Flickr / V.H. Hammer

Woezie woezie 17: ongestudeerd poëzie lezen

HuishoudpoëzieAnnie M.G. Schmidt1957
Herfstkreet van de havikJoseph Brodsky1989
triangel in de jungle / de dieren der democratieLucebert1951

Toen mijn grootmoeder jarig was stuurde ik haar een app’je: ‘Vandaag ben ik veertig geworden. / Wat moet ik zeggen van het leven? Dat het lang is gebleken.’ Het is een citaat uit een gedicht van Joseph Brodsky. Ik dacht zo een vleiende opmerking te maken, ook al had ik die tweede regel misschien wat al te ondoordacht gekozen en overgetikt, maar die vlieger ging niet op. Mijn oma reageerde niet via Whatsapp, ze belde mij onmiddellijk. Wat ik daar nou weer mee bedoelde. Ik wist toch dat ze altijd ‘twin-tig’ was gebleven. ‘Nee, verstand van “poesie” heb ik niet. Ik heb er niet voor gestudeerd.’

‘Verstand van poëzie?’ zei ik, ‘dat is ook helemaal nergens voor nodig.’ Ik vond het jammer dat ze zei dat ze er niet voor gestudeerd heeft. Mijn oma heeft voor heel veel dingen niet gestudeerd, maar kan gerust over bijna alles meepraten. Haar belangstelling voor de literaire activiteiten van haar kleinzoon is weliswaar groot, gedichten lijkt ze uit de weg te gaan. Met het excuus dat ze het naadje van de kous niet wist toen ze die regels van Brodsky las, hield ze het citaat voor gezien. En dat terwijl mijn oma een vrouw is met een rijke binnenwereld, waarin de poëzie best weerklank zou kunnen vinden. Ik heb toch ook geen literatuurstudie nodig gehad om de gedichten die ik lees te kunnen voelen?

Sommige poëzie is natuurlijk zo afschrikwekkend dat je er geen wijs uit kunt worden.

Sommige poëzie is natuurlijk zo afschrikwekkend dat je er, los van opleiding, geen wijs uit kunt worden. Annie M.G. Schmidt schreef daar een mooie parodie op met haar gedicht ‘Een dichter’. De dichter in kwestie wil het liefste verzen schrijven die rijmen en vol staan van de romantische beelden. De literaire mode schrijft daarentegen voor dat rijm, metrum en interpunctie verleden tijd zijn. ‘En nooit een hele zin. Alleen maar brokken. / (...) en zó dat niemand het begrijpen kan.’ Het eerste vers dat de dichter schrijft gaat volgens Schmidt dan zo:

ik drijf spelden van wanhoop
in de huid van je
grutten wezenloos
woezie woezie 17 en
klaan uit je klukhaar versuikeren
bleke bliezen in schedels met spuigaten
vol blauw gehakt

Als serieuze verzen kunnen ze niet door de beugel, al is het moeilijk uit de leggen waarom dan niet, want Schmidt heeft zichtbaar niet zomaar iets neergepend toen ze in de huid van haar dichter kroop. Het resultaat is net zo ontoegankelijk als de gedichten die ze parodieert. Als je er maar lang genoeg voor hebt doorgeleerd zou je best iets in dit gedicht kunnen zien. Anything goes, toch? Schmidt denkt daar anders over, want er bestaat nu eenmaal ronduit slechte poëzie. Ze parodieert vrolijk verder op de gedichten die lappen uitleg verlangen om enige waardering te kunnen oogsten: ‘En toen zei iedereen: dat is reusachtig! / En Paul Rodenko schreef een heel lang stuk / in “Maatstaf” om te laten zien hoe prachtig / het was. Vooral dat “woezie” en dat “kluk”.’

Wie literair geschoold is kan van alle gedichten wel chocola maken. Alleen is het belangrijkste van wat je aangeleerd krijgt vaak ook de grootste valkuil, namelijk de middelen om tot een interpretatie te komen. Een verregaande interpretatie kan een gedicht slopen. Een echte literatuurwetenschapper kan poëzie makkelijk uitkleden tot alleen het geraamte van poëtische technieken overblijft. In de ogen van de recreatieve lezer valt er dan niets meer aan te beleven. Van bijvoorbeeld Van Ostaijens ‘Melopee’ geniet je geen haar méér als je weet dat de vorm de iconische timekeeper van het gedicht is.

Wie literair geschoold is kan van alle gedichten wel chocola maken.

Daar komt bij dat het begrijpen van een gedicht afhankelijk is van wat de lezer weet. Studeren is geen garantie voor een grote feitenkennis. Wanneer Schmidt het heeft over Paul Rodenko en Maatstaf weet misschien niet iedereen wie en wat precies bedoeld zijn, maar dat is niet erg want de strekking komt uit het gedicht zelf naar voren. Een literator en een blad, meer hoef je niet te weten. Aan de andere kant kan je je referentiekader niet uitzetten, dus is het zaak er zo goed mogelijk gebruik van te maken, zonder direct aan het hineininterpretieren te slaan.

De regels die ik mijn oma stuurde vond ik in de verzamelbundel Herfstkreet van de havik. Het gedicht heet ‘24 mei 1980’, wat de dag was waarop mijn oma veertig werd en Brodsky ook. Hoewel deze Russische dichter vaak gesloten uit de hoek kan komen, valt dat in dit gedicht wel mee. Je hoeft niet te weten hoe het in de Sovjet-Unie toeging of hoe het Brodsky is vergaan om te begrijpen wat er staat. Het is niet nodig zijn biografie te kennen, want hij reikt hem je aan (aangenomen dat ‘ik’ de dichter is):

In plaats van een beest heb ik me steeds in een kooi laten zetten,
mijn straftijd en nummer heb ik gekrast in celmuren,
’k heb aan zee gewoond, gespeeld aan de roulette,
in rok gesoupeerd met de vreemdste sinjeuren.

Degene die hier aan het woord is heeft in die veertig jaar heel wat meegemaakt, maar kan daar ondanks alles een nuchter verslag van geven. Een beetje cryptisch is wellicht ‘’k ben driemaal verdronken, heb tweemaal onder het mes gelegen’. En als je de Hunnen niet kent is ‘’k Heb door steppen gedwaald waar de grond zich de Hunnen herinnert’ misschien niet te localiseren. Gelukkig is dat bijzaak, want de kern van het gedicht staat een paar regels verderop: ‘Elke klank is mijn keel gepasseerd behalve janken; / (...) Maar zolang mijn strot niet onder de klei wordt vertreden / zal ’t geluid dat hij geeft enkel dit zijn: danken.’ Brodsky heeft zich niet klein laten krijgen en zegt dank omdat zijn leven geen catastrofale wending heeft genomen, dat het leven hem er niet onder heeft gekregen. Voor het gevoel dat die gedachte met zich meebrengt hoef je niet in de collegebanken te hebben gezeten.

De muziek geven gedichten gratis cadeau.

Kees Verheuls Nederlandse vertaling van Brodsky’s gedicht maakt mij nieuwsgierig naar hoe klinkend het Russisch moet zijn – wat ik niet beheers. Muzikaliteit is zo goed als altijd, bedoeld of onbedoeld, een wezenlijke en waardevolle dimensie van poëzie. De muziek geven gedichten gratis cadeau. Lucebert verhief de muzikaliteit zelfs tot belangrijkste bestanddeel van zijn poëzie, zoals al in zijn debuutbundel uit 1951 blijkt:

ik zing de aarde aarde:
de aarde met haar carnivale uiterweide
met haar ontbijtende bloezems droevige blijde
bellen en ei-lijnen in haar lichaam daar
zie lady met uw gevaarlijke lippen
kust u de groene grootwijze wereld
kust u en siddert

Op het oog is wat er staat schier onbegrijpelijk. Lucebert maakt de inhoud ondergeschikt aan de klank van de aarde, de aarde, de aarde. Er valt gedetailleerd aan te wijzen waardoor bovenstaande klinkt, maar belangrijker is dat iedereen kan merken dat het klinkt door het hardop voor te lezen. Bovendien zinspeelt Lucebert in dit titelloze gedicht steeds op geluid en klank: ‘bloemen zullen u begroeten en / schreiende kindren (...) / het kreitsende het oorverdovende licht / oorverdovende licht in uw vleugels’.

Ook al ziet een vers er nog zo verschrikkelijk uit, er is altijd wel een pad dat erdoorheen leidt.

Om van muziek te houden hoef je geen diploma te hebben. We vinden sommige hitjes instinctief al dan niet om aan te horen, sommige symfonieën al dan niet te pruimen en kunnen daar met z’n allen heel lang over discussiëren. Muziek gaat bij uitstek over gevoelens en het oproepen daarvan, net als poëzie. Ook al begrijp je misschien niets van wat er staat, de klank van een gedicht is toegankelijk voor iedereen en die kan je mooi vinden of niet. Daartoe kan je dus altijd je toevlucht nemen. Alleen moet je er net zoals bij alle literatuur enige moeite voor doen – lezen is nu eenmaal een grotere inspanning dan de radio aanzetten.

Ik heb me afgevraagd of ik mijn grootmoeder moest terugbellen. Ze hoeft zich niet te laten afschrikken door de poëzie, gedichten zijn geen niemandsland om in te verdwalen. Ook al ziet een vers er nog zo verschrikkelijk uit, er is altijd wel een pad dat erdoorheen leidt. Het maakt niet uit dat je ergens de vinger niet op kunt leggen. Stel je ongestudeerd en open op, en wie weet brengt het gedicht je dingen waarvan je niet wist dat je ze weet, want je weet meer dan je denkt. Je hóéft geen uitleg van drie kantjes te (kunnen) schrijven bij één regel poëzie, als het tenminste een goed geschreven gedicht is en geen ‘poesie’. Een goed gedicht staat nooit in de schaduw van zijn interpretatie. Soms heeft het zelfs genoeg aan de verborgen muzieknoten die er staan. ‘Dag oma, het is kinderspel, ik ga je een gedicht voorlezen en het heet “Oote”.’

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven