkele minuten kijkt ze opnieuw naar de klok, daarna naar hem. Zijn haar ziet eruit als zo’n kapsel dat ooit is ontstaan in de puberteit en sindsdien onveranderd is gebleven: gel en onnatuurlijke vormen. Ze kan de gel ruiken, in combinatie met een sterk, typisch mannelijk parfum. Ze begraaft haar neus in haar sjaal. De jongen heeft borstelige wenkbrauwen, vertrokken tot een frons. Onder de wenkbrauwen ogen die onafgebroken naar iets staren. Net een uil, denkt de vrouw. Ze vraagt zich af waar de jongen zo gebiologeerd naar kijkt, en volgt de richting van zijn blik. Eerst ziet ze niet waarom hij zo geconcentreerd naar een van de wasmachines kijkt, maar dan ziet ze de barst in het raampje.

De jongen De vrouw De eigenaar De man
Meer Verhalen
Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Reacties zijn gesloten.

Naar boven