Flickr / Chris Brakeley

‘Our world is physical’: het lichaam van racisme

On BeautyZadie Smith2005
AmericanahChimamanda Ngozi Adichie2013
Between the World and MeTa-Nehisi Coates2015

‘Bedoelde u: warmtepleisters?’, vraagt Google nadat ik de zoekterm ‘zwarte pleisters’ heb ingetypt. Ondanks deze misvatting toont de zoekmachine toch genoeg relevante resultaten. Zo vind ik ‘The Story of the Black Band-Aid’ (2013) op de website van The Atlantic met als ondertitel ‘a reinvention of ‘flesh-colored’’. En van The Huffington Post verschijnt het stuk ‘People Of Color Can Finally Wear Bandages That Match Their Skin’ (2015). Ondertitel: ‘It’s about time!’

Het contrasterende beeld van de ‘vleeskleurige’ pleister op een donkere huid werd voor het eerst in mij opgeroepen door Ifemelu, hoofdfiguur in de roman Americanah (2013) van Chimamanda Ngozi Adichie. Als Nigeriaanse immigrant schrijft Ifemelu een succesvol blog over race issues in de Verenigde Staten. De observaties van Ifemelu zijn gebaseerd op haar eigen dagelijkse ervaringen: het gebrek aan zwarte pleisters en felkleurige lippenstift in de supermarkt, een docent die vergeet zonnebrand te geven aan Ifemelu’s colored neefje, en de Nigeriaanse vriend van haar tante, woonachtig in Amerika, die zijn huid bleekt. De lichamelijke implicaties van het ‘zwart zijn’, the black body, is een steeds terugkerend thema in de roman. Dit geldt eveneens voor twee andere boeken die ik vlak na Americanah las: het essay in briefvorm Between the World and Me (2015) van Ta-Nehisi Coates en de roman On Beauty (2005) van Zadie Smith. De manier waarop de auteurs de verwevenheid tussen culturele identiteit en lichamelijkheid tonen, doet mij meer dan ooit de sociale constructie beseffen die het lichaam is.

Terwijl ik Coates lees, voel ik de beklemming van mijn eigen huid

Ta-Nehisi Coates richt zich in Between the World and Me tot zijn zoon. Hij vertelt hem over het Amerika van de jaren tachtig en negentig waarin hij zelf opgroeide: een land dat gekenmerkt wordt door het geloof in The Dream en het geloof in race. Coates beschrijft hoe Amerikanen “believe in the reality of “race” as a defined, indubitable feature of the natural world”, maar, zo vervolgt hij: “race is the child of racism, not the father”. Het is een terugkerende boodschap: raciale categorieën worden bepaald door culturele en sociale verhoudingen en hebben geen biologische oorsprong. Racisme is een sociaal construct; het is geloof. Wanneer Coates spreekt over “Americans who believe that they are white” en “families, believing themselves white” voel ik de beklemming van mijn eigen huid. Coates’ woorden echoën in mijn gedachten en ik begin mezelf af te vragen: wat is blank, ben ik blank, geloof ik in de sociale constructie van ‘wit’? Ik weet: er zijn geen categorieën, huidskleur bestaat in allerlei gradaties (welbeschouwd zeven miljard). Maar Coates behoedt me voor naïef idealisme, want, zo stelt hij: “Our world is physical”.

De geschiedenis is reëel en heeft haar sporen van ongelijkheid nagelaten. Het zijn fysieke sporen: het zwartgemaakte lichaam dat gegeseld werd voor katoen en koffie, het zoveelste aangehouden of neergeschoten zwarte lichaam door de politie, het zwarte lichaam zonder esthetische waarde. Coates prent in: “The soul was the body that fed the tobacco, and the spirit was the blood that watered the cotton, and these created the first fruits of the American garden”. Voor Coates zijn lichaam, geest en geschiedenis één. Het geloof in rassenonderscheid en de fysieke uitwerking daarvan heeft geleid tot het verwezenlijken van The Dream – tot het blanke bezit van geld, grote huizen, succesvolle banen, maar meer nog: tot een angstloos bestaan waarin het blanke lichaam zich veilig kon ontwikkelen tot de esthetische en ethische norm. Geloof werd realiteit.

Ifemelu krijgt van haar jobcoach het advies om haar afrohaar te stijlen

In vergelijkbare termen als Coates blogt Ifemelu in Americanah over de constructie van ras. Het is exemplarisch dat Ifemelu zich pas bewust wordt van haar eigen ‘zwartheid’ wanneer ze vanuit Nigeria naar de Verenigde Staten emigreert. Zo schrijft ze aan haar bloglezers: “Dear Non-American Black, when you make the choice to come to America, you become black”. Ifemelu’s haarstijl fungeert als de fysieke metafoor voor de ervaring van haar blackness. Al op de eerste pagina van Americanah vraagt Ifemelu zich af waarom er geen kapper is in Princeton die haar haar kan vlechten. Tijdens het lezen word ik me steeds meer bewust van de hassle dat afrohaar met zich meebrengt in een discriminerende samenleving. “If you have braids, they will think you are unprofessional”, hoort Ifemelu van haar tante als ze al wekenlang geen werk kan vinden. Wanneer Ifemelu eindelijk is uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek – dankzij het sociale netwerk van haar blanke vriend Curt – krijgt ze van haar “caramel-skinned African American” jobcoach het advies om haar afrohaar te stijlen. Na de chemische, pijnlijke procedure van het haarstijlen, roept Ifemelu’s kapper uit: “Wow, girl, you’ve got the white-girl swing!”. Ifemelu krijgt de baan, maar een paar weken later beslist ze om haar haar af te knippen. “Relaxing your hair is like being in prison. You’re caged in”. Ifemelu verzet zich hiermee niet alleen tegen ‘blank Amerika’ maar ook tegen de zwarte vrouwen die zich kritiekloos lijken aan te passen aan de uiterlijke norm.

In Nederland wacht ik op de trein. Aan de overzijde van het perron zie ik schoonmakers een blauwe afvalkar vooruitduwen en kort daarna worden de prullenbakken in mijn coupé geleegd. Economische ongelijkheid? Ja. Maar ook dringt de vraag zich aan me op of ik kijk naar de gevolgen van white privilege. Er schiet een passage uit Americanah door mijn hoofd waarin een blanke student vermoeid zegt: “Why must we always talk about race anyway? Can’t we just be human beings?”. De professor van de student antwoordt: “That is exactly what white privilege is, that you can say that”. Een paar dagen later zie ik een webshopreclame waarin het rond paraderen van modieuze vrouwen wordt begeleid met de woorden “women have many faces, we should be entitled to all of them”. Shop the looks. De vrouwen in de reclame zijn allemaal blank. Ik realiseer me dat dit soort culturele representaties – witte pleisters, gestyled afrohaar, blanke vrouwen in commercials – nog steeds dominant is. Het is geen nieuw bewustzijn, maar de boeken van Coates en Adichie voegen er een urgentie aan toe die ik niet eerder zo ervoer. Het is precies de belichaming van geloof in ras waardoor het ingewikkeld is om de juiste woorden te vinden voor verandering. Sociale constructies zijn een narratief, maar geen fictie. Hoe te kiezen voor ‘the human race’, zonder de geschiedenis en haar realiteit te ontkennen?

Uit de verschillende keuzes van de familieleden uit On Beauty blijkt hoe ze over agency beschikken

Ta-Nehisi Coates realiseert zich dat zijn zoon opgroeit in een ander Amerika dan hijzelf: “I don’t know what it means to grow up with a black president, social networks, omnipresent media, and black women everywhere in their natural hair”. Waar Coates vanuit zijn persoonlijke ervaring van de black community schrijft en Adichie het ‘zwarte’ Amerika door de ogen van een outsider laat zien, toont Zadie Smith in On Beauty een multicultureel Amerika waarin woorden als race en black langzaam een nieuwe invulling lijken te krijgen. In zeer beeldende taal, rijk aan gedetailleerde beschrijvingen en vloeiende dialogen, creëert Smith de wereld van de Belsey-familie, woonachtig in Boston, die bestaat uit de Britse blanke vader Howard, de Afro-Amerikaanse moeder Kiki en drie kinderen: Jerome, Zora en Levi. Uit de verschillende keuzes die de familieleden maken gedurende het verhaal, blijkt hoe de personages over agency beschikken; ze zijn in staat om hun eigen culturele identiteit te construeren.

Zo worstelt Kiki met haar uiterlijk in het overwegend blanke, academische klimaat van haar man. Wanneer ze haar zwarte schoonmaakster ontmoet, voelt ze zich “nervous of what this black woman thought of another black woman paying her to clean”. En Kiki’s gezette lichaam, ruim honderd kilo, steekt af bij de magere, blanke vrouwen uit haar directe omgeving. Middenin een pijnlijke ruzie getekend door overspel, wanhoopt Kiki: “A little white woman […] You married a big black bitch and you run off with a fucking leprechaun?”. In haar woede realiseert Kiki: “I’m alone in this … this sea of white. […] My whole life is white. I don’t see any black folk unless they be cleaning under my feet in the fucking café in your fucking college”. Uiteindelijk leidt de ruzie voor Kiki juist tot de acceptatie van haar eigen lichaam. Zo confronteert ze Howard:

You know I haven’t had my period in three months – did you even know that? […] My body’s telling me the show’s over. That’s real. And I’m not going to be getting any thinner or any younger, my ass is gonna hit the ground, if it hasn’t already – and I want to be with somebody who can still see    me in here. I’m still in here.

Hoewel deze passage enerzijds relateert aan de ouder wordende vrouw in het algemeen – en Smith daarmee de titel On Beauty breder inzet dan alleen op huidskleur –, verwijst de strekking ervan ook naar normen over vrouwelijke schoonheid die overwegend op het blanke lichaam zijn gebaseerd. Geprojecteerd op het uiterlijk van Howards blanke minnares, realiseert Kiki zich dat zij niet langer de vrouw is en kan zijn waar haar man naar verlangt. De acceptatie van haar eigen lichaam lees ik niet als passieve overgave, maar als toon van verzet, als niet-aanpassing.

Ook elk van de Belsey-kinderen weet een eigen identiteit te vormen. Levi, de jongste van de drie, verzet zich tegen het intellectualisme van zijn ouders en raakt steeds dieper geworteld in de straatcultuur van Boston. Zora strijdt, gedreven door haar verliefde gevoelens voor Carl, een black poet, voor meer studiemogelijkheden voor “dispossessed people” binnen de academische wereld. En Jerome, tot slot, bekeert zich tot het christendom en vindt daar ruimte voor het creëren van zijn culturele identiteit.

De invloed van het geloof in een nieuw lichaam: het kan een andere realiteit scheppen

On Beauty illustreert – via de besproken personages, maar ook door allerlei bijfiguren – de grote variatie aan zelf-geconstrueerde identiteiten waarin ‘zwartheid’ geen eenduidige betekenis heeft. Die constructies staan niet los van geschiedenis of bestaande sociaalmaatschappelijke structuren, maar tonen wel wederkerigheid: individuen bezitten het vermogen om een eigen culturele identiteit te creëren en daarmee bestaande sociale constructies te doorbreken. Dit is de invloed van het geloof in een nieuw lichaam: het kan een andere realiteit scheppen. Smith laat zo zien dat het lichaam inzetbaar is als uitdrukking van een nieuw narratief.

Adichie toont via Ifemelu dat iedereen verantwoordelijkheid draagt in het deconstrueren van het geloof in ras. In haar blog moedigt Ifemelu de “American Non-Black” aan tot luisteren en het stellen van vragen; de “American Black” maakt ze bewust van de reproductie van white privilege door zelf te kiezen voor bijvoorbeeld het ontkroezen van afrohaar. Ifemelu’s boodschap is hiermee niet-discriminatoir van aard, en dat is van wezenlijk belang voor de totstandkoming van een nieuw belichaamd narratief. Het devies aan iedereen is: lees, luister, vraag, realiseer, en vergeet niet. Via zijn zoon laat ook Coates aan de lezer weten: “What I wanted for you was to grow into consciousness”. Het groeiende lichaam: zowel fysiek als mentaal.

Gerelateerde artikelen
Reacties
Nog geen reacties.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Naar boven